Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers

COPYRIGHT.. Zonder mijn toestemming mag geen gebruik worden gemaakt van mijn foto's en tekst.......


Posts tonen met het label fauna. Alle posts tonen
Posts tonen met het label fauna. Alle posts tonen

maandag 9 maart 2026

Allemaal beestjes #34: de huismus


Vogelbescherming Nederland organiseert de Nationale Tuinvogeltelling al vanaf 2003. Dankzij de Tuinvogeltelling komen we er achter hoe vogels in de winter onze tuinen gebruiken. 
Door vogels te tellen, worden we er ons ook beter van bewust dat het steeds slechter gaat. Waar hoor je tegenwoordig bijvoorbeeld nog groepjes luidruchtige huismussen gezellig naar elkaar kwetteren? 
 
Door die informatie gaan we misschien bewuster naar onze omgeving kijken en kunnen de vogels mogelijk beter geholpen en beschermd worden. 
 bron: vogelbescherming.nl/tuinvogeltelling.
Dit jaar heeft er een opvallende verschuiving plaatsgevonden. Hoewel de huismus in januari van dit jaar (2026) in enkele provincies (waaronder Limburg) nog het meest werd waargenomen, is die landelijk namelijk voor het eerst in 23 jaar van de eerste plaats gestoten. Door de koolmees welteverstaan.
huismus mannetje
De achteruitgang laat zien dat er iets mis is in onze omgeving voor de HUISMUS (Passer domesticus). Zo is er in bijvoorbeeld Amsterdam een afname geconstateerd van 90% en worden daar inmiddels meer halsband-parkieten waargenomen dan huismussen!!!!! 

De soort staat steeds meer onder druk door verstedelijking. Minder nestgelegenheid door isolatie en renovaties, versteende tuinen (minder groen en rommelhoekjes, dus minder schuilplekken) en minder voedselaanbod (minder insecten voor jongen, zaden) zorgen voor problemen.
huismus vrouwtje
Ik heb het eens opgezocht en het schijnt dat al sinds 1984 de populatie huismussen is afgenomen en dat het aantal in de afgelopen decennia zelfs is gehalveerd. In sommige provincies, zoals Zuid-Holland, is de huismus zelfs helemaal uit de top 10 verdwenen. Het blijft wel nog steeds een van onze talrijkste broedvogels, maar we zijn gewaarschuwd............

Het is niet alleen jammer voor de huismus, maar ook voor ons, want huismussen geven ons veel plezier. Hoe leuk is het bijvoorbeeld om ze te zien badderen. Ze zijn er dol op. Dat doen ze in water (bijvoorbeeld in een platte waterschaal), maar ook in zand. Door te "ont-tegelen" doe je ze er een groot plezier mee. 
mannetje met jongen
De mannetjes zoeken al vanaf januari geschikte nestgelegenheid en richten dat slordig met droog gras enigszins in. Dat is meestal met een aantal nestplekken vlak bij elkaar. Een mannetje dat zijn nestbouw begonnen is, is herkenbaar aan een zwart verkleurde snavel. Het heeft een grijs petje met roodbruine zijden, grijze wangen, grijs onderlichaam en brede witte vleugelstrepen. Het schijnt dat dominante mannetjes overigens meer zwart op de borst hebben dan mannetjes lager in de rangorde. 
vrouwtje
Het vrouwtje kenmerkt zich door tamelijk eenvormig lichtbruin kleed, heeft een opvallende wenkbrauwstreep achter het oog. Het mannetje heeft een donkergrijze kegelvormige snavel, bij het vrouwtje is de snavel lichter en geliger van kleur. Ze heeft korte leverkleurige pootjes.
jonge huismus
Nadat het vrouwtje een keuze heeft gemaakt voor een mannetje, bouwen ze samen het nest verder af. Het slordige nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten en bestaat uit takjes, stro, veertjes en (honden)haren. In de periode eind maart tot in augustus zijn er twee tot drie legsels met gemiddeld 4-6 eieren, maar het kunnen er maximaal ook 9 zijn. Ze broeden in een los kolonieverband. 
Na ongeveer 12 dagen broeden komen de eieren uit. De jongen zijn nog naakt en blind en wegen niet meer dan 3 gram. En dan gaat het snel, want ze blijven slechts zo'n 17 dagen op het nest. Nadat ze uitgevlogen zijn, worden ze nog 1-2 weken gevoerd door beide ouders. Ze zijn in staat voor hun eigen voedsel te zorgen zodra de snavels hard genoeg zijn om zaden mee te pellen.

