Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Translate

Volgers

maandag 31 oktober 2016

Herfst 2016....... Paddenstoelentijd deel 3

Het vind het altijd leuk om in de herfst mee te gaan met een paddenstoelenwerkgroep. Ik ben al enkele keren meegegaan met de groep van IVN Weert en Leudal. Als je op stap gaat met de echte paddenstoel- kenners, dan zie je meer en leer je er altijd weer een paar nieuwe soorten bij. Dat bevalt dus heel goed en ik kom ook nog eens op plekken, waar ik normaal niet naar toe zou gaan.

Koningsmantel
Ik laat je als eerste deze prachtige Koningsmantel (Tricholomopsis rutilans)zien. De Nederlandse naam van deze paddestoel slaat uiteraard op de kleur. De hoed is nl. bedekt met wijnrode tot paarsrode schubben.

Koningsmantel
Je ziet dat alleen bij de jonge zwam, want bij het ouder worden, verdwijnt dat rood en wordt de gele ondergrond zichtbaar. Hij wordt daarom ook wel Purpergele ridderzwam genoemd.
De hoed is gewelfd tot uitgespreid bij het ouder worden en heeft doorgaans een doorsnede tussen de 4 en 12 cm. De rand is vezelig. De lamellen zijn goudgeel.

Koningsmantel
Je vindt hem in naald- en gemengde bossen op naaldhoutstammen, ("begraven") stobben en stronken. De steel is tussen de 3 en 12 cm hoog en heeft een doorsnede tussen de 1 en 3 cm, met oranjerode tot wijnrode schubben.

Koeienboleet
De Koeienboleet (Suillus bovinus)is goed herkenbaar aan de kleur en aan de grote, samengestelde buisjes.
Het is een eetbare soort uit de familie Suillaceae. Ook de Gele- en Bruine ringboleet horen bij die groep.

Koeienboleet
Zoals bij de meeste boleten heeft deze soort ook geen manchet. De koeienboleet groeit met name in naaldbossen, vaak in groepjes. Bij vocht wordt het oppervlak van de hoed kleverig, bij droogte gaat deze glanzen. De kleur varieert van geelbruin tot rozebruin.

Eikhaas
De Eikhaas (Grifola frondosa)is een houtzwam. Hij groeit aan de voet van levende eiken en op stobben ervan. Uit een centrale steel die zich veelvuldig vertakt groeien waaier- of spatelvormige deelhoedjes van vier tot wel tien centimeter breed. De soort kan erg groot worden. Kijk eens hier. De hoedjes zijn rimpelig en crèmekleurig tot grijsbruin. In een latere fase verkleurt hij bruin. Op Flickr  staat daar ook een foto van. De buisjes zijn wittig. De poriën zijn wittig tot crèmekleurig. Omdat deze zwam het immuunsysteem stimuleert, wordt thans onderzocht of hij bij de behandeling van aids en kanker gebruikt kan worden.

Zwavelzwam
De Zwavelzwam (Laetiporus sulphureus) is een parasitaire zwam die bij voorkeur op eiken groeit. Het is een buisjeszwam die valt onder de plaatjesloze vlieszwammen. Levende bomen worden via beschadigde plekken geïnfecteerd. Gezonde, onbeschadigde bomen worden niet aangetast. Vooral in het beginstadium van hun ontwikkeling zie je allerlei gradaties van witte, gele en oranje kleuren met overgangen daartussen. In een later stadium verdwijnen die felle kleuren. Oude exemplaren worden wit en brokkelig als geitenkaas.
Op Flickr heb ik een aantal jonge en oudere soorten staan.

Door hun opvallende verschijning en formaat worden zwavelzwammen vaak gezien en herkend. Deze soort kan wel 10 kilogram zwaar worden. Wanneer een boom wordt "aangevallen" door deze zwam, ontstaat bruinrot, een schimmel waardoor het kernhout van de boom krimpt en bovendien roodachtig bruin verkleurt. De stam van de boom wordt langzamerhand steeds verder uitgehold.

Vliegenzwam
In een normale herfst zie je die "rooie met witte stippen" al begin september verschijnen. Dit jaar heeft hij lang op zich laten wachten en heb ik pas op 12 oktober de Vliegenzwam (Amanita muscaria), of beter gezegd het begin van een Vliegenzwam, gevonden. Velen zullen een jonge Vliegenzwam die net uit de grond komt, niet als zodanig herkennen. Niet alleen de mysterieuze leefwijze en de bijzondere verschijnings- vorm, maar vooral de bijzondere eigenschappen van het "rode vel met witte stippen" hebben sinds mensen- heugenis tot de verbeelding gesproken.

Hier zie je dus een jonge Vliegenzwam, die op het punt staat om uit het velum (het witte vlies) te breken. In de taille zal dit vlies scheuren, waarbij het onderste gedeelte als ring of manchet aan de steel blijft zitten en het bovenste verder in stukken zal breken naargelang de hoed verder open gaat. De witte stippen die je later op de rode hoed ziet, zijn dus vliesrestjes. Voor meerdere foto’s van de Vliegenzwam kun je HIER klikken.

