Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Translate

Volgers

dinsdag 28 mei 2013

Gewone brem

We hebben de afgelopen weken, wat het weer betreft, heel wat af geklaagd. En terecht natuurlijk.......
Door de vele regenval is de natuur echter helemaal opgebloeid, want wat was het hier bij ons in Weert toch overal droog.
Er vindt momenteel dan ook een ware groei- en bloei-explosie plaats van onze kruidige planten, maar ook bijvoorbeeld de gewone brem is nu op haar mooist.
De gewone brem (Cytisus scoparius) is een vlinderbloemige. Onder andere familie van onze peulvruchten, zoals bonen en erwten. Cytisus = vlinderbloemige + scoparius= bezem.
Ze bloeit eind april of begin mei, dus ook nu weer kunnen we zien dat de natuur een paar weken achter ligt.

De Gewone Brem komt zeer algemeen voor, vooral op zandgrond, heidevelden, in duinen en langs spoordijken. Het is vooral een pioniersstruik van arme zandbodems. Ze houden van lichte plekken. Brem heeft maar weinig bladeren en ze zijn erg klein. De onderste zijn drietallig handvormig samengesteld, de bovenste enkelvoudig. De blaadjes vallen gauw af, maar de takken blijven groen. De struik kan een hoogte van 2 m bereiken. Brem bloeit op het hout van het voorgaande jaar. De bloemen zijn goudgeel en ongeveer 2 cm lang. Ze vormen grote losse trossen en bloeien ontzettend rijk..
Als je de bloem goed bekijkt, snap je niet dat ze deze schoonheid "gewone brem" noemen......
 
Wanneer de bloemen, die slechts bestoven kunnen worden door grote insecten, voor het eerst bezocht worden, ontspannen zich de meeldraden met enige kracht zodat het insect met een lading stuifmeel overdekt wordt. Daarmee bevrucht hij de stampers van andere bloemen. Hij wordt bezocht door wel 35 soorten plantetende insecten (zoals luizen en rupsen). 

De vruchten van de brem zijn lange, platte peulen die bij het rijpen zwart worden. Wanneer ze uitgedroogd zijn, kunnen zij met kracht goed hoorbaar open springen. Zo wordt het zaad ver weg geslingerd. Aan elk zaadje bevindt zich een klein sappig aanhangsel dat mieren erg lekker vinden. Zij verslepen de zaden en zorgen zo voor verspreiding van de brem. De zaden zijn trouwens giftig! Met deze zaden is er nog iets bijzonders aan de hand. Het gaat hier om zogenaamd ‘hard zaad’, dat wil zeggen: een bepaald percentage van de zaden ontkiemt niet. Dit heeft te maken met de hardheid van de schil. Daarmee overleeft de brem ook strenge winters en gebrek aan water en zal dan in het voorjaar, als het regent, ontkiemen. Op deze manier kan brem zich ook in noordelijke landen met lange, strenge winters handhaven.

De bloemknoppen van de brem werden als een delicatesse beschouwd in de Renaissance tijd (dat is de overgangsperiode in de Europese geschiedenis tussen middeleeuwen en nieuwe tijd). Ook kende deze plant vele medicinale toepassingen en je kunt er, naar het schijnt,luizen mee bestrijden.

Maar bij de meeste mensen is deze struik natuurlijk bekend als "bezembrem", omdat met de twijgen vroeger bezems werden gemaakt. De boerenkapel van "CV de Heiknuiters" is niet toevallig "kepel de Hei-jbeesembeengers" genoemd, want de brem is overal in Altweerterheide in ruime mate te vinden....

Met die bezem kon men ook het kwaad het huis uit vegen. Brem werd vroeger dan ook in huis opgehangen om het kwaad te weren. Misschien werkt het tegenwoordig ook nog. Het is het proberen waard...............

dinsdag 21 mei 2013

Koekoeksbloem

Na het lila van de pinksterbloem en het geel van de paardenbloem, zien we nu het geel, wit en roze van andere meibloeiers zoals boterbloem, koolzaad, fluitekruid en koekoeksbloem. Het is een genot om nu langs de geluidswal van Ringbaan-Noord bij Molenakker te wandelen of te fietsen en te zien hoe kleurrijk deze er bij ligt. Vooral de koekoeksbloem, die boven het hoge gras uit komt, valt erg op.


