Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers


zaterdag 28 augustus 2021

Allemaal beestjes #20

In mijn vorige post die over de Gewone berenklauw ging, vertelde ik al dat schermbloemigen zoals de Berenklauw erg geliefd zijn bij insecten. Dat is niet alleen omdat er zoveel bloempjes bij elkaar staan, maar ook omdat de nectar in die bloempjes zo gemakkelijk bereikbaar is. In het Heijekersbroek zag ik daar op een zonnige dag een duidelijk bewijs van. Ik telde op een en hetzelfde moment op een Gewone Berenklauw liefst 13 verschillende soorten die ik op naam kon brengen en nog enkele onbekende kevertjes. Helaas waren ze vanwege hun formaat niet allemaal gemakkelijk te fotograferen, maar ik wil je er toch een aantal laten zien.
Over het Landkaartje hoef ik niets toe te voegen, aangezien ik daar al eens in de post "Vlinders in 2018" uitgebreid bij heb stil gestaan. Als je er toch wat over wil lezen, dan moet je HIER even klikken.
Dat geldt ook voor deze Varenrouwvlieg. Daarover kun je meer lezen in de post "Allemaal beestjes#18"
De Kleine rode WEEKSCHILDKEVER (Rhagonycha fulva), ook wel soldaatje of rode weekschild genoemd, is een kever uit de familie van de soldaatjes (Cantharidae). Er zijn verschillende soorten uit het geslacht Rhagonycha die nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. De Kleine rode weekschildkever is een van de meest algemene soorten.

Het kevertje is 7 tot 11 mm. groot en heeft net als alle soldaatjes zachte dekschilden en een langwerpig lichaam, sprieterige poten en lange, duidelijk gesegmenteerde antennes. Het is van het Rood soldaatje (Cantharis rufa) te onderscheiden door het donkere einde van de dekschilden.
Je treft ze vooral aan in graslanden en andere open landschappen, in de zomermaanden niet zelden al parend in grote aantallen te vinden op diverse soorten schermbloemigen, waar ze van nectar snoepen en ook bloembezoekende insecten grijpen, die een belangrijk deel van het menu uitmaken. Ook de larven zijn actieve jagers die op de bodem leven van prooien als insectenlarven.
Op deze foto zie je een BLOKHOOFDWESP (Ectemnius). Het wespje rechts er naast is een Argusbladwesp (Arge gracilicornis). Blokhoofdwespen zijn wespen die herkenbaar zijn aan de grote kop en een breed gezicht. In het midden van het gezicht is vaak een glanzende zwarte middenzoom zichtbaar met witte haartjes er omheen. Blokhoofdwespen jagen op zweefvliegen en andere vliegen. Bij voorkeur langs een bosrand.
De Blokhoofdwesp is een graafwesp. Graafwespen (Crabronidae) heten zo, omdat veel soorten van deze wespenfamilie een nest in de grond graven. Daarnaast zijn er echter ook enkele soorten, waaronder de Blokhoofdwespen, die hun nest in oud hout, ruimtes in muren of stenen of in holle stengels maken. De meeste Blokhoofdwespen gebruiken holten in vermolmd hout of knagen zelf een hol in dood hout. Zo’n hol kan allerlei zijholtes hebben, waarin de wesp dode vliegen stopt. Op elke dode vlieg legt ze één eitje. Soms bevat één blokhoofdwespennestje wel honderd dode vliegen.
Op deze foto zie je van links naar rechts een Snorzweefvlieg, een Wenkvliegje, een Blokhoofdwesp en het kevertje rechts is een Streepdijblindwants. Zweefvliegen zijn het mooist om te zien. Ze danken hun naam aan het typische stil hangen in de lucht, ofwel "zweven". Dat gebeurt vooral tijdens het handhaven van een territorium. Het zijn dus met name de mannetjes die zweven. Van zweven in de strikte zin van het woord is eigenlijk geen sprake, omdat hun vleugels in een razendsnel tempo van 200-300 slagen per seconde op en neer bewegen. Ze zijn in staat om zij- en achterwaarts te vliegen. Dit maakt dat ze eigenlijk meer op helikopters dan op zweefvliegtuigen lijken. Tijdens het zweven maken ze felle uitvallen naar vermeende concurrenten zoals andere mannetjes of andere vliegen.De algemeenste zweefvlieg van Nederland is deze SNORZWEEFVLIEG (Episyrphus balteatus). Ze dankt haar naam aan de smalle, zwarte bandjes onder de zwarte banden op zijn achterlijf: deze bandjes hebben de vorm van een snorretje (model Zorro). Het wespachtig uiterlijk is blijkbaar voldoende om sommige vogels (en mensen!) af te schrikken. De grootste aantallen worden doorgaans in open bloemrijke biotopen gezien. Vooral in de zomer zitten de bloemen er soms vol mee. Hoewel de snorzweefvlieg graag schermbloemigen bezoekt, is ze niet heel kieskeurig in haar bloembezoek.

