Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers

COPYRIGHT.. Zonder mijn toestemming mag geen gebruik worden gemaakt van mijn foto's en tekst.......


woensdag 25 februari 2026

Allemaal beestjes #33 : Europese hoornaar

De EUROPESE HOORNAAR (Vespa crabro) is onze grootste inheemse wesp met een indrukwekkende lengte van 4 centimeter lang. In vrijwel heel Europa komt deze hoornaar voor, tot aan de zuidelijke delen van Scandinavië. In Nederland tref je hem aan in alle delen van het land, maar meestal niet in grote aantallen. Vooral in het zuiden, oosten en in de kustgebieden heb je goede kans hem tegen te komen. 

Europese hoornaar
Goed herkenbaar aan de kleuren: rood aan poten, borststuk en kop en geel met zwart bij de rest van zijn lichaam. Hij jaagt sommige mensen angst aan, zo groot als ie is, maar hiervoor geldt hetzelfde advies als voor andere wespen: laat je ze met rust, dan is er niks aan de hand................. 
Ze zijn wel defensief als iemand in de buurt van hun nest komt. 
Europese hoornaar
Europese hoornaar
Aziatische hoornaar
Hij wordt nogal eens verward met de Aziatische hoornaar, die steeds vaker gesignaleerd wordt in ons land. Waarschijnlijk is deze omstreeks 2004 via de import van aardewerk uit China in Frankrijk terechtgekomen. Vandaaruit heeft de soort zich via België verspreid en heeft in 2017 voor het eerst Nederland bereikt. Door het warmere klimaat en gebrek aan natuurlijke vijanden breidt deze invasieve exoot zich sindsdien helaas snel uit. Deze wesp heeft namelijk onze hommels, honingbijen en andere bestuivende insecten als prooidier en is dus erg schadelijk voor ons ecosysteem.

OPVALLENDSTE VERSCHILLEN:

      Europese hoornaar:
  •  4 centimeter lang
  •  Rode poten, rood borststuk en rode kop         
  •  Roodbruine antennes
  •  Geelzwart lijf 
      Aziatische hoornaar:
  •  2-3 centimeter lang
  •  Zwarte poten met geel uiteinde, zwart borststuk 
  •  Zwarte antennes
  •  Op het achterlijf 2 smalle en 1 brede oranje band  

Europese hoornaar snoepend aan het sap van een beschadigde berk
In tegenstelling tot de Aziatsche hoornaar is de Europese hoornaar een núttig roofinsect. Het jaagt dus op diverse insecten, zoals vliegen, muggen, rupsen, spinnen en bijen, maar die zijn niet bedoeld als voedsel voor zichzelf, maar om de larven te voeden. Die larven hebben de eiwitten namelijk nodig voor de groei. Werksters moeten de gevangen insecten eerst tot een soort papje kauwen om daarmee vervolgens de larven te voeden. Zelf is deze wesp echter een vegetariër, die  alleen van suikerrijke plantensappen (zoals boomsap en rijp fruit) leeft.
 
Vanaf eind augustus komen uit de eitjes van de koningin géén (onvruchtbare) werksters meer, maar vanaf dan worden alleen nog mannetjes en nieuwe hoornaar-koninginnen geboren. Deze vliegen na een tijdje uit, paren in de lucht, waarna de mannetjes sterven. Ook de werksters sterven in het najaar. De bevruchte nieuwe koninginnen zwermen uit en overwinteren. Zo zorgen ze voor een nieuwe generatie het jaar erop.

De vlieg die je op de foto ziet is de Groene vleesvlieg (Lucilia sericata). Het is een algemeen voorkomende vliegensoort uit de familie van de bromvliegen

zaterdag 7 februari 2026

Allemaal beestjes #32

Zoals beloofd krijgen jullie in deze tweede post van het jaar weer wat "beestjes"  te zien. 

Gewone citroenzweefvlieg
 Een wesp die steekt – of toch niet? Wie ooit een zweefvlieg zag en dacht "Wegwezen, een wesp!", is erin getrapt. Zweefvliegen behoren tot de absolute grootmeesters in mimicry; met hun geel-zwarte strepen en snelle, nerveuze vlucht lijken ze als twee druppels water op wespen. Maar anders dan hun stekende dubbelgangers, kunnen ze niet steken of bijten en zijn volkomen ongevaarlijk voor mensen. Omdat ze echter dreigend overkomen laten vogels en andere insecteneters - én mensen- hen liever met rust. 
hommelbijvlieg
Niet alle zweefvliegen houden het bij een wesp-look. Er zijn ook soorten die zich voordoen als dikke, harige hommels, zoals deze HOMMELBIJVLIEG (Eristalis intricaria). Met hun wollige lijf en brommende vlucht zijn ze haast niet te onderscheiden van een echte hommel. Voor hen geldt ook: "ik ben liever een nep-hommel dan een smakelijke prooi". Het zijn middelgrote, bolle zweefvliegen met een vrij lange snuit. Hun antennen dragen een pluimpje. Ze onderscheiden zich van de echte hommels door hun kortere antennes. Ook hebben ze 2 vleugels, terwijl hommels er 4 hebben. En....... ze hebben grote ronde ogen en kunnen stilhangen in de lucht als een helikoptertje.
hommelbijvlieg (mnl.)
Deze vlieg is vrij dicht en variabel behaard, maar minder dik dan de echte hommels. Mannetjes hebben over het algemeen een rossige en zwarte beharing, terwijl vrouwtjes voornamelijk zwart zijn met een opvallend wit "kontje". Wat je hier ziet, is dus een mannetje. De Hommelbijvlieg komt zeer algemeen voor in heel Nederland en voelt zich zowel in open als bosachtige gebieden thuis. Ze zijn vaak te vinden op bloemen waar ze, net als bijen, nectar en stuifmeel verzamelen, wat hen tot goede bestuivers maakt. Ze vliegen al vroeg in het jaar, van maart/april tot september. 