Het is een fabeltje dat de naam koekoeksbloem is ontstaan, omdat deze plant bloeit als de koekoek zich voor het eerst in het jaar laat horen. Die is namelijk al een tijdje (2e helft van april) in ons land als de bloem tevoorschijn komt. Aannemelijker is dat je vaak het zogenaamde "koekoeksspuug" bij deze plant aantreft. Hiermee wordt het schuim op de plant bedoeld, waarin de larve van een schuimcicade leeft. Vroeger werd gedacht dat dit het spuug van de koekoek was, vandaar de Nederlandse naam van deze plantensoort.
Er zijn meerdere koekoeksbloemen: de dag-, avond- , nacht- en echte koekoeksbloem.
Het bijzondere van Dag- en Avondkoekoeksbloem is, dat elke plant óf alleen mannelijk (dus alleen meeldraden) is, óf alleen vrouwelijk (alleen een stamper). De ene plant draagt dus alleen mannelijke bloemen; een ander slechts vrouwelijke. Dus nooit meeldraden en stampers samen in één bloem. Tweehuizig (dioica) noemt men dit. In tegenstelling tot de Dag- en Avondkoekoeksbloem is de Echte koekoeksbloem wél eenhuizig.
De plant komt een heel Europa voor, van Noorwegen tot in de Kaukasus. De soort is in België en Nederland een vrij algemene plant. De dagkoekoeksbloem is de meest voorkomende en groeit op vele plaatsen.

Echte koekoeksbloem

De bloeiperiode van de Echte koekoeksbloem is van mei tot augustus. De wetenschappelijke naam van de Echte koekoeksbloem luidt “Lychnos flos-cuculi”. Het Griekse woord Lychnos betekent lamp of helder schijnsel. Flos-cuculi wil zeggen: bloem van de koekoek. Enkele oude benamingen zijn: armoeds- bloem, molentje en roodsteerntje.

De Echte koekoeksbloem wordt zo’n 40 tot 70 cm hoog. Als je goed kijkt zie je hoe bijzonder ze zijn; elke bloem bestaat namelijk uit slechts vijf bloem- blaadjes. Elk bloemblaadje is vervolgens diep en onregelmatig in vieren ingesneden. Op deze manier lijken de bloemen twintig bloemblaadjes te hebben, terwijl het er eigenlijk maar vijf zijn. Je vindt ze vooral op de wat nattere gras- en hooi- landen  en langs oevers en slootkanten waar voldoende bodemvocht aanwezig is. Door overvloedige bemesting is de soort op veel plekken in Nederland verdwenen en teruggedrongen tot sloot- en waterkanten. De plant bevat saponine. Dit is een zeepachtige en giftige stof. Men vermoedt dat de plant saponine produceert als bescherming tegen insectenvraat, bacteriën en schimmels. Vanwege de vieze smaak grazen koeien er ook het liefst om heen.

Dagkoekoeksbloem

Een nauw familielid van de Echte koekoeksbloem is de Dagkoekoeksbloem. De wetenschappelijke naam van Dagkoekoeksbloem luidt “Silene dioica”. Ook de Dagkoekoeksbloem heeft licht tot donker- roze bloemen, die echter niet zo diep ingesneden zijn als bij Echte Koekoeksbloem. De vijf bloemblaadjes en de zeer harige tegenover elkaar staande bladeren, zijn kenmerkend voor de Anjerfamilie.