Het snorzweefvliegenvrouwtje legt haar eitjes op een plant waar veel bladluizen op zitten. De larven van de snorzweefvlieg voeden zich namelijk met bladluizen. Ze zitten vooral onderop bladeren, waardoor ze minder zichtbaar zijn dan de lieveheersbeestjes die ook bladluizen eten. In vraatzucht doen ze echter niet voor elkaar onder.
Het vliegje op deze foto is de "SEPSIS SPEC." Er is geen Nederlandse naam voor. Het is een zogenaamde wenkvlieg. Wenkvliegen (Sepsidae) worden ook wel "wappervliegen" genoemd vanwege het wapperen van de vleugels en het op en neer bewegen van hun haltertjes. Dit wapperen komt zowel bij de mannetjes als vrouwtjes voor en de functie is niet bekend. Mogelijk is dat om geur te verspreiden uit hun geurklier. De wenkvliegen verspreiden namelijk een zoete geur die mogelijke predators op afstand houdt. Het voedsel van wenkvliegen bestaat uit rottend organisch materiaal, pollen, meeldauw, boomwondvocht, en vocht uit schimmels op grassen. Een groot aantal soorten kom je ook op bloemen tegen.

Sepsidae hebben kenmerkende ronde kopjes. In Nederland zijn de meeste Sepsidae van het geslacht Sepsis. De meeste zijn zwart en klein 2,5-3.5 mm en hebben altijd een zwart vlekje op de vleugel. Wat ook opvalt aan deze vliegjes zijn de sterk vervormde voorpoten. Ze doen door dit uiterlijk wat aan een mier denken.
Die grote vervormde voorpoten zijn er niet voor niks. De mannetjes gebruiken die namelijk als "vleugelklem" door de dij en scheen om de vleugelbasis van een vrouwtje te klemmen bij de penetratie, zodat zij niet weg kan vliegen.
Dit is een MINEERVLIEG(Agromyzidae). Mineren is het aanleggen van mijnstelsels. Militairen van de genietroepen doen dat o.a. met explosieven. De larven van de Mineervliegjes vreten gangetjes uit in bladeren en stelen van kruidachtige planten. Vandaar de naam. Ze kunnen ook in wortels en zaden voorkomen. Daarom kunnen ze in de kassen grote schade aanrichten aan groente- en sierteeltgewassen. De meest voorkomende soorten zijn de tomatenmineervlieg, de floridamineervlieg en de nerfmineervlieg. Ik weet niet welke soort ik op de bloem zag, dus hou het maar op Mineervlieg onbekend.