De larven staan bekend als "rattenstaartmaden". Ze hebben een soort luchtbuis om in het water te kunnen ademhalen, een zogenoemde rattenstaart. Die kunnen ze wel tot twintig centimeter uitschuiven. De larven leven van organisch materiaal en bacteriën.
gewone snipvlieg (mnl.)
De afbeelding toont een vaak in bosrijke gebieden  geziene GEWONE SNIPVLIEG (Rhagio scolopaceus).  Een snipvlieg (of snavelvlieg) dankt haar naam aan de opvallende, lange en spitse monddelen, die met wat fantasie doen denken aan de snavel van een snip (een vogel).  De Gewone snipvlieg is een middelgrote vlieg, die in grootte heel erg variabel is. De kleinste is nauwelijks 8 millimeter lang, terwijl de grootste wel 16 millimeter lang kan zijn.

Het belangrijkste verschil tussen een mannetje en een vrouwtje zit 'm in de ogen en het achterlijf. Mannetjes hebben ogen die elkaar bovenop de kop raken (holoptisch), terwijl vrouwtjes gescheiden ogen hebben (dichoptisch). Bovendien is het mannetje slanker en donkerder, terwijl het vrouwtje een breder, voller achterlijf heeft. Het borststuk is grijs met drie lengtestrepen en het achterlijf is geelbruin met zwarte driehoekjes op de bovenzijde en een zwart uiteinde. De vleugels hebben duidelijke zwarte vlekken. 
Volwassen vliegen hebben de gewoonte om met de kop naar beneden op boomstammen of paaltjes te zitten, een houding waar ze in het Engels de bijnaam "downlooker fly" aan te danken hebben. Ze voeden zich met kleine vliegjes en andere kleine insecten, maar ook met nectar, honingdauw en plantensap. 

Het vrouwtje legt haar eitjes in de regel afzonderlijk van elkaar op de grond, in mest of dood hout. De larven zijn carnivoor en leven in vochtig, dood gebladerte of onder de schors van bomen, waar ze onder andere jagen op kleine diertjes, maar ze schijnen vooral verzot te zijn op regenwormen.
cicadennest met een onbekende nimf
Cicaden zijn bij de meeste mensen bekend door de op spuug gelijkende schuimnesten, waarin het larvale stadium van een aantal soorten cicaden zich ontwikkelt. Dergelijke nesten worden wel "koekoeksspuug" genoemd en kunnen worden aangetroffen op verschillende wilde en gecultiveerde planten. 
onbekende cicadenimf
Cicaden leven allemaal van plantensappen, sommige soorten kunnen in grote aantallen op door de mens geteelde gewassen worden aangetroffen en worden daarom beschouwd als plaaginsecten, maar in zijn algemeenheid valt het allemaal wel mee. 
klimopkevercicade
Op deze foto zie je de KLIMOPKEVERCICADE (Issus coleoptratus). De Nederlandse naam kevercicaden hebben ze te danken aan hun gedrongen plompe vorm, die doet denken aan kevers. 
In ons land wordt van deze familie alleen de Boomkevercicade (Issus muscaeformis) en deze Klimopkevercicade aangetroffen. De Klimopkevercicade is zo'n zes tot acht millimeter groot en kan goed springen, maar niet vliegen. Toch heeft deze soort zich in rap tempo sinds 2000 over geheel Nederland verspreid. 

De soort kan worden aangetroffen op allerlei planten, maar lijkt een voorkeur voor klimop (Hedera helix) te hebben. Vandaar die naam. We vinden ze in één generatie per jaar. Ze overwinteren als nimf. Evenals wantsen en sprinkhanen vervellen de nimfen van cicaden een aantal keren voordat ze volwassen zijn.
paardenbijter (vrl.)
De ongeveer 6 cm. lange PAARDENBIJTER (Aeshna mixta) is een relatief kleine libel uit de familie van de glazenmakers. Ondanks de naam is deze libel volledig ongevaarlijk voor mens en paard; hij kan niet steken omdat hij geen angel heeft. De naam "paardenbijter" stamt uit een volksgeloof dat deze libellen paarden zouden bijten. In werkelijkheid cirkelen ze om vee heen om te jagen op de dazen en vliegen die het vee lastigvallen. In tegenstelling tot het mannetje (dat blauwe vlekken heeft), heeft het vrouwtje een bruin achterlijf met geelgroene vlekken. De ogen van het vrouwtje zijn doorgaans bruin tot grijsgroen, terwijl die van het mannetje blauw zijn. Wat je hier ziet is dus een vrouwtje.