De naam dagkoekoeksbloem verwijst naar het overdag open staan van bloemen. Dit in tegenstelling tot de avondkoekoeksbloem, die in de late namiddag en avond open staat. De plant heeft tweehuizige bloemen; er zijn planten met bloemen met smalle slanke kelken en planten met opgezwollen, dikke bloemkelken. Als je die twee typen bloemen goed bekijkt, zul je in de slanke alleen meeldraden vinden en in de dikke het vruchtbeginsel. De laatsten zijn de vrouwtjes die dus de zaden (zwanger buikje)vormen en de slanken, die ook het langste doorbloeien, zijn de mannetjes, die het stuifmeel leveren. Ook in de plantenwereld is een goede "haan" dus niet vet.............

Hoewel de bloemen van de Dagkoekoeksbloem overdag gewoon geopend zijn, komen er geen bijen op af. Die kunnen namelijk niet bij de nectar komen. Omdat de bloemen ook geen geur ver- spreiden, komen er ook geen nachtvlinders op af. Nachtvlinders zijn namelijk beesten die door planten met geur gelokt moeten worden. Overdag vliegen er echter wel dagvlinders en hommels rond, die de kleur van de Dagkoekoeksbloem blijkbaar aantrekkelijk vinden. Het is de mooie roze kleur die ze maar al te goed herkennen en ze naar de nectar en het stuifmeel lokt.

Avondkoekoeksbloem

De avondkoekoeksbloem, witte silene of lijnkruid (“Silene latifolia subsp. Alba”) is ook een plant uit de anjerfamilie. Het is een hoge, eenjarige, overblijvende, algemeen voorkomende plant. De soort dankt zijn naam aan de bloemen, die pas laat in de namiddag en avond geopend zijn. De plant is evenals de dagkoekoeksbloem tweehuizig; de bloemen zijn dus óf mannelijk óf vrouwelijk.  De bloemen zijn wit en 2 tot 3 cm groot. De bloem is groter dan de dagkoekoeks- bloem. De mannelijke bloemen hebben 10 nerven en de vrouwelijke 20. Op de foto's zijn dus enkel mannelijke bloemen te zien.

De bloemblaadjes hangen er overdag slordig bij, maar transformeren in de loop van de late namiddag en avond tot een trots stralende bloem. De licht zoete geur trekt nachtvlinders aan. Nachtvlinders zijn wezens, die zich laten leiden door geur en door het (maan)licht. Tegenwoordig zijn nachtvlinders trouwens vaak verwarde beestjes; overal zien ze “manen” en vliegen soms een hele hele nacht rondjes om een straatlamp. Gelukkig hebben zij hun geurorganen ook nog. Op de Avondkoekoeksbloem zullen voornamelijk nachtvlinders met een lange roltong te zien zijn. De bloemen hebben de ingang ontoegankelijk gemaakt door een soort bijkroontje dat de kroonbuis bij de top grotendeels afsluit. Zo´n roltong is dan een uitermate geschikt gereedschap om toch “in te breken”.

donderdag 16 mei 2013

"De oude Meulenstat van Hugten"

We hebben er (te) lang op moeten wachten, maar eindelijk zet het voorjaar toch door; het groeizaam weer zorgt a.h.w. voor een ware "explosie" in de plantenwereld. Ook de dieren blijven niet achter en zorgen voor nieuw leven. De veranderingen in de natuur gaan nu zo snel, dat het amper is bij te benen. De natuur kleurt in snel tempo op veel plaatsen geel van de boterbloem, wit van het fluitenkruid, lila van de pinksterbloem, of het ziet pluizig wit van de reeds uitgebloeide paardenbloem. Tijdens mijn wandelingen kom ik dan ook ogen te kort om al die uitbundige lentebodes te volgen.


Gisteren was ik voor een wandeling in het Weerterbos.
Het Weerterbos
ligt op de grens van Limburg en Noord-Brabant, ten noordwesten van Weert.
Naast het eigenlijke Weerterbos behoren nog verschillende deelgebieden bij het reservaat. "Hugterbroek" is de naam van het middelste deel, "In den Vloed" de naam voor het noordoostelijk gelegen deelgebied.
De naam Weerterbos werd voor het eerst al op kaarten uit 1666 gebruikt.