De vrouwtjes boren met hun legboor gaatjes in het blad om zich te voeden met plantensappen. In sommige van deze “voedingsstippen” wordt een eitje gelegd. De mannelijke mineervliegen hebben geen legboor en maken gebruik van de door de vrouwtjes gemaakte voedingsstippen om zich te voeden. Direct nadat de eitjes uitkomen beginnen de larven te vreten en eten al het weefsel tussen opper- onderhuid van het blad weg. Hierdoor ontstaan gangetjes. Bij een ernstige aantasting heeft dit een verminderde productie tot gevolg en vermindert de sierwaarde van een plant.
De fotokwaliteit van deze mug is helaas niet denderend, maar ik wil je deze muggen toch laten zien vanwege de opvallende antennes en hun manier van vliegen. Hier zien we enkele mannetjes van een DANSMUG (Chironomidae). Welke? Dat kan ik niet zeggen, want in Nederland en België zijn ruim 175 verschillende soorten!!! Dat het een dansmug is, is wél duidelijk: ze vliegen namelijk recht op en neer, zodat het een beetje op dansen lijkt en omdat de voorste poten bij het zitten ook niet stevig op de grond worden geplaatst, worden ze door ieder zuchtje wind opgetild en in beweging gebracht. Ze worden ook wel wintermuggen, vedermuggen of pluimmuggen genoemd.

Dansmuggen zijn er het hele jaar door, maar bij koel en koud weer voelen ze zich op hun best. Omdat volwassen dansmuggen actief zijn vanaf de herfst tot het voorjaar, vallen ze vaak op in de winter. Ze kunnen dan reusachtige zwermen vormen. Dansmuggen zijn eenvoudig van steekmuggen te onderscheiden; vanwege hun manier van vliegen, ze zijn slechts 6 tot 10 mm. lang, hebben grote witte half doorzichtige vleugels, die als een afdakje op de rug worden gevouwen. En ........ ook goed om te weten: dansmuggen hebben geen zuigsnuit en steken dus niet. De meeste dansmuggen eten zelfs niet eens als ze volwassen zijn.
Een steekmug daarentegen heeft een naar voren wijzende zuigsnuit, die ongeveer half zo lang is als het lijf van de mug en de helder doorzichtige vleugels van steekmuggen zijn langer dan het achterlijf.
De mannetjes van de Dansmug hebben grote pluimvormige antennen, de vrouwtjes hebben weinig behaarde antennen. Ze zijn niet schadelijk en vormen een voedselbron voor een heleboel andere insecten, vogels en zoogdieren. De wormachtige bloedrode larven van de meeste soorten leven in het water, op vochtige grond of rottend organisch materiaal (bijvoorbeeld in de rottingslaag op de bodem van stilstaand water). De rode larfjes zijn ideaal visvoer en visaas. Bij de vissers zijn ze bekend als "vers de vase".

zondag 15 augustus 2021

Gewone berenklauw

Als het Fluitenkruid in juli is uitgebloeid, zien we de Wilde peen en Berenklauw verschijnen. Ze bloeien tot in oktober. De naam berenklauw verwijst naar de bladeren, die diepe veervormige insnijdingen hebben en lijken op een klauw. Er zijn 2 soorten: de inheemse Gewone berenklauw en de Reuzenberenklauw .

Op de foto hierboven zie je de Reuzeberenklauw. Het is een soort die van oorsprong uit de Kaukasus komt en ooit vanwege zijn sierwaarde in ons land terecht is gekomen. We noemen het een invasieve exoot; hij hoort hier namelijk eigenlijk niet thuis en wordt door menigeen verwenst, omdat hij zich steeds meer en tot wanhoop van onze natuurbeheerders, in onze natuurgebieden verspreidt, onze inheemse plantensoorten verdringt en onuitroeibaar lijkt.

Deze plant kan wel tot 4 m. hoog worden en is vooral te herkennen aan de grote geveerde bladeren, de rode vlekken op de stengel en de zeer sterke borstelige beharing. Het sap (furocumarine) dat vrijkomt bij aanraking via de haren kan, in combinatie met zonlicht, zeer vervelende gevolgen hebben; rode jeukende vlakken die overgaan in een ontsteking van de huid met zwellingen en zelfs blaren. De huid kan eruit zien als een brandwond en het duurt ruim 2 weken tot de wond is genezen. In de ogen kan het sap zelfs tot blindheid leiden. Vermijd dus contact. In juli 2014 heb ik hier al ooit over geschreven.
Meer weten over deze exoot? Klik dan HIER.