In de nazomer (augustus-oktober) is dit een van de meest algemene libellen in Nederland en België. De piek van hun aanwezigheid ligt in augustus en september, maar ze kunnen van juli tot in november worden waargenomen. Ze jagen vaak in groepen op insecten zoals muggen en vliegen, meestal op ongeveer vier meter hoogte nabij bomen of in tuinen.
grote roodoogjuffer (vrl.) rustend op smalle weegbree
De GROTE ROODOOGJUFFER (Erythromma najas) is een kenmerkende waterjuffer die vaak laag boven stilstaand of langzaam stromend water vliegt, en rust op drijfbladplanten zoals leliebladen. Je kunt ze zien van begin mei tot half september, met een piek in juni. Eigenlijk is de naam misleidend; het mannetje heeft inderdaad die opvallende, dieprode ogen, maar het vrouwtje heeft minder felle ogen. Die zijn meestal namelijk bruinrood of groenachtig. Het mannetje heeft een borststuk met zwarte rug en blauwe zijkanten en een grotendeels donker (zwartachtig) achterlijf met een blauwe punt aan de basis en het uiteinde, terwijl het vrouwtje een groenzwart lichaam heeft met lichte schouderstrepen. 
Dit grote uiterlijke verschil tussen het mannelijke en vrouwelijke dier wordt seksueel dimorfisme genoemd. Nu je dit gelezen hebt, kun je dus constateren dat dit een vrouwelijk exemplaar is.
roodgatje (vrl.)
Het ROODGATJE (Andrena haemorrhoa) is een van de meest algemene zandbijen in Nederland en België. Ze zijn al vroeg in het voorjaar actief, van maart tot juli, met een piek in april en mei. Het zijn echte alleseters (polylectisch). Deze solitaire bij steekt vrijwel nooit en is erg nuttig voor de bestuiving in je tuin. Je ziet ze vaak op voorjaarsbloeiende struiken en bomen zoals wilgen en fruitbomen zoals kers en appel en op paardenbloemen en schermbloemigen zoals fluitenkruid. Echt kieskeurig zijn ze dus niet. Ze graven hun nest in de grond, vaak op zonnige plekken met weinig begroeiing, zoals in gazons, bermen of tussen stoeptegels. Meestal liggen de nesten solitair, maar soms worden ook kleine groepjes gevormd. 
roodgatje (vrl.)
 Hoewel je het op de foto's helaas niet goed kunt zien, zijn ze te herkennen aan de opvallende oranjerode haartjes op de punt van hun achterlijf. Vandaar ook die naam. De vrouwtjes hebben een vos-rode beharing op de bovenzijde van het borststuk en de onderkant en het gezicht zijn witbehaard. Zowel bij de mannetjes als de vrouwtjes zijn de achterpoten doorschijnend oranje gekleurd. De mannetjes zijn echter weinig opvallend gekleurd en zijn een stuk kleiner en smaller dan de vrouwtjes. Ze hebben een lange, ijle vuilbruine beharing op het borststuk en de kop, maar ook (net als bij de vrouwtjes) een oranje behaarde achterlijfspunt.
vaal kokerbeertje
Het VAAL KOKERBEERTJE (Eilema caniola) is een heel algemeen voorkomend nachtvlindertje uit de familie van de spinneruilen die pas sinds 2014 in Nederland voorkomt en in rust op een opgerold papiertje lijkt. Het vlindertje heeft een vaalgele tot lichtgrijze kleur, wat de naam “vaal” verklaart in vergelijking met de kleurrijkere kokerbeertjes. In rust vouwt de vlinder zijn vleugels smal om het lichaam, vandaar 'kokerbeertje'. Het vlindertje heeft de naam "beertje" vanwege de ruig behaarde rups.

De soort is relatief nieuw in Nederland en werd pas voor het eerst in 2014 waargenomen in Zeeuws-Vlaanderen. Klimaatverandering is een belangrijke factor die hun uitbreiding verklaart en als ze eenmaal in België zijn gesignaleerd is het vaak maar enkele jaren voordat ook Nederland wordt gekoloniseerd. Het Vaal kokerbeertje is dan ook een warmte-minnende soort die warme jaren nodig heeft voor ontwikkeling. Hun natuurlijke habitat bestaat uit bossen, bosrijke gebieden, graslanden In de natuur verpoppen de rupsen doorgaans onder stenen. De rupsen voeden zich voornamelijk met korstmossen en algen die onder andere op daken, muren, bomen of stenen groeien.

vrijdag 30 januari 2026

Allemaal beestjes #31

De laatste "Allemaal beestjes" die ik plaatste is van 15 augustus 2024. Ik ben misschien te veel bezig geweest met  paddenstoelen. Intussen heb ik echter wel weer een flink aantal "beestjes" in mijn to-do-map zitten. Hoewel het nu in de wintertijd rustig is wat betreft insecten, is het hoog tijd om jullie met deze en de volgende post daarvan weer eens te laten genieten.  