Rimpelige koraalzwam
De Rimpelige koraalzwam (Clavulina rugosa) is een Saprofiet, komt dus op dood hout voor. Hoewel je hier geen hout ziet, is het er wel degelijk, maar het zit ondergronds, is “begraven” als het ware. Het is een kleine witte paddenstoel die alleenstaand of in groepjes verschijnt, dikwijls op de bemoste bodem langs bospaden, zowel in naaldbos als loofbos of gemengd bos.

Rimpelige koraalzwam
Het zuilvormige vruchtlichaam heeft een beetje een rimpelig oppervlak, is op dwarsdoorsnede afgeplat en heeft weinig, onregelmatig gevormde vertakkingen De uiteinden van deze vertakkingen zijn stomp, in tegenstelling tot andere koraalzwammen waar ze dikwijls scherp zijn. De sporen worden aan de buitenkant van het bovenste deel van het vruchtlichaam gevormd.

De soort is matig algemeen en staat op de Rode Lijst als kwetsbaar. Het schijnt dat hij eetbaar is, maar vanwege zijn zeldzaamheid en zijn kleine afmetingen is het onzinnig om dit paddenstoeltje voor consumptie te verzamelen.

Paarse knoopzwam
De Paarse knoopzwam (Ascocoryne sarcoides) is een in Nederland algemene zakjeszwam, die op dood loof- en naaldhout voorkomt (meestal beuk). Het viel niet mee er een geslaagde foto van te maken. De vrucht- lichamen zijn namelijk slechts van enkele millimeters tot ca. anderhalve centimeter in diameter.
Eén zo’n vruchtlichaampje is dus klein, maar meestal groeien ze dus bijeen in groepen, die uiteindelijk flinke afmetingen kunnen bereiken.

Ze variëren in kleur van licht roze tot helder paars. In het perfecte stadium groeien ze uit tot schoteltjes of schijfjes, maar meestal vind je ze in het zogeheten imperfecte stadium. Hierbij ontwikkelen zij zich niet verder dan een bolletje, soms met een kort steeltje. Later spreiden ze zich uit en krijgen een onregelmatige kussenvorm (net hersenen).

Roodgerande houtzwam
De Roodgerande houtzwam (Fomitopsis pinicola) is een schimmel uit de familie Fomitopsidaceae. Dit is een familie van 57 schimmels, waar ook o.a. de berkenzwam, doolhofzwam en zwavelzwam bij horen.
Hoewel je hem hier in het zuiden regelmatig vindt, is het in Nederland een zeldzame soort.

De zwam is een parasiet (op een levende boom), die na het afsterven van de gastheer verder leeft als saprofyt (dode boom). Het vruchtlichaam groeit vooral op stammen van naaldbomen, met name sparren, maar komt soms ook voor op berken, esdoorns en beuken. Het meerjarige vruchtlichaam is console- of hoefvormig en bereikt een lengte tot ca. 20 centimeter en maximaal een dikte van 15 centimeter.

Roodgerande houtzwam
Aan de bovenzijde is de paddenstoel concentrisch gecentreerd en bedekt met een gladde, harde toplaag van harsachtige substantie. Deze laag is eerst geel tot oranjerood gekleurd en krijgt na verloop van tijd een grijze tot grijszwarte kleur op het middelste gedeelte. De stompe groeirand is wit. De naam Roodgerand heeft dus niet de betekenis van een rode rand, maar rood met een (meestal witte) rand.

Paardenhaartaailing
De Paardenhaartaailing (Gymnopus androsaceus) is een plaatjeszwam met een tot 6 cm lange draaddunne zwarte of bruine steel. De kleine vleeskleurige tot lichtbruin gekleurde hoed is gewelfd (doorsnee max. 1 cm) en heeft een ingedeukt roodbruin centrum. Zoals de naam al aangeeft is de steel taai en buigzaam en met een doorsnee van de steel van slechts 1 mm. is dit een moeilijk te fotograferen soort (voor mij tenminste) . Door deze afmetingen wordt hij meestal ook niet opgemerkt. Als de hoedjes door droogte ook nog eens sterk ineen schrompelen zijn bijna helemaal niet meer te vinden.

Paardenhaartaailing
Deze vrij algemene soort komt in groepjes voor in dennenbossen op voedselarme zandgrond en groeit met name op een grof strooisel van dennennaalden, schors, takjes, kegels en andere plantenresten Ook op voedselarme grond, in loofbossen en heidevelden. Verzuring en vermesting hebben naar het schijnt een negatief effect op de soort.

Roestbruine kogelzwam
Tot slot nog een foto van de Roestbruine kogelzwam (Hypoxylon fragiforme). Deze bijzondere zakjeszwam komt voor op dode takken en liggende stammen van m.n. de beuk.

Deze zwammen heb ik gevonden in het Meinweggebied bij Vlodrop.
Als je de niet geplaatste foto's ook wil zien, moet je even HIER klikken.

Voor mijn andere paddenstoelenblogs, kun je HIER klikken.

dinsdag 25 oktober 2016

Herfst 2016....... Paddenstoelentijd deel 2

Zondagmiddag 11 oktober verzorgde het IVN Weert e.o. weer haar jaarlijkse paddenstoelendag rond het NMC de IJzeren Man, Weert. Ik ben met een drietal dames van de paddenstoelwerkgroep op pad gegaan. Aangenaam gezelschap, maar bovenal fijn om mee te gaan met kenners, die me weer een en ander hebben bijgebracht. We zijn eigenlijk niet verder gekomen dan de tuin en het pad achter het NMC.
Opvallend veel paddenstoelen waren niet in optimale staat, waren verdroogd en niet “okselfris”. De dames vonden het met 35 soorten een magere "oogst", maar ik ben er uitermate tevreden over en ben weer wat wijzer geworden.In deze blog laat ik jullie een aantal gevonden soorten zien.