Ik ben om het afgerasterde gedeelte bij de voormalige landbouwenclave in het Hugterbroek, de Grashut, gelopen en ondanks een voorzichtig zonnetje, heb ik kunnen genieten van de frisse ontluikende natuur; bomen kleuren fris groen, vogels laten overal van zich horen, bij een gigantische mierenhoop zijn rode bosmieren druk bezig en edelherten doen zich te goed aan het malse gras.


Tijdens deze wandeling loop je via de Bossevaartweg (een smal wandelpaadje) ook langs het Sterkselsch Kanaal, waar zich een oude granieten grenspaal bevindt. In deze blog wil ik daar wat meer over vertellen.

Al in de middeleeuwen kwamen de grenzen van Budel- Maarheeze (Cranendonck), Someren en Weert- Nederweert (Land van Horne) hier in Hugten bij elkaar. De grens werd ooit aangegeven door een oude zogenaamde “Kruiseik”. Waarom deze boom in oude geschriften “cruytz eyck” wordt genoemd, is mij niet duidelijk. Mogelijk dat het hier een meerstammige zomereik, of eikenstoof (een soort knotboom) betreft!!



De naam van dit historisch grenspunt, dat de "Oude Meulenstat" wordt genoemd, herinnert aan de plaats (“stat”) waar ooit een oude watermolen (“meulen”) aan de Sterkselse Aa stond. Het landgoed Hugten was van 1223 tot 1771 eigendom van de kloosterorde der Cisterciënzers.
De molen werd al eind 12e eeuw vermeld, maar was aan het begin van de 16e eeuw verdwenen. Namen als Molenhorst, Hoeve de Molenhorst en Molenbrugweg herinneren nog aan dit verleden.


Het toponiem -horst is een historische benaming voor een met kreupelhout of hakhout begroeid, hoger gelegen stuk grond. De grond is meestal zandgrond en de houtbegroeiing kan zowel op als rondom het stuk grond voorkomen. Het woord horst is afkomstig van het Germaanse woord hursti, dat beboste opduiking in moerassig terrein betekende (bron: Wikipedia).

"De oude Meulenstat van Hugten"
Om een einde te maken aan voortdurende grensge- schillen (nadat de eik het loodje had gelegd), werd in 1548 besloten op dit toentertijd vijf-heerlijkheden-punt
“eenen seer grooten ende swaeren blauwer steen, een weenigh gebeught ende van onderen in stucken, edoch omringht met twee ijsere banden" met de naam “ d’oude Meulenstaet van Hugten” te plaatsen, met daarop de wapens van Brabant (naar de kant van Someren) en van Horne (naar Weert).
In 1745 is deze grenspaal door de toenmalige magistraat van Weert vervangen door een "bequaemen blauwen steen, eenen voet breet in 't vierkant".
Het is deze steen die je hier nog steeds kunt zien.

In 1916 werd pal naast dit grenspunt het Sterkselsch Kanaal gegraven. De grenssteen werd in 1987 gerestau- reerd, nadat deze door een ongeluk was afgebroken.
De laatste restauratie dateert van 1997.
Nu komen op dit historische grenspunt de provincies Noord-Brabant en Limburg met de gemeenten Cranendonck, Someren en Nederweert bij elkaar. Het is uiteraard een beschermd monument.


Bron: J. Biemans, De grenspaal "De oude Meulenstat (van Hugten)”, Stichting Historisch Onderzoek Weert.


Grotere kaart weergeven

maandag 13 mei 2013

Bakewell

In een vorige blog schreef ik over het “Bakewells Pieëlke”; het vlakbij de voormalige boerderij Bakewell gelegen vennetje, dat geïsoleerd is komen te liggen tussen A2 en het spoor en voor de jongere generatie waarschijnlijk onbekend is. Mogelijk dat mijn blog hierin wat verandering heeft weten te brengen.
In deze blog wil ik wat dieper in gaan op de geschiedenis van het landgoed en de boerderij.