Macrophya montana
MACROPHYA MONTANA is een in Nederland vrij algemene inheemse soort uit de familie van de bladwespen (Tenthredinidae). Niemand heeft er blijkbaar ooit bij stil gestaan om het een Nederlandse naam te geven. De vliegtijd van dit wespje is van begin mei tot eind juli, met een piek van begin mei tot midden juni. Het is een vegetarische wesp; de larven eten namelijk geen dieren, maar hebben een voorkeur voor de bladeren van de braam en framboos. Imago's worden echter, zoals hier ook het geval is,  vooral gevonden op schermbloemen.
Macrophya montana
De soort bereikt een lichaamslengte van 9 tot 11 millimeter. Het vrouwtje is gemarkeerd in zwart en geel. De kop is zwart met gele snuit. Op het achterlijf is de eerste rugplaat geheel geel, de vijfde en zesde hebben brede gele banden in het midden gebroken met zwart. Op de zevende, soms ook op de vierde, zijn er kleine gele vlekken aan de zijkanten. De negende is bovenaan ook geel getekend.  De poten van het vrouwtje zijn ook overwegend geel met zwarte aftekeningen.
Dit is dus het vrouwtje. Er is een duidelijk uiterlijk verschil tussen mannetjes en vrouwtjes (seksueel dimorfisme); het mannetje is vrijwel helemaal zwart, met soms  smalle bleke banden aan de zijkanten, bleke poten en witte segmenten op de achterpoten.. 
bramensprinkhaan
De BRAMENSPRINKHAAN (Pholidoptera griseoaptera) is een bruine, zeer kort gevleugelde sabelsprinkhaan. Op deze twee kenmerken zijn de volwassen dieren in Nederland onmiddellijk te herkennen. Dit is een vrouwtje (te zien aan de legboor). In Nederland wordt deze sprinkhaan vooral aangetroffen in het zuidoosten en langs de grote rivieren. Hij is als imago actief van half juni tot begin november, Bramensprinkhanen leven in de struikzoom langs bossen en dergelijke. Ze hebben een voorkeur voor planten met grotere bladeren, vooral braamstruiken waaraan ze hun naam danken, maar ook wel andere soorten planten. 
 bramensprinkhaan
De vleugels zijn opvallend kort, bij de mannetjes zijn ze ongeveer even lang als het halsschild, bij de vrouwtjes zijn ze zelfs verworden tot onooglijk kleine, schub-achtige "flapjes". De antennes zijn duidelijk veel langer dan het lichaam, ook de achterpoten zijn zeer lang en sprieterig. Als je niet, of niet goed kunt vliegen, is heel ver springen een goed alternatief!  
Vrouwtjes hebben een vrij korte, iets omhoog gerichte sabelvormige legbuis die vrij breed is, bruin van kleur en sterk zijdelings is afgeplat. Ondanks het intimiderende uiterlijk kunnen ze daar niet mee steken.

 cluster- of  klustervlieg
De CLUSTER- OF KLUSTERVLIEG (Pollenia rudis) is een vliegensoort uit de familie van de bromvliegen (Calliphoridae) Ze heeft wel wat weg van de huisvlieg, maar is wat forser van formaat. Zoals de naam al aangeeft vliegen ze in grote klusters of zwermen. Ze kunnen vooral in het najaar grote zwermen vormen als ze op zoek gaan naar een geschikte overwinteringsplaats, zoals in holle bomen of in spouwmuren. 
klustervlieg
Dit is een vrouwtje. De ogen zijn namelijk gescheiden. Als de ogen elkaar raken is het een mannetje. 
De diertjes zijn niet gevaarlijk - ze steken niet, brommen niet en brengen geen nare ziektes over - maar doordat ze in zulke grote hoeveelheden actief zijn en soms ook in gebouwen overwinteren op een droge plek zoals in de spouwmuur, in ongebruikte kamers, dakbedekking en op de zolder, kunnen ze vooral na hun ontwaken in maart bijzonder hinderlijk zijn en op plaatsen komen waar je ze liever niet hebt. 
weer eens wat anders: de onderkant
De langwerpige witte eitjes worden door de vrouwtjes afgezet in kieren van de grond of in de humuslaag, waarna ze ’s zomers al na 3 dagen uitkomen. De larven parasiteren op regenwormen; ze eten ze van binnenuit op. Wanneer de larve het popstadium bereikt, verlaat hij de worm om zich in de grond te verpoppen. Er zijn drie of soms zelfs vier generaties per jaar. 
De 5-12 mm lange, bruingrijze clustervlieg heeft een borststuk met goudkleurige haren. Het achterlijf is enigszins afgeplat en heeft asgrijs-zilveren vlekken.
rups van de grote beer
Beervlinders zijn nachtvlindersoorten uit de familie van de spinneruilen. Ze danken hun naam aan de harige rupsen, vaak met een donkerbruin tot zwarte kleur en oranje/rode accenten. Ze voeden zich met planten, korstmossen of algen. Beervlinderrupsen zijn vaak actief in het voorjaar, overdag zonnend, en kunnen huidirritatie veroorzaken. Bekende soorten zijn de  Grote beer, de Weegbreebeer en het Zwart beertje. 