Gele korstzwam
De Gele korstzwam is een soort die het hele jaar te vinden is. Zoek bij loofhout wat vaak gestapeld ligt in de bossen. De leerachtige soms grote plakkaten, zijn oker-geel gekleurd.
Korstzwammen vind je op allerlei dood hout, dode bladeren maar soms ook op levend hout. Ze worden ook wel schorszwammen genoemd. De korstzwam lijkt als het ware vastgeplakt op het hout. Veel korstzwammen krullen om en vormen dan waaiers, dakjes of hoedjes. Met mooie kleuren als paars, geel, felblauw, roze, oranje of wit zijn ze veel te vinden tussen kreupelhout en op omgewaaide, langzaam vergane bomen.

Geschubde inktzwam
De Geschubde inktzwam en Grote kale inktzwam zijn de meest bekende en talrijkste van de 100 inktzwammen in ons land. In de "jeugd" is de 5-15 cm hoge hoed van de Geschubde inktzwam ei- tot klokvormig, wit met een lichtbruin, glad centrum en bedekt met licht omgekrulde schubben. De hoed scheurt later vanaf de rand in en vervloeit tot zwart. Ook de lamellen zijn wit in de jeugd, maar verkleuren later vanaf de rand via roze naar zwart. Als langs de randen scheurtjes ontstaan, komen er grote zwarte kleverige druppels uit. Elke druppel (inkt) bevat sporen en trekt vliegen aan, die voor de verspreiding zorgen.

Glimmerinktzwam
Als je de kenmerkende ietwat glimmende spikkeltjes op de hoed ziet, waar je dat we te maken hebben met de Glimmerinktzwam. Die spikkeltjes zijn de resten van het omhulsel (velum), die door de regen meestal al snel worden weggespoeld. Het is een veelvoorkomende inktzwam, met een voorkeur voor vochtige plaatsen en groeiend op dood hout van allerlei verschillende loofbomen.
Glimmerinktzwam
Ze staan vaak in bundels op stronken en bij vochtig liggend dood hout en als je die niet ziet, heb je te maken met zogenaamd “begraven” hout. Hout dus dat zich onder de grond bevindt.

Platte tonderzwam
Een Echte tonderzwam is bij iedereen wel bekend. Het is een zwakteparasiet; een paddenstoel die als parasiet een boom aantast bij een snoeiwond of afgebroken tak en daarna als de boom dood is, als saprofyt verder gaat. Minder bekend is deze Platte tonderzwam. De soort leeft dus ook eerst als parasiet op een levende boom, waar hij witrot kan veroorzaken en als de boom is gestorven leeft de zwam verder als saprofyt. De gegroefde knobbelige en indrukbare waaiervormige hoed kan wel 40 centimeter groot worden en is lichtbruin of kaneel- of grijsbruin tot zwart. Hij heeft een golvende, scherp wordende witte rand.
Platte tonderzwam
Aan de bovenzijde is de hoed vaak bedekt met een laag bruine sporen. Die verlaten het vruchtlichaam uiteraard via de buisjes aan de onderkant, maar luchtstromen die om de hoed heen buigen, voeren ze blijkbaar omhoog, waarna veel sporen op de hoed terechtkomen.

Gele aardappelbovist
De meest voorkomende paddenstoel bij de IJzerenman is waarschijnlijk de Gele aardappelbovist. Aardappelbovisten zijn buikzwammen. Dat zijn paddenstoelen die een bol, knol of zak vormen. De sporen zitten dus als het ware in een buik of maag. Vandaar de naam Buikzwammen.
Ze zijn algemeen in loof- en naaldbossen en je treft ze bij voorkeur aan op een zanderige bodem. Ze zijn vanaf de zomer tot diep in de winter door de aandachtige wandelaar te vinden.
Wortelende aardappelbovist
Ik trof er ook deze Wortelende aardappelbovist aan. Die heeft een stevige steel en stevige pseudowortels, geen pantervelletje en schubjes met opstaande randjes aan de zijkant en bovenop het vruchtlichaam. De kleurstelling is zeer variabel; geelbruin, grijsbruin, okerbruin. gelig tot bruin, met bruinige schubben. Er is daarin een enorme variatie.