Gewone berenklauw
Gewone berenklauw
Ik wil het in deze post hebben over de Gewone berenklauw (Heracleum sphondylium). Een soort dus die hier van oorsprong thuishoort en geen bedreiging is voor onze biodiversiteit. Hoewel kleiner dan zijn soortgenoot, is het ook een grote en stevige plant van 90 – 150 cm ( met uitschieters tot wel 2.00 m.).
Gewone berenklauw is gevoelig voor schermbloemmeeldauw
Blad van de Gewone berenklauw is meer gelobd dan bij de Reuzenberenklauw
Hoewel minder opvallend, is de Gewone berenklauw net zoals de Reuzenberenklauw geheel ruw behaard. De plant kan ook (maar in mindere mate dan de Reuzenberenklauw), voor gevoelige mensen lastig zijn; na aanraking met de haren kan hinderlijke jeuk en irritatie ontstaan.
Het is een zeer algemeen voorkomend kruid, dat  vooral voor komt op stikstofrijke, vochtig grasland en bermen, bosschages, in bossen en in onkruidvegetaties, zowel in de volle zon als in halfschaduw.
De bloempjes van deze plant zijn zeer klein en staan in groepjes bijeen. Die groepjes staan op hun beurt ook weer gegroepeerd in een groot scherm.
Zaden van de Gewone berenklauw
De gevleugelde vrucht is een tweedelige splitvrucht met eenzadige deelvruchten. Een eigenschap van schermbloemigen is dat er zeer veel zaad wordt geproduceerd, zodat ze zich gemakkelijk verspreiden. Voor de Gewone berenklauw is dat geen probleem. Anders is dat bij de Reuzeberenklauw. Wil je verspreiding daarvan voorkomen dan zouden de bloemen, meteen nadat die zijn uitgebloeid, verwijderd moeten worden. In je tuin kan dat natuurlijk, maar in de vrije natuur is dat uiteraard onmogelijk. Vandaar dat die soort een steeds grotere bedreiging is voor onze inheemse vegetatie.
De Gewone berenklauw is een geliefde plant voor talloze insecten
De bloemschermen trekken heel veel insecten aan. De nectar is in deze kleine bloempjes namelijk gemakkelijk bereikbaar. Op de bloemschermen van één Gewone Berenklauw trof ik onlangs in het Heijkersbroek maar liefst 13 verschillende insectensoorten aan. Daaronder vooral zweef- en andere vliegen, maar ook een Landkaartje (Araschnia levana) en de Kleine rode weekschild (Rhagonycha fulva), een kevertje uit de familie van de Soldaatjes dat hier voor de nectar komt, maar als roofkever vangt hij er ook kleine spinnetjes en insecten.

In "Allemaal beestjes#20",de volgende post, wil ik over deze insecten wat meer vertellen.

dinsdag 10 augustus 2021

Wilde peen

In juli schreef ik in Allemaal beestjes#18 dat vooral ** schermbloemigen  (Umbelliferae of Apiaceae), zoals Wilde peen, Fluitekruid, Gevlekte scheerling, Engelwortel en Pastinaak veelvuldig bezocht worden door onze insecten. Nu soorten als Fluitekruid en Engelwortel zo stilaan uitgebloeid raken en zaden gaan vormen, zien we nu vooral de inheemse Berenklauw, de invasieve  Reuzenberenklauw en de Wilde peen in bloei staan.
Duizendblad = géén schermbloemige...............
Duizendblad = géén schermbloemige....................
Wilde peen = wél een schermbloemige
** De naam schermbloemige verwijst naar de bloeiwijze, waarbij alle bloemstelen uit één punt ontspringen en de vorm van een scherm aannemen. De schermvorm kan variëren van boven ongeveer plat tot helemaal bol. Aan de voet van de bloemsteel zit meestal nog een krans met schutblaadjes. Het eerste jaar vormt zich een wortelstok. In het tweede jaar (of soms ook pas in het 3e jaar) komt dan de bloem tot ontwikkeling. **
Ook het Duizendblad staat nu volop in bloei, maar dat is een plant uit de composietenfamilie. Geen schermbloemige dus. De bloemstelen ontspringen namelijk niet uit één punt. De naam Duizendblad verwijst overigens naar het dubbel veerdelige blad, waardoor het lijkt of het uit zeer veel kleine blaadjes bestaat.
Wilde peen (Daucus carota), ook wel vogelnestje genoemd, is zoals gezegd dus een plant uit de schermbloemenfamilie. De plant komt algemeen voor in de Nederland en België. Met deze plant is onze overbekende peen gekweekt.
We kennen vele verschillende (gekweekte) soorten wortels: de grote winterpeen, de kleinere en wat zoetere bospeen en waspeen (als bospeentjes gewassen en zonder loof verkocht worden, heten ze waspeen), de ronde Parijse worteltjes. Bovendien heb je dan ook nog eens allerlei andere kleuren; naast de gewone oranje peentjes is er ook nog gele wortel, rode wortel, paarse wortel en zelfs een zwarte wortel. Van oorsprong is een wortel helemaal niet oranje, maar wit of paars, al werden gele of rode wortelen al vroeg in Turkije en Spanje gecultiveerd. In de 17e eeuw bracht de V.O.C. de wortel vanuit Iran naar ons land. Toen pas heeft de wortel zijn kenmerkende oranje kleur gekregen.