De naam GROTE BEER  (Arctia caja) doet je in de eerste plaatst misschien denken aan een sterrenbeeld, maar de Grote beervlinder is een dagactieve nachtvlinder uit de familie van de uilen. 
De naam van de vlinder verwijst naar het uiterlijk van de rups. Die is, zoals je ziet, namelijk sterk behaard met een vacht als een beer (zegt men....). In tegenstelling tot andere harige soorten (o.a. processierups), veroorzaken de haren van de Grote beer vrijwel nooit huidirritaties. 
Pas in juli of augustus verpoppen ze. Tegen de tijd van verpoppen zijn ze bijzonder actief en je komt ze dan ook overal tegen. Deze rupsen raken het gif, dat ze met hun maaltijden van o.a. het jakobskruiskruid binnenkrijgen, kwijt door dit in hun huid op te slaan. Na het vervellen zijn ze hun gif kwijt. Prachtig toch....
zwart beertje 
De vliegtijd van het ZWART BEERTJE  (Atolmis rubricollis) is van half mei tot half juli in slechts één generatie. Het is een nachtvlinder, die echter ook overdag vliegt. Het vlindertje wordt zo genoemd omdat het (met uitzondering van het oranje rode kraagje) volledig fluweelachtige zwarte vleugels heeft. Net als de rupsen van meer kleine beertjes houden ze niet van malse blaadjes, maar van korstmossen en algen die op de stam van bomen groeien. De rupsen  zijn actief van augustus tot oktober. Daarna dalen ze af naar de bosbodem om onder het mos te verpoppen.
rups van het geel beertje
Het GEEL BEERTJE (Eilema sororcula) is een nachtvlinder uit de familie van de spinneruilen (Erebidae) en de onderfamilie van de beervlinders (Arctiinae). De spanwijdte bedraagt tussen de 27 en 30 millimeter. De vliegtijd van het Geel beertje loopt van eind april tot in juni. De naam beervlinder dankt ie aan de behaarde rupsen. De gele vlinder komt voor in Centraal- en Zuid-Europa, Klein-Azië en Zuidoost-Azië. 

Hoewel ik dit vlindertje zelf nog nooit heb waargenomen, omdat het uitsluitend ’s nachts vliegt , is het ook in Nederland en België algemeen. Vooral op de zandgronden. Heel bijzonder is dat de vlinders ook meestal in de buurt van de boom blijven waar ze zijn opgegroeid. Deze rups vond ik in mei bij de Kwegt. Ze leven vooral van korstmossen op bomen en zijn tot in september actief. Daarna maken ze een heel dun coconnetje, waarin ze verpoppen en zo overwinteren. De cocon wordt opgehangen tussen mossen en korstmossen op boomstammen en struiken. De eerste vlinders verschijnen in april van het volgende jaar.
hazelaaruil
De HAZELAARUIL (Colocasia coryli) is een nachtvlinder uit de familie van de donsuilen. Aan de volwassen vlinders is het verschil met de echte uilen niet te zien, maar wel aan de rupsen. Deze zijn namelijk zeer zwaar behaard en lijken helemaal niet op de rupsen van uilen die allemaal kaal zijn, of een enkel haartje hebben. De voorvleugellengte is tussen de 14 en 17 millimeter. De soort komt voor in heel Europa en het westen van Azië. Hij overwintert als pop. De habitat van deze soort is loofbos. Waardplanten zijn onder eiken, beuk, berken en spaanse aak. Het is in Nederland en België een algemene soort, die verspreid over het hele zandgrond-gebied kan worden gezien. 
De vlinder kent twee generaties die vliegen van begin april tot begin september. De mannetjes vliegen vanaf de schemering. De vrouwtjes vliegen nauwelijks en worden slechts weinig gezien. 
rups van de Hazelaaruil
De rups kun je aantreffen in mei-juli en september-oktober. Ze foerageert ´s nachts en verbergt zich overdag veelal tussen samengesponnen bladeren. De soort overwintert als pop in een cocon in de strooisellaag, onder mos of aan de basis van de stam van de waardplant. Het lijf van de rups is gewoonlijk rozeachtig oranje, maar soms ook bruin, okerkleurig of grijs en bekleed met fijne, witachtige haarborstels, de segmenten vier, vijf en elf hebben elk roodachtig bruine of zwartachtige haarkwastjes op de rug; over het midden van de rug een rij donkere, rechthoekige vlekken, die elkaar soms raken en dan een ononderbroken band vormen; op de flanken een witachtige lengteband en de kop is roodachtig bruin of grijsachtig.
stro-uiltje
Het STRO-UILTJE (Rivula sericealis) is een dag- en nachtactief nachtvlindertje op vochtige graslanden, moerassen, heiden en natte bospaden uit de familie spinneruilen (Erebidae). De voorvleugellengte bedraagt tussen de 13 en 15 millimeter. De imago kan verward worden met de late koolmot (Evergestis forficalis) uit de familie van de grasmotten (Crambidae), maar deze is wat groter en er lopen strepen over de voorvleugel. Het stro-uiltje overwintert als rups. Het heeft diverse grassen als waardplant, zoals pijpestrootje. Het is in Nederland en België een gewone vlinder, die over het hele gebied verspreid voorkomt. De vliegtijd is van half mei tot en half oktober in 3 generaties.