Baardige melkzwam
Ook melkzwammen zijn veel voorkomende paddenstoelen in de IJzeren Man. Het mooie van een melkzwam is, dat er bij beschadiging "melk" wordt afgegeven. Je weet dan zeker dat het een melkzwam is. Bij een kneuzing of beschadiging gaan ze dus niet bloeden, maar geven melksap. Soms zelfs grote witte druppels.
Het lijkt op echte melk. Bij een aantal melkzwammen lijkt het op een milkshake. Daar is het dikkere melksap oranje, paars of geel. De kleur van melksap, kan iemand al een stuk verder brengen om de melkzwam de goede naam te geven. Oranje is mogelijk de smakelijke melkzwam, geel de zwavelmelkzwam, en paars de peenrode melkzwam.
Baardige melkzwam
De Baardige melkzwam vind je bijna altijd bij berken en in zeldzame gevallen op beuken. De kleur van de hoed varieert van een bleke zalmkleurige gele kleur tot een bleek roze-oranjeachtige kleur. De diameter ligt tussen de vier en twaalf centimeter. De hoed is gewelfd tot vlak trechtervormig van vorm. De rand van de hoed krult naar binnen en is afgezet met een wollige en harige structuur. De lamellen zijn wanneer de baardige melkzwam jong is wit. Gedurende de levensloop verandert die kleur en worden ze wijnrood (of wijnrood met een crèmetint) tot oranje en uiteindelijk verbleken ze.

Bruine ringboleet
Een boleet met een ring heet natuurlijk ringboleet! Deze Bruine ringboleet tref je aan op grazige plekken uitsluitend onder dennen. Het is een algemeen voorkomende soort. Hij heeft een halfbolvormige, donker- of chocolabruine tot oranjebruine hoed, die bij volgroeide exemplaren zo’n 12 cm breed kan worden. Bij vocht wordt de hoed vettig en kleverig. De Engelsen noemen hem niet voor niets “Slippery Jack” Oudere exemplaren zijn nogal sponzig en zitten vaak vol met larven.
Bruine ringboleet
Er zijn maar weinig buisjeszwammen met een ring. De Bruine ringboleet is één van de weinige. Die is eerst witachtig en wordt later bruinpaars. Met die prachtig bruinkleurende ring is de naam Bruine ringboleet gauw verklaard. De steel is boven de ring geelachtig.

Eikelbekertje
Als je dit kleine paddenstoeltje aantreft, weet je ook meteen waar het zijn naam aan dankt; je vindt het namelijk op oude, rottende en zwart geworden eikels op droge, zandige bodems. Het Eikelbekertje is een bekerzwammetje. Het vruchtlichaam is schotelvormig tot afgeplat en heeft een doorsnee van 0,5-1,5 cm. Het is op deze foto niet te zien, maar het staat op een donkerbruin steeltje.

Geelbruine spleetvezelkop
De naam "spleetvezelkop" heeft betrekking op het feit dat de hoedhuid tussen de radiaal lopende vezels gaat splijten bij het ouder worden. Dat is hier nog niet het geval. Deze Geelbruine spleetvezelkop is een van de variabelste wat betreft kleur, hoedvorm en grootte. De okergele, geelbruine tot donkerbruine hoed is 3 tot 7 cm breed en heeft een straalsgewijze, vezelige structuur. Bij veroudering spreidt hij zich vlakker uit. Hij is te vinden aan bosranden, langs bospaden, in laanbermen en in beschaduwde parken en tuinen, meestal bij loofbomen.

Gewone krulzoom
Ik vind het vaak moeilijk om een soort te benoemen. Op de kleur kun je in elk geval vaak niet te werk gaan. Ook niet op grootte, want die is erg variabel bij veel soorten. Dat geldt ook voor de Gewone krulzoom, met een doorsnede van 5 tot wel 11 cm. De hoed is wel altijd gewelfd.
Gewone krulzoom
Eé ding hebben al die verschillend uitziende krulzomen wel, namelijk de gekrulde zoom. Op de foto kun je deze ingerolde rand goed zien. Deze was omgevallen, zodat dat goed te zien was. Als je twijfelt kun je het beste met behulp van een spiegeltje even onder het randje kijken. Dan hoef je hem ook niet te plukken......

Kleine bruine bekerzwam (links) en Bruine bekerzwam (rechts)
Soms zie je vormen waarvan je denkt, is dit wel een paddenstoel? Als je dat denkt, is het heel vaak een zakjeszwam. Zakjeszwammen danken hun naam aan de manier van voortplanten. De sporen zitten namelijk in zakjes. Als de top van het sporenzakje open scheurt,worden de rijpe sporen met duizenden tegelijk weggeschoten en door de wind verspreid. Ik heb al eerder zakjeszwammen geplaatst. Denk bijvoorbeeld aan Oranje bekerzwam, Judasoor, Wimperzwammetje, Dodemansvinger, Geweizwam.

Op deze foto zie je 2 soorten naast elkaar. Bruine bekerzwammetjes (rechts) en de Kleine bruine bekerzwam (links). De Kleine bruine bekerzwam, met een doorsnee van ca. 2 cm, heeft veel weg van de Gekartelde bekerzwam. Hij heeft echter geen geen kartels, maar is donkerbruin behaard aan de rand. De binnenzijde is waterig grijsblauw tot crèmewit en de buitenzijde is geelbruin. Je vindt hem van de zomer tot de herfst in loof- en naaldbossenbossen en gemengde bossen tussen bladstrooisel of op kale humeuze grond. De Kleine bruine bekerzwam komt algemeen voor, maar is zo klein dat ie niet vaak opgemerkt wordt.