 Nederland werd een van de belangrijkste wortelproducenten ter wereld en het leek kwekers een aardig idee om een zoete oranje wortel te creëren ter ere van Willem van Oranje, de aartsvader van onze koninklijke familie. Door kruisingen ontwikkelden ze de wortel die uiteindelijk zo populair werd dat “we” daarmee de wereld veroverden. De plant is rijk aan caroteen en vitamine B.Hoewel van de Wilde peen de veervormige bladeren, smaak en geur onmiskenbaar hetzelfde zijn, zijn er toch enkele verschillen met de gekweekte soort. De Wilde peen heeft namelijk een witte penwortel, die vertakt is en minder vlezig is dan de gekweekte soorten, Een ander verschil is dat de Wilde peen een tweejarige plant is. De soort heeft koude nodig voor ze kan bloeien (dit heet stratificatie). In het tweede jaar, na de winter dus, gebruikt de plant de opgeslagen voedingsstoffen uit de wortel voor de verdere groei, bloei en ontwikkeling. Bij de gekweekte soort krijg je de bloem niet te zien, want de wortel wordt in het eerste jaar gerooid, dus vóór de plant tot bloei kan komen.De soort bloeit vanaf juli tot de herfst met schermen. Het scherm bestaat uit vele stralen, waarvan de buitenste bij rijping in de vorm van een "vogelnestje" naar binnen zijn gebogen. De elliptische splitvrucht is 2-3 mm lang, die met vier rijen lange aan de top hakige stekels bezet is. Het aromatische zaad wordt soms nog gebruikt als smaakstof in bijvoorbeeld stoofschotels en soepen.De hoge stengel is stijf behaard en de bladeren zijn twee- tot drievoudig geveerd. De stekelige vrucht en behaarde stengel kunnen bij overgevoelige personen huidirritatie of een allergische reactie veroorzaken. Hoewel ik het soms moeilijk vind om te zeggen welke schermbloemige ik zie, vormt de Wilde peen daarop een uitzondering. De veervormige bladen zijn namelijk een duidelijk kenmerk en net buiten het midden van het scherm zit bijna altijd tussen de witte bloemetjes een zwart-purperachtig bloempje. Je vindt er altijd wel een paar, maar je moet wel even goed kijken, want dat bloempje is meestal minuscuul klein.