De voorvleugel van deze kleine spinneruil is strokleurig met een bruine achterrand en bruine franje; afgevlogen exemplaren zijn lichter, soms bijna witachtig van kleur. Kenmerkend is de duidelijke middenvlek, die op het eerste gezicht bruin lijkt, maar die met een loep bekeken bij verse vlinders paars blijkt te zijn met twee zwarte stipjes. De kleur van de voorvleugel is enigszins variabel; vooral exemplaren van de tweede generatie zijn soms geelachtig bruin of lichtbruin en kleiner.
rups van de zilveren groenuil
De ZILVEREN GROENUIL (Pseudoips prasinana) is een nachtvlindertje uit de familie van de uilen. De spanwijdte van de vlinder varieert tussen de 30 en 35 millimeter. De vliegtijd is mei tot en met juli. Het verspreidingsgebied beslaat geheel Europa. De volwassen nachtvlinder is groen, en heeft lichte zilveren strepen op de vleugels. Hij is dan ook lastig te zien tussen groen blad. Het vlindertje zelf heb ik daarom waarschijnlijk ook nog nooit gezien. Waardplanten zijn vooral eiken en berken, maar ook andere soorten zoal de beuk, hazelaar en populier. 
rups van de groene zilveruil
De rups is wel opvallend. Ik vond deze begin oktober op mijn balkon. Vlakbij staat een moeraseik, dus daar zal hij wel uitgevallen zijn. Ik vind het een mooie rups. Ze is ongeveer 35 mm lang. Het heeft een heldergroene kleur met geelachtig witte spikkels en streepjes; over de rug twee brede, geelachtig witte lengtestrepen, De kop is lichtgroen. Het lichaam oogt wat plomp en naar de staart toe is het versmald. 
rups van de groene zilveruil
De schuivers vallen erg op; ze doen me een beetje denken aan brede witte slofjes. De naschuivers hebben een rode streep. Hoe deze rups zich verplaatst, is best wel grappig. Elk pootje met flapjes wordt apart een stukje naar buiten gestrekt, en met een kleine bocht iets verder neergezet. Dan volgt het volgende pootje, en het volgende. En dat gaat allemaal heel langzaam en is prachtig om te zien.

zondag 28 december 2025

Herfst 2025.......Paddenstoelentijd deel 4: Van alles wat

 En dan nu zoals ik in de vorige post beloofde, mijn laatste post van het jaar 2025 over paddenstoelen.

okerknolcollybia
De OKERKNOLCOLLYBIA (Collybia cookei) groeit in dichte groepen en heeft aan het uiteinde een okergeel knolletje (sclerotium). Ik heb dat met pijltjes aangegeven en die je kunt die na uitvergroten wat beter waarnemen. Dus even op de foto klikken. Je vindt ze op zwart geworden resten van (plaatjes)zwammen, die meestal nauwelijks nog als zodanig te herkennen zijn. Soms kun je ze ook aantreffen op goed vergaan hout of op een rijke humuslaag. 
okerknolcollybia
Hoewel de soort algemeen schijnt voor te komen, hebben we die pas in 2019 voor het eerst gevonden in natuurgebied  "Zwart Water" (Venlo). De knolletjes waren toen heel wat groter zoals je hier goed kunt zien. Hoewel de hoedjes hier wat afgeplat zijn, zijn ze in het begin nog bolvormig. Ze worden maximaal 1 cm in doorsnee. Het steeltje is meestal niet helemaal recht, maar heeft krommingen.
okerwitte ridderzwam
De zeldzame en bedreigde OKERWITTE RIDDERZWAM (Tricholoma stiparophyllum) is een paddenstoel met een opvallende, vaak onaangename en weeïg-zoete geur zoals van jasmijn of honing. De geur kan echter variëren. De Okerwitte ridderzwam staat bekend om zijn statige verschijning. 