Schilderij van boerderij Bakewell in de jaren '20 van de vorige eeuw.

Boerderij  volop in bedrijf eind jaren twintig.
Boerderij omstreeks 1950  (nu met 2 ramen boven)
De vervallen boerderij "Bakewell"  in 1967
Na de dood van graaf Philips van Horne (Heer van Weert tot 1568), was in de 17e en 18e eeuw, 114 ha. grond en de rechten erop in de Heerlijkheid Weert eigendom van de Prinsen van Chimay (ten zuiden van Brussel) en vanaf 1804 tot 1841 van de graven van Caraman (de erfgenamen), met een korte onderbreking in de Franse tijd. Het betrof onder andere grond op het Middelste Hout, Hoogbosch, Sint Martensdijk, Maarheeshut, Rosveld,  Roeventerpeel en Speckebroek (gelegen tussen Weert en Maarheeze). In Weert liggen meerdere (voormalige) moerassige gebieden met de naam Specke of Spikke. In mijn blog over het Spikke in Altweerterheide, heb ik hier meer over verteld. Een specke of spikke is een soort eenvoudig houten moerasbruggetje, of "spekdam" van rijshout en boomstammetjes, dat werd afgedekt met zoden.

Detail Ferrariskaart 1777. Met pijl aangegeven het latere Bakewell.

Detail Kadastrale kaart van 1811-1832 (sectie M2)
De lasten waren voor de erfgenamen Caraman blijkbaar hoger dan de lusten, want ze verkochten hun bezittingen in het jaar 1841. De toenmalige burgemeester van Weert, Louis Beerenbroek, kocht ongeveer de helft van de grond (61 ha.), met de daarop gelegen boerderij.  Het ging om een totaalbedrag van bijna fl. 45.000,- De resterende 52 ha. werden toegekend aan Jacobus Smits uit Gestel (Eindhoven) en zijn  zussen Elisabeth en Rumolde.  Ik heb de plek waar de boerderij stond en het "Bakewells Pieëlke" (toen nog Speckebroek Pieëlke genoemd) met een rode pijl aangegeven op de Kadastrale kaart van 1811-1832. Hoewel men de bouwdatum niet heeft kunnen achterhalen, is wel zeker dat boerderij Bakewell in de periode 1841 tot 1877 nog Smitsboerderij heette, genoemd naar de pachters.

Toen de Beerenbroeks verhuisden naar Roermond, werd alles verkocht aan Winandus Coenen. Na de dood van Winandus in 1877 gingen de eigendommen over in handen van de erven Coenen. Daarna zijn zijn zonen Antonius (1852-1890) en Franciscus Coenen burgemeester van Weert geweest.

Ten tijde van het burgemeesterschap van Antonius Coenen (1877-1890), wordt al gesproken van boerderij Bakewell, maar de naam is pas voor het eerst ófficieel te vinden in de Memorie van Successie na diens overlijden in 1890.(aangetoond door archiefonderzoek van E. Haanen in de negentiger jaren van de vorige eeuw). Anthonius Coenen heeft de boerderij dus de naam gegeven. Genoemd naar de toentertijd in heel Europa bekende Engelse landbouwkundige Robert Bakewell (Leicester, 1725-1795). Voor Antonius Coenen, die eigenlijk landbouwkundig ingenieur was en een voortrekkersrol vervulde in het agrarische Weert, was Bakewell hét grote voorbeeld. Vandaar dat hij de boerderij naar deze Bakewell heeft genoemd.

Bakewell wordt vanwege het toepassen van andere fokmethodes de "vader van de moderne veefokkerij" genoemd. Zijn naams- bekendheid was echter niet alleen op het gebied van schapen-, paarden- en rundvee- fokkerij, maar ook op elk detail van boerderij-management en als verbeteraar van grasland door het toepassen van systematische irrigatie. Door het bezoeken van een groot aantal bedrijven in heel Europa, had hij een brede theoretische kennis van de landbouw en veeteelt verworven en deze kennis paste hij in de praktijk toe.