Dat donkere bloempje heeft waarschijnlijk een functie, maar er is tot nu toe nog niemand die het juiste antwoord heeft kunnen geven. Heel lang werd aangenomen (veel plantkundigen gaan daar trouwens nog steeds van uit), dat het enkel om een genetische afwijking zou gaan en dat het dus geen nut heeft. Maar er zijn ook andere geluiden.
Volgens sommige geleerden bootst de wilde peen met dat donkere bloemetje een insect na, om daarmee aan passerende insecten de boodschap te geven: "hier is iets te halen, kom erbij"! Dat zou dan de bestuiving bevorderen. Probleem is dat niemand tot nu toe aan heeft kunnen tonen dat de zaadproductie van wilde penen mét donker bloemetje groter is dan die van wilde penen zónder…
Volgens andere geleerden bootst het donkere bloemetje inderdaad een insect na, maar dan zou dat dienen als lokaas voor hongerige roofinsecten, die de bloemschermen dan als jachtgebied beschouwen en schadelijke insecten opeten of weghouden. Tja, bewijs maar eens dat het dat is. Ik betwijfel dat in elk geval. Zeker als je bedenkt dat het donkere bloemetje meestal vrij snel verwelkt en afvalt, is dat te betwijfelen. De discussie daarover is in elk geval nog steeds niet afgerond. En zolang niemand het bewijs heeft gevonden voor welke stelling dan ook, blijven we met een raadseltje zitten.
In Engeland wordt de Wilde peen ook wel "Queen Anne’s Lace" (Koninginnenkant) genoemd. Die naam vindt zijn oorsprong in een verhaal over de Engelse koningin Anna Stuart (1665-1714), die een ervaren kantmaakster was. Zij had op zekere dag haar hofdames uitgedaagd voor een wedstrijdje wie het witte bloemenscherm van de Wilde peen het beste na kon maken in een kantwerk.
Natuurlijk won Anna, maar tijdens het kantwerk had zij zich per ongeluk in een vinger geprikt, waardoor een druppeltje bloed op haar kantwerk (lace) terecht was gekomen. Het fijne, scharlakenrode bloempje, zou dan symbool staan voor het druppeltje bloed. Het fabeltje heeft in elk geval voor een aantrekkelijkere naam gezorgd dan die van onze Wilde peen.......

maandag 19 juli 2021

Allemaal beestjes #19: Gallen

Onlangs reed ik over de Pruiskesweg in Altweerterheide en zag langs de weg op de verse takjes van een inlandse eik een soort “aardappeltjes” hangen. Je vraagt je misschien af wat dat met "allemaal beestjes" te maken heeft. Wat ik zag waren uiteraard geen aardappeltjes, maar wat waren het dan?
Gallen....... Om precies te zijn: gallen van de AARDAPPELGALWESP (Biorhiza pallida). Ze zijn in het begin sponsachtig, onregelmatig gevormd en kunnen wel vier tot vijf centimeter groot worden. De veroorzaker is een klein solitair levend wespje van ongeveer 4 mm.

De gal is een woekerende reactie, die veroorzaakt wordt bij het afzetten van de eitjes in de bladknop. Dit doet de wesp met haar lange (wat heet lang!) legbuis. Ze spuit daarbij ook een chemische groeibevorderende stof in de bladknop, die het bladweefsel zacht laat worden en doet opzwellen. De larfjes die kort daarna uit de eitjes komen, blijven in de gal en scheiden zelf ook stoffen uit om de groei van de gal te bevorderen.
Binnenin kunnen zich tot wel dertig larven ontwikkelen. Die doen zich in de gal te goed aan de voedingsstoffen die geleverd worden door het bladweefsel. De gallen worden door de larfjes niet alleen gebruikt als plaats van ontwikkeling en als voedselbron, maar ook als schuilplaats. Vers zijn ze geelbruin tot roodachtig, glad en sappig. Later in het jaar worden ze bruin. Na een jaar drogen ze uit en worden ze zwart en hard, met een barstend oppervlak.
In de gallen die je hier op de foto's ziet, ontwikkelen zich dus larfjes. In de zomer worden gangetjes gegraven en vliegen de volwassen galwespjes uit. Dat zijn zowel mannetjes als vrouwtjes die vervolgens paren. (geslachtelijke generatie). Daarna kruipen de vrouwtjes in de grond en zetten hun eitjes één voor één af op de jonge wortels van zomer- en wintereiken. De larfjes die hier in het najaar uitkomen, veroorzaken ook gallen, maar dan ondergronds, op de wortels.