Kogelhoutskoolzwam of Vergroeide kogelzwam??????????
Ook dit is een zakjeszwam, maar ik heb bij deze soort mijn twijfels. Ik twijfel tussen een Kogelhoutskoolzwam en de Vergroeide kogelzwam. Deze zwam vond ik op een dode boomstronk. Het lijkt wel alsof er brand is geweest. Zoals zo veel zwammen maken ook Kogelhoutskoolzwammen verschillende stadia door. De Kogelhoutskoolzwam begint met een hard bruinrood vruchtlichaam en eindigt als broos "houtskool". Ook de Vergroeide kogelzwam wordt bij rijpheid zwart. Maar deze is kussenvormig omdat de zwammen aan elkaar zijn gegroeid en het oppervlak is knobbelig. Ik neig naar de Vergroeide kogelzwam, maar wie het zeker weet mag het zeggen.
Reuzenzwam
Tot slot nog deze Reuzenzwam, die ik zag op het grasveldje voor het zwembad. Zoals de naam al aangeeft, kan deze zwam heel groot worden. Als hij volledig is uitgegroeid, kan hij wel een meter in doorsnee bereiken. De paddenstoel heeft een sterke voorkeur voor beukenbomen, maar hoewel die aan de Kazernelaan groeien, kon dat hier niet nagaan, omdat hij groeide op een zgn. "begraven" boomstronk. Die onder de grond zit dus. De zwam kan zowel verschijnen op een levende boom (het is dan een parasiet), als op dood organisch materiaal. Dan is het een saprofyt.

zaterdag 22 oktober 2016

Allemaal beestjes #7

Ik begin in deze blog met enkele opvallend grote kevers. Er is een enorme diversiteit aan kevers. In het Nederlands Soortenregister staan ruim 4.100 soorten geregistreerd. Zo zijn er bijvoorbeeld Bladsprietkevers, Snuitkevers, Bladhaantjes, Kortschildkevers, Kniptorren, Boktorren en Loopkevers.
De grootte kan oplopen van enkele milimeters (o.a. aardvlooien) tot bijna 9 cm (vliegend hert).

Gewone streeploopkever
In akkers komen insecten voor die de ontwikkeling van plagen in de kiem smoren en dus helpen bij de biologische bestrijding van landbouwplagen, waardoor het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen kan worden verminderd. Het is bijna niet voor te stellen, maar er is door Wageningen University & Research berekend, dat op een biologische akker van één hectare al gauw 100.000 kevers zitten! Per dag eten die vele duizenden luizen, slakken en andere insecten. En zij worden weer gegeten door vogels en spitsmuizen.

Een zo'n kever is deze gewone streeploopkever. Hij heeft een voorkeur voor het open veld en mijdt grasstroken en heggen, ook al is daar veel voedsel. Om prooi te vinden loopt hij kriskras door het veld en loopt op een dag al zigzaggend een afstand af van (schrik niet) 10-16 meter! Over een heel groeiseizoen van 16 weken komen de kevers niet verder dan 100-170 meter vanaf de plaats waar ze uit de pop kropen. Het type gewas kan mede bepalen hoeveel kevers er in een akker lopen.

Bosmestkever
Mestkevers zijn gespecialiseerd in de soort mest. Zo heeft deze bosmestkever een voorkeur voor koeienmest. Geen verse vlaaien, maar al wat ouder en ingedroogd. De bosmestkever of voorjaarsmestkever is de bekendste soort mestkever in Nederland en België. Hij lijkt veel op de gewone mestkever, maar hij heeft gladdere dekschilden, met minder en ondiepere groeven op het achterlijf. Ook is het lichaam iets boller en hij is iets kleiner. In "allemaal beestjes #2 vertelde ik daar al iets over.

De zware bepantsering maakt dat de mestkever zwaar en niet erg snel is. De poten zijn dan ook stevig en sterk behaard en worden gebruikt om mest te begraven onder de grond. De tasters zijn kort maar vanwege de sterk geveerde, soms oranje uiteinden die wel wat op blaadjes lijken, zijn die erg opvallend. Met die sprieten kunnen ze mest op grote afstand ruiken. Deze gebruiken ze als voedselbron en om hun eieren in af te zetten. De kever komt in juli uit, maar blijft tot het voorjaar onder de grond zitten. Je vindt hem van mei tot oktober op zanderige gronden zoals heidevelden, maar uiteraard vooral in bossen en langs bosranden.

Kettingschallebijter
Schallebijters of schalebijters zijn een geslacht van kevers die behoren tot de loopkevers. Ik vond deze prachtige soort in de Lozerheide (B.) De kever heeft die curieuze naam te danken aan een verbastering van "scalbote, dat afgeleid is van het Franse escarbot", dat “kever” betekent. Zowel de larven als de volwassen kevers zijn felle rovers. Het zijn typische bodembewoners en je vindt ze in humusrijke bossen en gebieden met een dikke strooisellaag. De volwassen kever is vooral actief in het voorjaar. Die je in de herfst soms nog vindt, zijn “verse dieren”, maar de meeste zijn dan al in de bodem in winterrust.

De lengtegroeven en kettingachtige bobbels op het rugschild van deze schallebijter zijn kenmerkend voor zijn soort. Vandaar zijn naam kettingschallebijter. De kleur is variabel; meestal zijn ze donkerbruin, maar ook komen zwarte en zelfs oranjerode en groene exemplaren voor. Deze snelle jager is voornamelijk 's nachts actief en kan overdag gevonden worden onder stenen, afgevallen takken en achter schors van dood hout. Op zijn menu staan vooral wormen, ritnaalden, emelten en naaktslakken, die al rennend bejaagd worden en eenmaal gevangen in stukjes worden geknipt met de grote sterke kaken.