Van de grond waren in die periode nog slechts enkele percelen bos ontgonnen om er weilanden, hooiland en bouwland van te maken, terwijl de rest hei, bos en loofhout bleef. Op het landgoed, dat aan de rand van het laaggelegen moerasgebied "Speckebroek" lag (zie kadastrale kaart), was weinig te verdienen. De boerderij zelf lag op het hoger gelegen "Op den Dyck". Dit was ook waarover de doorgaande kiezelweg (op de kadastrale kaart van 1811 aangegeven als "Chemin de Maarhees à Weert") loopt.

Na de burgemeestersfamilie Coenen zijn nog de adellijke familie de Nerée tot Babberich  (uit Roermond en getrouwd met een dochter van Coenen) en Van Tuyll van Serooskerke (Heeze), eigenaar van de boerderij geweest. Deze werd trouwens steeds verpacht. De laatste pachter was Michiel (Geelke) Kuijpers uit Ittervoort, die er vanaf 1931 woonde en in 1964 stopte,  toen alles verkocht werd door Petronilla Coenen, de dochter van Antonius die getrouwd was met Richard. de Nerée tot Babberich.  Het verval van de boerderij trad daarna helaas snel in, zoals je op de foto van eind 60'er jaren kunt zien. Bij de baanverdubbeling van de E9 in 1972 en de aanleg van het viaduct is de boerderij afgebroken. Bijzonder jammer toch dat het zo is verlopen. De enige herinnering aan dit verleden is het vennetje en het bordje met de naam Bakewell op het nabijgelegen viaduct.

In 1978 is bij de ruilverkaveling tussen Maarheezerhutten en autoweg de grond gekocht door de heer Winters (van de 7-Up fabriek) en niet veel later als natuurgebied gereserveerd.

"Bakewells Pieëlke"

Hoe het "Bakewells Pieëlke" is ontstaan is mij niet duidelijk. Mogelijk is er ooit turf gestoken, maar waarschijnlijker is dat deze plas (die ooit een doorsnee had van ca. 100 m.), is ontstaan vanwege het afgraven van leem. Dat gebeurde namelijk ook bij de iets verderop gelegen "Leemkuilen". (bron: Kanton Weert februari 1903) en Aardbrandschven.

muur met zonnebekkers én veldbrandsteen
Leem werd vroeger uitgegraven om er zogenaamde zonnebèkkers  of veldbrandstenen van te maken. Een zónnebekker is een steen, die gedroogd is door de zon. Het was een vrij zachte ruwe steen, die meestal alleen werd gebruikt voor de binnenmuren van de huizen. De harde veldbrandstenen werden in veldbrandoventjes gebakken. Leem werd ook gebruikt om het tenen vlechtwerk van bijvoorbeeld schaapskooien en schuren mee te bestrijken en om dorsvloeren aan te leggen.
Deze zogenaamde "brandsche"- of Brabantse leem tref je in Weert e.o. overal aan, vanwege de Roerdalslenk. Deze slenk heeft een grote rol gespeeld bij het ontstaan van de natuurgebieden in Weert en Kempen~Broek. Omdat de lemige onderlagen namelijk een slecht waterdoorlatende laag (kleiversmering) vormden en wanneer deze gebieden omgeven waren door hoger gelegen gronden, stagneerde de waterafvoer en kreeg de bodem een moerassig karakter. Dat was ook het geval bij "Speckebroek". Door het weggraven van de leem is waarschijnlijk het "Speckebroek Pieëlke" ontstaan.  Het latere "Bakewells Pieëlke".

zondag 12 mei 2013

Luysmolen

Langs de Abeek, ooit “de levensader van beide Limburgen” genoemd, lagen in het verleden liefst 26 molens. Deze beek speelt nu weer een belangrijke rol in het grensoverschrijdende natuurpark "Kempen-Broek", want ze is, met haar venige hooilanden, elzenbroekbossen en de omliggende moeras- en heidegebieden, in het Europese "Natura 2000" netwerk van internationaal belangrijke “droge en natte natuurgebieden” opgenomen.