In februari komen dan de galwespjes uit de wortelgallen gekropen. Heel bijzonder is dat het nu alleen maar vrouwtjes zijn!!!! Het is een geslachtsloze (agame) generatie. Mannetjes komen in deze fase dus niet voor en zijn ook niet nodig voor de bevruchting. Men noemt dit ongeslachtelijke voortplanting of parthenogenese. Het woord parthenogenese komt van een samenvoeging van de Oudgriekse woorden Παρθένος (maagd) en γένεσις (geboorte). De vleugelloze vrouwtjes leggen lopend langs de stam van eiken het hele traject omhoog af, om vervolgens hun eitjes in de bladknoppen af te zetten. In de zomer begint de cyclus dan weer opnieuw.

Gedurende de winter zijn er dus alleen maar vrouwtjes en in de zomer zijn er zowel vrouwtjes als mannetjes. Vraag me niet hoe het kan en waarom dit zo gebeurt. Het is wel duidelijk dat dit heel bijzonder is en voor mij weer een bevestiging dat er nog veel te ontdekken valt in de insectenwereld....
De bekendste en meest voorkomende soort zijn de gallen van de EIKENGALWESP (Cynips quercusfolii). Een vrouwtje van de ongeslachtelijke generatie veroorzaakt op de onderkant van eikenbladeren 3 centimeter grote groene, gele tot rode galappels, die makkelijk loslaten. De bodem ligt er soms vol mee. De kleur is afhankelijk van de tijd van het jaar; 's zomers groen en in het najaar rood/roodbruin/bruin.
In deze bolletjes overwintert de larve. De galwespjes die vervolgens in mei tevoorschijn komen, veroorzaken op zowel de jonge bladeren als op de bloemsteeltjes besgalletjes. In deze galletjes kunnen zowel vrouwelijke als mannelijke nakomelingen zitten. Zij zorgen na paring weer voor een ongeslachtelijke generatie.
Op zomer- en wintereiken tref je ook regelmatig gallen aan van de KNIKKERGALWESP (Andricus kollari). De wesp zelf heb ik nog nooit waargenomen. Logisch ook, want het is een donkerbruin tot zwarte wespje van slechts 1,5 tot 2 mm. Ook bij deze galwesp is sprake van 2 generaties; een generatie met zowel mannetjes als vrouwtjes (seksuele generatie) en een van alleen vrouwelijke galwespen (agame generatie).

Na bevruchting leggen de vrouwtjes eieren op een moseik of Turkse eik, die als tussenwaardplant fungeert. Op die moseik worden dan gallen gevormd waaruit alléén vrouwelijke galwespen komen. Deze leggen vervolgens, zónder bevruchting door een mannetje dus, hun eitjes op een zomer- of wintereik, waarop dus knikkergallen zoals je op de foto ziet, gevormd worden. Hieruit komen vervolgens zowel mannelijke als vrouwelijke wespen en zo is de cirkel weer rond.

Wat je hier ziet zijn de knopgallen van de agame generatie, die je op de zomer- maar ook de wintereik aantreft. De jonge knikkergallen zijn eerst nog groen, maar worden later bruin, verhouten en worden hard. Eind augustus- begin september kruipt de galwesp door een op een houtworm lijkend gaatje uit de gal. De gal kan na het verlaten van de galwesp nog jaren lang aan de boom blijven hangen..
De gallen van de Knikkergalwesp worden vaak verward met die van de COLANOOTGALWESP (Andricus lignicolus). Toch zijn er enkele verschillen die de soorten onderscheiden. De buitenwand van Colanootgallen is vaak gebarsten, de gallen zijn kleiner en het uitvlieggat zit gewoonlijk in de onderste helft van de gal (dicht bij de aanhechtingsplaats). Bij de knikker ligt die onderaan in de gal, pal in het midden.
Een andere opvallende gal is de gal van de ROZENGALWESP (Diplolepis rosae). Deze wesp legt in het voorjaar haar eieren op de bladknop van een wilde roos (vrijwel nooit op gekweekte rozen). Er ontstaan dan door woekering van het bladweefsel gallen die met elkaar vergroeien. Deze mosachtige gallen zijn, afhankelijk van de hoeveelheid larven,  zeer klein (enkele mm) tot vrij groot (tot wel enkele centimeters in doorsnede) en zijn dicht bekleed met lange vertakte haren. De grootste gallen staan meestal aan het eind van een tak. Soms tref je zo’n gal aan op een meeldraad. Die is uiteraard heel klein.  De gal wordt bedeguaargal, mosgal of slaapappelgal genoemd.
De gal is eerst nog groen, maar later kleurt ze opvallend rood tot roodbruin en nog later verdroogt ze en wordt ze bruin. De gal bestaat uithier dan ook niet voor, de voortplanting daarna gebeurt dus ook bij deze wesp weer zonder bevruchting. De gallen lijken vooral voor te komen op verzwakte planten.
Galwespen zijn vliesvleugeligen die je niet moet verwarren met galmuggen, die ook gallen maken maar tot een andere orde behoren (tweevleugeligen). Galmuggen zijn zoals de meeste muggen erg fragiele insecten die vaak maar 2–3 millimeter lang zijn. Er zijn ook veel soorten die zelfs niet groter dan 1 mm worden. Ze hebben een dun, langwerpig lijf, sprieterige pootjes en de kop is duidelijk zichtbaar. De naam galmuggen is afgeleid van de larven, die zich voeden met plantaardige weefsels en daarbij abnormale woekeringen veroorzaken. Op de foto zie je gallen van de BEUKENGALMUG (Mikiola fagi).