** Als je goed kijkt zie je ook een vliegje. Dat is een fruitvliegje (Drosophila spp.).  Het blijkt dat veel soorten fruitvliegen worden aangetrokken door schimmels en paddenstoelen, omdat deze namelijk dienen als voedselbron en broedplaats.  Of in dit geval misschien alleen om even uit te rusten!!!!!!!!
okerwitte ridderzwam
De witachtige steel heeft geen ring. De belangrijkste mycorrhiza-partner is de eik, maar hij kan ook een symbiose vormen met andere loofbomen. Aan de blaadjes te zien, is dat hier ook het geval. 
Mycorrhiza is een gunstige symbiose tussen schimmels en plantenwortels, waarbij de schimmel een uitgebreid ondergronds netwerk vormt dat de opname van water en voedingsstoffen verbetert en de plant in ruil daarvoor suikers levert. Er is een sterke gelijkenis met de Witte ridderzwam (Tricholoma album). Ze zijn allebei giftig, dus voorzichtigheid is geboden.
geurige schijnridderzwam
Dit is de GEURIGE SCHIJNRIDDERZWAM (Collybia irina).  Het belangrijkste onderscheid tussen ridderzwammen (geslacht Tricholoma) en schijnridderzwammen (geslacht Lepista) is ecologisch: ridderzwammen zijn ectomycorrhizaschimmels (leven in symbiose met bomen) en groeien op of bij bomen, terwijl schijnridderzwammen saprofytisch zijn en leven van strooisel. Ze leven op humus van meestal loofbomen op matig vochtige tot vrij droge, zand- en kleigronden. De Geurige schijnridder-zwam is vrij zeldzaam, maar staat niet op de rode lijst als bedreigd (bron: Verspreidingsatlas). 
geurige schijnridderzwam
De hoed, die in het midden dik is, is als hij jong is bijna half bolvormig, later wordt hij vlakker en platter en heeft hij een min of meer uitgesproken bult. Het bereikt gemiddeld een diameter van 5 tot 9 cm, maar soms zelfs tot 14 centimeter. Het matte, gladde oppervlak van de hoed is licht witgrijs tot crèmekleurig, lichtbruin in het midden. De hoedrand is onregelmatig, gebogen en soms licht geribbeld. De hoed verandert van kleur als hij nat is (hygrofaan).  Deze zwam heeft een karakteristieke geur die wordt omschreven als "aromatisch, aangenaam, enigszins parfumachtig" of "sterk bloemig".
bruinzwarte vuurzwam
De BRUINZWARTE VUURZWAM (Phellinopsis conchata) leeft parasitair op levende stammen van  levende loofbomen, die via wonden worden geïnfecteerd, of saprotroof op dood hout zoals hier het geval is. Het gevolg is witrot van het hout.  De Bruinzwarte vuurzwam is in een apart geslacht geplaatst (Phellinopsis), omdat er geen verwantschap is met de "echte" vuurzwammen (Phellinus sensu stricto). In Nederland en België komt de bruinzwarte vuurzwam vrij zeldzaam voor, maar is niet bedreigd. Bron: Verspreidingsatlas. 
bruinzwarte  vuurzwam met Suikermycena
De zwam komt vooral voor op wilg of populier. De hoeden zijn vaak gereduceerd tot hoedranden, met een op het substraat aflopende poriënlaag en het vruchtlichaam kan ook geheel korstvormig groeien. Heeft bruine, fijne gaatjes (5-6 poriën/ mm) en kaneelbruin vruchtvlees . Meerjarige vruchtlichamen vertonen tot 2 mm dikke onduidelijk gescheiden roestbruine buisjeslagen. Het hele vruchtlichaam kleurt zwart in KOH (KOH of Kaliumhydroxide is een sterke base). De zwam heeft geen opvallende geur.