Vuurwants
In "Allemaal beestjes #6" heb ik als laatste iets verteld over de weidewants. Hoewel het zo lijkt, zijn dat géén kevers. Ze horen bij de onderorde der wantsen. Deze orde is weer onderdeel van de orde Hemiptera (snaveldragers), waar ook o.a. het bootsmannetje, bladvlooien en cicaden bij horen.

Dit jaar zag ik weer veel Vuurwantsen in mijn tuin. Ook nu kun je ze nog vinden. Vooral op zonnige plekjes, want het zijn echte zonaanbidders. En hoe warmer en zonniger, des te sneller ze zijn. Als ze merken dat ze "begluurd" worden, verdwijnen ze meteen uit je gezichtsveld door weg te rennen, achter een blad te gaan zitten, of desnoods door zich te laten vallen. Zij leven voornamelijk van plantensappen (zaadjes, bladeren, boomschors, ... ), maar soms zuigen ze ook het sap uit insecteneieren en (dode) insecten. Ze gebruiken het opgezogen plantensap ook als chemisch afweermiddel tegen vijanden zoals vogels. Vandaar ook de waarschuwing aan de vogels met hun vuurrode kleur en masker.

nimfen van de Vuurwants
Wantsen doorlopen diverse nimfenstadia voor ze volwassen zijn en elke keer als ze vervellen en ietsje groter uit hun velletje kruipen, ziet het kleurpatroon er weer anders uit.
Op deze foto zie je een drietal nimfen, die een andere (dode?) vuurwants belagen. Hoewel het in principe planteneters zijn, gaan ze bij tekort aan voedsel ook wel over tot het leegzuigen van dode insecten. Mocht daar ook een tekort aan zijn, dan overvallen ze ook levende insecten en soms gaan ze, zoals je op de foto ziet, zelfs over tot kannibalisme. Ook bij volwassen dieren zie je dat wel eens.

Kaneelwants
Deze soort wordt vaak verwisseld met de Vuurwants. Ze heeft ook een rode basiskleur met zwarte vlekkentekening, maar als je een beetje beter kijkt zie je dat we hier toch met een andere soort te maken hebben. Dit is namelijk de Kaneelwants. Deze soort heeft een andere en strakkere vlekken- en lijnentekening en een wat elliptischer lichaam. Ook de zwarte vlek aan de achterzijde is anders. Als je ze opjaagt zal een vuurwants snel weg rennen, want die kan niet vliegen. Dit in tegenstelling tot deze kaneelwants, want die kan wel goed vliegen. Het duidelijkste verschil vind ik echter de kop. Die is bij de vuurwants geheel zwart, terwijl de kaneelwants een grote rode stip aan de voorzijde van de kop heeft.

Grauwe veldwants
Dit is weer een ander soort wants. Deze hoort bij de schildwantsen (Pentatomidae). Penta (vijf) verwijst naar het aantal geledingen van de antennes. De antennes zijn geringd met zwarte en gele markeringen. Op de rug is het scutellum (het driehoekig schildje) meestal ook fors ontwikkeld.

Door de opwarming van het klimaat zien we hier steeds meer soorten, die hier vroeger zeldzaam waren. Een voorbeeld daarvan is deze ca. 15 mm. grote Grauwe veldwants, hoewel die alleen nog in het zuiden van Nederland voor schijnt te komen. Het imago (volwassen exemplaar) is wat minder kleurig dan de nimf, die in eerste instantie ook vleugelloos is. De vleugelstompjes zijn alleen herkenbaar in een later (3e) stadium.
Ze eten bladkeverlarven en zijn nuttig, zeker als die een plaag dreigen te gaan vormen. Verder zuigen ze ook sappen uit vruchten en zaden. De soort produceert slechts één generatie per jaar en overwintert bij voorkeur op muren bedekt met klimop. Op hun zoektocht naar geschikte spleten en kieren komen ze nogal eens in huis terecht. Ze doen echter geen kwaad en in het voorjaar zijn ze weer verdwenen. Ik zou zeggen: gun die beestjes toch ook een goed hotel!!! (hoewel mijn vrouw daar ongetwijfeld anders over zal denken..........)

Bootsmannetje
Ik schreef bij de vuurwants dat ook het Bootsmannetje een wants is. Als je de foto van dit vreemde wezentje bekijkt is het net of er iets niet klopt, maar dat is dus niet zo. Deze waterwants van 15 mm is namelijk een "rugzwemmer", die met zijn 2 spatel-achtige poten schokkerig door het water peddelt alsof hij aan het roeien is. Hier heeft hij zijn naam aan te danken. Tip. Kijk eens naar dit filmpje op YouTube.
Omdat hij vooral prooien eet die zich op of tegen het wateroppervlak bevinden, kan hij ze blijkbaar liggend op zijn rug beter waarnemen. Als hij dieper onder water zwemt en even stopt met roeien, stijgt hij direct naar de oppervlakte, omdat hij lucht onder zijn vleugels heeft opgeslagen, die hem onder water van zuurstof voorziet. Aan de oppervlakte zwemmend, haalt hij adem door een korte adembuis bij zijn achterlijf, dat iets boven het water uitsteekt. Deze geduchte rover kun je beter niet oppakken, want hij kan gemeen bijten.