De Beukengalmug is een ruim vier mm grote mug en is daarmee meteen een van de grootste galmuggen die in Europa voorkomen. De gallen komen dus uitsluitend voor op beuken. De soort is algemeen in België en Nederland. Deze galmug veroorzaakt ruim één cm grote gallen aan de bovenkant van beukenbladeren. De harde eivormige gladde gallen met een spitse punt zijn ongeveer 5-10 mm. hoog en zitten in groepjes vastgehecht op de bovenkant van het blad. Ze verkleuren na verloop van tijd van groen en groengeel naar rood.
Zodra het blad in de herfst verkleurt, laten de gallen los. In de op de grond gevallen gal overwintert de larve. De volwassen galmuggen verschijnen eind maart, begin april. Zij paren en de vrouwtjes leggen vervolgens eieren op de knoppen van beukenbladeren. De jonge larven die daar uit komen gaan rond de nerven aan het zich ontwikkelende blad zuigen. Als reactie op de stoffen die de larve bij het zuigen uitscheidt, ontstaat een gal op het blad. Daarin ontwikkelt de larve zich verder. De beukengalmug heeft dus één generatie per jaar.
Het zijn niet alleen wespen en muggen met gallen, maar ook sommige vliegen hebben gallen. Dat zijn de zogenaamde boorvliegen. Boorvliegen onderscheiden zich o.a. door de mooie tekeningen van vlekken, banden of zigzagstrepen op de vleugels. Zij danken hun naam uiteraard aan het feit dat de vrouwtjes met hun puntige legboor een gaatje boren in een plant om daar hun eitjes in te leggen.

In mei tijdens een wandeling bij de Kwegt in Nederweert-Eind, zag ik een vergroeiing op een plant die ik niet eerder had gezien. Ik was er al snel van overtuigd dat het een gal moest zijn. Aan de half vergane bladresten was te zien dat de stokjes oude bloeistengels waren van akkerdistels.

Dit is de gal van de AKKERDISTELGALBOORVLIEG (Urophora cardui). Een lange naam voor een vliegje van nauwelijks een halve centimeter groot. De knoppen van vergalde stengels komen meestal niet in bloei en dat vermindert de zaadproductie, maar omdat een akkerdistel veel bloeistengels vormt, ondervindt de plant daar weinig schade van.
De gallen kunnen bijna net zo groot worden als een klein kippenei. In het inwendige van dat houtige “eitje” schijnen 3 à 4 larven te kunnen leven in aparte larvenkamertjes. De gal is zo hard, dat je een zaag o.i.d. moet gebruiken om die open te krijgen. In deze gal waren nog geen gaatjes te zien die duidden op het vertrek van de bewoners, dus vermoedelijk zaten ze er nog in. Eventuele bewoners zullen nu in juli naar verwachting inmiddels tevoorschijn zijn gekomen.

Blogarchief