Vanwege de vele molens werd ze vroeger ook wel Molenbeek genoemd. Alleen al in buurtschap Kreyel (in de Belgische gemeente Bocholt) lagen over een afstand van amper 6 km, liefst 4 watermolens. Hiervan zijn er nog twee over gebleven, nl. de Voorste Luysmolen en de Clootsmolen. Deze molens draaien niet meer. De Achterste Luysmolen (1926) en de Hendriksmolen (1930) zijn afgebroken. Over de Clootsmolen heb ik al eerder iets geschreven. Het molenwerk van deze molen is nog aanwezig en ze is (zo zegt men) beperkt maalvaardig, maar ligt niet meer direct aan de beek en staat eigenlijk gewoon "droog". Het ligt in de bedoeling om de beek weer in haar oorspronkelijke bedding te leggen, zodat deze molen weer aan de beek komt te staan.

De Voorste Luysmolen maalde voor het laatst in 1965. Het is een zogenaamde onderslagmolen. Bij onderslagmolens stroomt het water ónder het rad door. Dit type molens komt vooral voor op de wat grotere beken/kleinere rivieren en is typisch voor waterlopen met een klein verval. De molen ligt aan een kleine zijstroom.

De Voorste Luysmolen wordt al in 1515 vermeld als volmolen, waar men wollen laken “volde” of verviltte om de kwaliteit van het weefsel te verbeteren. Het is een bewerking om de vezels dichter ineen te werken, waardoor een stevige, waterdichte stof ontstaat die minder vatbaar is voor krimp. Door de gebruikte ingrediënten, met name urine, werd een volmolen ook wel stinkmolen genoemd.

In de 19e eeuw werd de molen ingericht als korenmolen en het oorspronkelijk houten molengebouw werd in 1884 vervangen door een stenen gebouw. Sinds 1965 is de molen niet meer gebruikt. De naam Luys heeft niets te maken met een insect of parasiet (een luis dus), maar is van oorsprong een veldnaam. Luijs is afgeleid van "lis of rietgras". Veel hooilandpercelen langs de Abeek kregen vroeger de naam "luijsbampt" mee. Bampt in de betekenis van hooiland of beemd.


Eind 1995 kocht de Vlaamse Landmaatschappij de molen om ze te restaureren. Na de restauratie en herinrichting van de omgeving, is het beheer overgedragen aan de gemeente Bocholt. Tussen 15 april en 15 oktober is de molen vrij te bezichtigen. Nu de Luysmolen weer kan malen, zijn er ook iedere tweede en vierde zondag van de maand maaldemonstraties. Er is een kleine tentoonstellingsruimte en de molen is uitvalbasis voor wandelingen langs de beek, Smeetshof, Sint-Maartensheide, Luysen, Stramprooierbroek en Wijffelterbroek. Er is een picknick- plaats naast de molen en er is de mogelijkheid om van een lekker "tasje koffie" en een kleine hap te genieten. Het is tegenwoordig, omdat het aan het fietsknoopnetwerk ligt, ook een populair rustpunt voor fietsers.

Hoewel de midden- en benedenloop van de Abeek sterk door de mens is beïnvloed, behoort de beek nog altijd tot één van de betere beken. De waterkwaliteit, de unieke flora en fauna zijn van een hoog niveau. In de zomer krioelt het letterlijk van het leven in, boven en langs de beek. Er zijn vistrappen aangelegd om de vissen de gelegenheid te geven zich stroomopwaarts te begeven.