Tot slot nog een heel ander (en groter) beestje in deze blog: de bruine kikker. Die zijn dit jaar, waarschijnlijk dankzij de zachte nazomer en begin van de herfst, nog steeds actief. Vandaar deze foto's.

Bruine kikker
Van de boomkikker is het bekend dat hij in staat is om over gladde en steile oppervlakten te lopen en behendig in planten te klimmen. Maar ook andere kikkers en padden kunnen zoals je ziet goed klimmen. Weliswaar is dit een grote boomstronk, maar toch....
De bruine kikker komt tot in alle uithoeken van Nederland en België voor. Nu zie je vooral jonge kikkers, die op zoek zijn naar een veilig plekje voor de winter. Hij leeft voornamelijk op vochtige plaatsen onder struiken, in weilanden naast sloten, in bossen en heidevelden. Je vindt hem zelden in het water. Hij komt eigenlijk alleen in de lente, voor de voortplanting, in het water of op warme dagen en in droge periodes om zo uitdroging te voorkomen.
Bruine kikker
Ze zijn zoals je op deze foto's ziet, nogal variabel van kleur (bruin, roodbruin, geelbruin, grijsbruin, etc.) met een patroon van donkere vlekken en een lichte gemarmerde buik. Op de rug heeft hij twee huidplooien in een lichtere kleur . Aan de zijkant van de kop, vanaf het oog tot aan de schouder heeft hij een grote, donkerbruine vlek; de kwaakblaas. De bruine kikker heeft een inwendige kwaakblaas, zodat de roep zeer zacht is en amper 10 tot 20 m ver draagt. Ze hebben lange achterpoten met goed zichtbare zwemvliezen. Dat is goed op de vorige foto te zien.

Dat is de laatste "Allemaal beestjes" van dit jaar. De komende blogs zal ik vooral aandacht besteden aan paddenstoelen, die eindelijk steeds veelvuldiger hun kopjes boven de grond uit steken.

woensdag 19 oktober 2016

Allemaal beestjes #6

Hoewel het al herfst is en er al heel wat leuke foto's van paddenstoelen liggen te wachten, wil ik jullie eerst toch nog wat foto's van beestjes laten zien, die ik de afgelopen tijd heb gemaakt.
De eerste foto in deze blog is al van medio september (een atalanta), maar dat is op zich niet zo bijzonder, want ik heb er afgelopen week nog verschillende zien vliegen, dus die wil ik er zeker nog bij plaatsen.

Atalanta
Langs een bosrand had blijkbaar ooit iemand tuinafval gedumpt, met als resultaat dat er een vlinderstruik groeide, die nog in bloei stond. Een vlinderstruik is een dankbare plant voor snoepende insecten, zoals de atalanta. Een atalanta is gemakkelijk te herkennen: een zwarte vlinder met twee rode banen op zijn vleugels en bovenaan wat witte vlekken. De zonnestralen die hier en daar door het bladerdak kwamen, zorgden voor een bijzonder effect en maakten zijn vleugels, met name de witte vleugelranden, doorzichtig.
Het was net of hij me aan keek en zei: je mag hoor……

Atalanta
De atalanta is een trekvlinder. Vanuit Zuid-Europa trekken de vlinders ieder jaar richting het noorden en brengen hier een of meer nieuwe generaties voort. Ze leven van nectar, maar zijn ook gek op het sap van rottend fruit en boomsappen. Het is geen uitzondering dat deze vlinder hier in november nog wordt waargenomen. Hoewel het grootste deel in het late najaar weer naar het zuiden trekt, komt het dankzij de zachte winters steeds meer voor dat de soort hier zelfs incidenteel overwintert.

Zwarte wegslak
Naaktslakken zijn te zien van maart tot oktober, daarna kruipen ze weg om te overwinteren.
Regelmatig zie je dat paddenstoelen, ook giftige soorten, vraatsporen vertonen. Die zijn meestal aangevreten door slakken. Een slak gaat daar niet van dood, omdat het gif dat ze binnen krijgt het spijsverteringsstelsel niet verlaat en dus gewoon uitgepoept kan worden.
Een jonge Zwarte wegslak is bruin en de volwassen slak is gewoonlijk zwart, maar kan ook steenrood, oranje-achtig, grijs tot zelfs wit zijn!!!! Dat is het verwarrende met de Grote wegslak of Rode wegslak, die je in een eerdere blog zag. Daar zie je wel een foto van een zwarte slak, maar dat is, hoe vreemd dat ook mag klinken, een Róde wegslak. Ook de kleur van de Róde wegslak is namelijk variabel; van oranje tot knalrood, bruine, groengrijze én zwarte exemplaren!!! Je moet om de soort te kunnen bepalen goed op de kleur van de voet letten. De Rode wegslak heeft namelijk altijd een rood/oranje rand rond de voet en dat is bij de Zwarte wegslak niet het geval zoals je hier op de foto kunt zien.