Leuke bijkomstigheid zijn de kleine witte paddenstoeltjes. Dat is de SUIKERMYCENA (Mycena adscendens). Deze groeit vaak op dood hout, maar kan ook verschijnen op andere schimmels of zwammen die op hout groeien, zoals deze bruinzwarte vuurzwam, omdat beide soorten saprotroof zijn (leven van dood organisch materiaal) en dezelfde voedingsbronnen delen, waardoor ze elkaar "tegenkomen" en de minuscule, "suikerachtige" paddenstoeltjes zich kunnen nestelen tussen de grotere zwammen.
blanke champignonparasol
Het mycelium van de BLANKE CHAMPIGNONPARASOL (Leucoagaricus leucothites) leeft van de afbraak van dood plantaardig materiaal. Hij heeft een voorkeur voor het cultuurlandschap en wordt dan ook vaak gevonden in parken, tuinen, kerkhoven, wegbermen en groenstroken, maar kan ook in weilanden en boomgaarden opduiken, bijvoorbeeld op afval- en composthopen. Wij vonden meerdere exemplaren in de groentekas van de herenboeren. Vooral de jonge zwammen zijn fraai om te zien. 
Hoewel de soort ruikt en smaakt naar champignon is het niet aan te raden om die te eten, omdat het risico op maag- darmklachten bij consumptie groot is.
blanke champignonparasol
Ze hebben een levensduur van slechts enkele dagen. De hoed is aanvankelijk halfbolvormig om zich vervolgens uit te spreiden. Hij is wit of witachtig van kleur, maar loopt bij het ouder worden geelbruin tot bruin aan. Het hoedoppervlak is meestal glad en zijdeachtig). De plaatjes aan de onderzijde zijn aanvankelijk wit om pas in een heel laat stadium lichtroze te verkleuren. De steel van de paddenstoel heeft onderaan een knolvormige verdikking, maar heeft geen beurs. Rond de steel is een witte, dunne en verschuifbare ring aanwezig, die bij oude exemplaren kan zijn verdwenen. 
okergele stropharia
De OKERGELE STROPHARIA (Psilocybe coronilla) is een paddenstoel die leeft van de afbraak van dood plantaardig materiaal. Hij kan gevonden worden in droog grasland, weilanden, wegbermen en langs bospaden met een grazige berm. Lichte groeiplaatsen hebben de voorkeur, en de bodem kan ofwel voedselarm of juist stikstofrijk zijn. We vonden deze in de groentetuin van de Herenboeren. Meestal zijn maar weinig exemplaren op een groeiplaats aanwezig.
okergele stropharia
De hoed van de vruchtlichamen heeft een doorsnee van 2 tot 5 cm. In jonge toestand is hij halfbolvormig. Later spreidt hij zich wat meer uit, maar blijft bol. De kleur is bleekgeel, citroengeel of okerkleurig en het oppervlak voelt bij vochtig weer enigszins vettig of kleverig aan. De steel van de paddenstoel is wit en heeft een vliezige ring die aan de bovenkant geribbeld is. 

Bij jonge exemplaren is de steel massief, maar bij veroudering wordt hij hol en bros, en breekt gemakkelijk. De plaatjes aan de onderzijde van de hoed zijn aanvankelijk bleek grijsbruin, later grauwviolet of grauwpaars. De sporen hebben een donkerpurperen kleur. Wanneer de paddenstoel rijp wordt, komen er veel sporen op zijn ring terecht, waardoor de ribbels en groeven van de ring duidelijk zichtbaar worden.
goudgele hertenzwam
De fraaie GOUDGELE HERTENZWAM (Pluteus leoninus) is, zoals je ook op de Verspreidingsatlas kunt zien, een in Nederland vrij zeldzame paddenstoelensoort en staat op de Rode lijst als KW (kwetsbaar). Door de felle citroen- tot goudgele kleur is het echter een niet te missen paddenstoeltje. 
De vruchtlichamen zijn aanwezig van juni tot en met september in loofbos op sterk verrotte takken en stronken van eik, berk, els en beuk. 
goudgele hertenzwam
Vergissing met de sterk gelijkende Gele aderhertenzwam (Pluteus chrysophaes) ligt op de loer, maar die is meer mosterdgeel en heeft geen donkerder centrum. De Goudgele hertenzwam heeft een grotere hoed, is goudgeel gekleurd en heeft zoals je hier goed kunt zien, een iets donkerder centrum.
onderkant van de goudgele hertenzwam
De hoed heeft een diameter tot ca. 6 centimeter en is klokvormig bij jonge vruchtlichamen, dan breed kegelvormig met een bult en uiteindelijk afgeplat. De hoedrand is geribbeld en fijn gestreept. Het centrum kan enigszins geaderd zijn. De lamellen zijn eerst geel-achtig, soms met een gele lamelsnede en later zalm-roze. De steel is tot 6 centimeter lang en heeft een verdikte voet. De kleur is wit-gelig, onderaan okerachtig, en het oppervlak gestreept. De paddenstoel is geurloos.
breedgerande poria
De BREEDGERANDE PORIA (Oxyporus latemarginatus) is een specifieke soort paddenstoel die behoort tot de poriënzwammen en gekenmerkt wordt door zijn brede, vaak witachtige rand (=poria) en groeit onderaan de dode stam van loofbomen als eik, beuk en berk. Het is een saprofiet; breekt dus dood materiaal af. Volgens de Verspreidingsatlas is dit ook een zeldzame soort, hoewel hij staat vermeld op de Rode lijst als TNB: thans niet bedreigd. 

Het vruchtlichaam van de breedgerande poria vormt nooit hoeden, alleen korstvormige vruchtlichamen die soms wel een paar jaar oud kunnen worden met meerdere buisjeslagen boven elkaar en kan zoals je ziet behoorlijk groot worden. De poriën zijn relatief groot en rond.
breedgerande poria
Deze zwam veroorzaakt witrot in het hout, wat betekent dat hij cellulose afbreekt en zo het hout zacht en brokkelig maakt. Dit soort schimmels zijn echter essentieel voor het functioneren van ecosystemen, omdat ze dode biomassa omzetten in voedingsstoffen, zodat die weer beschikbaar komen voor andere organismen. Door het afbreken van dood hout, creëren ze ook ruimte voor nieuwe planten om te groeien en dragen ze bij aan de vorming van humus in de bodem.

Blogarchief