Grotere kaart weergeven

dinsdag 7 mei 2013

Oranjetipje

In mijn vorige blog over de pinksterbloem, vertelde ik al dat er op weilanden aan de Gebleekte Steeg, die vol stonden met de pinksterbloem, tientallen oranjetipjes vlogen. Het heeft een paar weken langer geduurd, maar nu is toch echt de vlinderlente losgebarsten. Ook voor het oranjetipje zijn het nu "hoogtijdagen". Oranjetipjes zijn lentebodes bij uitstek, hoewel ze het dit jaar in april moesten doen met veel te weinig lenteachtig weer. Vandaar dat ze wat later zijn verschenen.....
Het koude weer is eigenlijk vooral voor de soorten die als vlinder overwinteren (bijvoorbeeld kleine vos) een probleem geweest. Het oranjetipje is een zogenaamde pop- overwinteraar en heeft weinig last van de kou en de regen gehad; hij kwam alleen wat later uit de pop.

vrl. oranjetipje
Het oranjetipje is een dagvlinder uit de familie Pieridae, de witjes. Planten uit de kruisbloemenfamilie, zoals de pink- sterbloem, worden door veel vlinders uit deze familie en hun meestal groene rupsen als waardplant gebruikt.
Naast nectarplanten hebben vlinders en andere insecten waardplanten nodig. Dit zijn de specifieke planten die een insect nodig heeft voor de voortplanting. Zonder waardplanten geen rupsen, zonder rupsen geen vlinders.

Omdat de smaak van de pinksterbloem wat scherp is, wordt de plant niet graag door dieren gevreten, maar het oranjetipje (Anthocharis cardamines) leeft dus bij voorkeur op de pinksterbloem en zet haar eitje af op deze plant.
Op half beschaduwde plaatsen gebruikt de soort ook wel judaspenning of look zonder look.

Vlak onder de knop wordt slechts één eitje op de bloemsteel afgezet en de rups verschijnt rond half mei-half juni. De rups eet eerst van de bloemen van de waardplant en gaat later over op de zaadjes. De rups heeft hieraan genoeg te eten in zijn eentje. De plant sterft bovendien niet. Wanneer de rupsen uitgegroeid zijn, kruipen ze naar de bosrand om daar tussen de planten te overwinteren als pop.
De bosrand is ook belangrijk voor de vlinders zelf, want de mannetjes gaan daar vooral op zoek naar vrouwtjes. Je snapt het al: het is heel belangrijk voor het oranjetipje dat er graslanden met bosranden in de buurt zijn, dus het Moeselpeelgebied is een bijzonder geschikte omgeving.

Ik dacht trouwens in eerste instantie koolwitjes te zien vliegen, maar het bleken dus nagenoeg allemaal vrouwelijke oranjetipjes te zijn. Het vrouwtje is namelijk wit met een zwarte vlek in de voorvleugels en wordt om die reden vaak met het koolwitje verwisseld. Ze zijn echter een stuk kleiner en vooral met dichtgeslagen vleugels, zie je aan de mooie geel/groen gemarmerde "tekening" dat het geen koolwitjes zijn. De enkele mannetjes die er rondvlogen, waren daarentegen heel duidelijk te herkennen aan de heldere oranje vlek op de vleugels.

Na lang heen en weer gefladder bleef soms een vrouwtje wat langer zitten, zodat ik daar enkele foto’s van heb kunnen maken. Ik vind ze niet echt denderend, maar toch kun je het verschil met het koolwitje op de eerste foto goed zien. Aangezien het leek alsof de mannetjes “patrouilleerden” ,of het gewoon te druk hadden met hun “vrouwenjacht”, hadden ze blijkbaar niet de tijd om even te rusten, dus heb ik daar helaas geen foto van kunnen maken. Knap trouwens dat er mensen zijn die dat wel lukt. Een kwestie van goede apparatuur en veel geduld, en die heb ik beide niet.....

De foto’s die ik hieronder heb geplaatst, zijn dus niet van mij, maar zijn van het internet “geplukt”.
Voor wat meer gegevens en meer geslaagde mooie foto’s van deze vlinder, kun je ook eventueel eens kijken op de site van vlindernet.nl.