Alpenwatersalamander
De foto is helaas niet zo goed van kwaliteit, maar ik plaats hem toch, want het overkomt me niet elke dag dat ik een alpenwatersalamander zie. Het is een amfibie die dus zowel op het land als in het water leeft.
In Nederland komt de alpenwatersalamander alleen voor in Limburg en N. Brabant,oostelijk in Gelderland en Drenthe en incidenteel verspreid in andere delen van het land. Hij staat in Nederland niet op de rode lijst, maar is wel een beschermde soort. Op het land vind je ze op vochtige plekken, omdat hun huid niet mag uitdrogen. Deze vond ik bij de Kleine IJzerenman onder een stuk boomstam, die ik oppakte omdat er een paddenstoel op stond. Puur toeval dus. Vandaar ook zo jammer dat ie minder van kwaliteit is.

Alpenwatersalamander
Ik vond het heel bijzonder, dat ik er een week later weer een zag, maar nu als “overstekend wild”.
In de waterfase zijn alpenwatersalamanders opvallend blauw gekleurd, behalve aan de onderzijde van buik en keel die helder oranje zijn. In de landfase is die blauwe kleur minder opvallend; de huid wordt dan donkerder en is doffer en korrelig van structuur.
Door het felle zonlicht ziet hij er weer heel anders uit dan op de vorige foto en is het blauw op deze foto ook niet zo goed te zien. Bij deze is wel goed te zien, dat er soms ook een dunne oranje streep over de rug loopt.

** Mensen halen hagedissen en salamanders overigens vaak door elkaar. Daar is een ezelsbruggetje voor:
een Hagedis loopt zo Hard als een Haas en een Salamander loopt zo Sloom als een Slak.

Gegroefde lapsnuitkever
De gegroefde lapsnuitkever, herkenbaar aan de sterk gegroefde, korrelige dekschilden en karakteristieke verlengde kop, is een snuitkever. Hij is ook bekend als taxuskever.
Ruim 20 jaar geleden kwam de kever bijna alleen voor in de taxus, waar hij dus ook zijn naam aan dankt. De laatste jaren blijkt hij echter steeds minder kieskeurig te worden en tref je hem ook aan op planten met hardere bladeren zoals klimop, rododendron, camelia en hortensia. Deze 1 cm kleine bijna zwarte kever kan veel schade aanrichten, maar de larve is nog schadelijker dan de kever. Die doet zijn schadelijke werk echter onzichtbaar onder de grond. Hij eet namelijk de wortels en de wortelhals. Vaak merk je dat een plant ineens los op de grond ligt en bij nader onderzoek blijkt die dan geen of weinig wortels meer te hebben.

Steenrode heidelibel
Twee weken geleden, toen het zonnetje nog volop scheen, zag ik op het zandpad bij het Blauwe Meertje opvallend veel libellen. Het waren vooral steenrode heidelibellen.
De vliegtijd is in de nazomer, met een piek van eind juli tot half september. Een belangrijke voorwaarde is veel zon en daar hadden we de afgelopen tijd geen klagen over. Je vindt de steenrode heidelibel vooral bij stilstaande watertypen, zoals vennen, plassen, vijvers en moerassen. Soms ook bij langzaam stromend water.
Deze algemeen voorkomende libel wordt 35 à 40 mm lang en komt in vrijwel heel Europa voor.
Ze wordt vaak verward met de bruinrode heidelibel, die ook zeer algemeen is en op dezelfde plaatsen voorkomt. Het beste onderscheidende kenmerk vind ik de "hangsnor". Dat is het zwarte streepje dat tussen de ogen langs de oogranden naar beneden loopt. Bij de bruinrode heidelibel stopt het streepje bij de oogranden.

Weidewants
"Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd". Daar denk ik vaker aan tijdens mijn "ontdekkingsreizen".
Ik vind het prachtig om te zien, hoe bijzonder dat kleine grut vaak is. Bijvoorbeeld deze 1cm grote blindwants.
Een opvallende eigenschap van blindwantsen is niet dat ze niet zouden kunnen zien, maar dat oogvlekjes (ocelli) ontbreken. Er zijn 5 soorten en het is eigenlijk specialistenwerk om de precieze soort te bepalen, want ze zijn nogal variabel van kleur en tekening: grijs, grijsbruin, bruin, groen en zelfs rode exemplaren komen voor zoals je kunt zien op de onderste foto. Volgens mij zijn deze en ook die rooie hieronder een weidewants. Je vindt ze in Nederland voornamelijk in het zuiden.

Weidewants
De weidewants wordt ongeveer 3 tot 6 millimeter lang. Toch is de soort eenvoudig te herkennen aan het scutellum. Dat is het driehoekige schildje op het midden van de rug, het figuurtje tussen de aanzet van de vleugels. Dat is bij de weidewants bijna altijd hartvormig en steekt sterk af t.o.v. de rest van zijn lijf.
De weidewants is dus een echte “liefhebbende” soort!!!  Het lichaam is verder ovaal van vorm en vrij plat en de vliegvleugels steken aan de achterzijde duidelijk uit.
De weidewants is een plantensap- zuigende soort, die je dus meestal aantreft op kruidachtige planten.
Als deze wantsen in met name kassen hun gang zouden kunnen gaan, zouden de gevolgen groot zijn. De volwassen dieren verschijnen aan het eind van de zomer en overwinteren.


Tot zover. De volgende blog heb ik nog een aantal interessante "beestjes" voor je.

Blogarchief