woensdag 25 februari 2026

Allemaal beestjes #33 : Europese hoornaar

De EUROPESE HOORNAAR (Vespa crabro) is onze grootste inheemse wesp met een indrukwekkende lengte van 4 centimeter lang. In vrijwel heel Europa komt deze hoornaar voor, tot aan de zuidelijke delen van Scandinavië. In Nederland tref je hem aan in alle delen van het land, maar meestal niet in grote aantallen. Vooral in het zuiden, oosten en in de kustgebieden heb je goede kans hem tegen te komen. 

Europese hoornaar
Goed herkenbaar aan de kleuren: rood aan poten, borststuk en kop en geel met zwart bij de rest van zijn lichaam. Hij jaagt sommige mensen angst aan, zo groot als ie is, maar hiervoor geldt hetzelfde advies als voor andere wespen: laat je ze met rust, dan is er niks aan de hand................. 
Ze worden soms wel eens "sympathieke loebassen" genoemd, omdat ze doorgaans uit de buurt van mensen blijven, maar zijn wel defensief als iemand in de buurt van hun nest komt. 
Europese hoornaar
Europese hoornaar
Aziatische hoornaar
Hij wordt nogal eens verward met de Aziatische hoornaar, die steeds vaker gesignaleerd wordt in ons land. Waarschijnlijk is deze omstreeks 2004 via de import van aardewerk uit China in Frankrijk terechtgekomen. Vandaaruit heeft de soort zich via België verspreid en heeft in 2017 voor het eerst Nederland bereikt. Door het warmere klimaat en gebrek aan natuurlijke vijanden breidt deze invasieve exoot zich sindsdien helaas snel uit. Deze wesp heeft namelijk onze hommels, honingbijen en andere bestuivende insecten als prooidier en is dus erg schadelijk voor ons ecosysteem.

OPVALLENDSTE VERSCHILLEN:

      Europese hoornaar:
  •  4 centimeter lang
  •  Rode poten, rood borststuk en rode kop         
  •  Roodbruine antennes
  •  Geelzwart lijf 
      Aziatische hoornaar:
  •  2-3 centimeter lang
  •  Zwarte poten met geel uiteinde, zwart borststuk 
  •  Zwarte antennes
  •  Op het achterlijf 2 smalle en 1 brede oranje band  

Europese hoornaar snoepend aan het sap van een beschadigde berk
In tegenstelling tot de Aziatsche hoornaar is de Europese hoornaar een núttig roofinsect. Deze wesp is een vegetariër, die  alleen van nectar en suikerrijke plantensappen (zoals boomsap en rijp fruit) leeft. Hij is nuttig vanwege het bezoeken van bloemen,  omdat hij zo bij draagt aan de bestuiving. 

Hij jaagt echter gedurende enige tijd ook op voornamelijk wespen, vliegen, muggen en spinnen, maar die zijn niet bedoeld als voedsel voor zichzelf, maar om de larven te voeden. Die larven hebben de eiwitten namelijk hard nodig voor de groei. Werksters moeten de gevangen insecten wel eerst tot een soort papje kauwen om daarna vervolgens de larven te voeden. 

 
Vanaf eind augustus komen uit de eitjes van de koningin géén (onvruchtbare) werksters meer, maar vanaf dan worden alleen nog mannetjes en nieuwe hoornaar-koninginnen geboren. Deze vliegen na een tijdje uit, paren in de lucht, waarna de mannetjes sterven. Ook de werksters sterven in het najaar. De bevruchte nieuwe koninginnen zwermen uit en overwinteren. Zo zorgen ze voor een nieuwe generatie het jaar erop.

De vlieg die je op de foto ziet is de Groene vleesvlieg (Lucilia sericata). Het is een algemeen voorkomende vliegensoort uit de familie van de bromvliegen

zaterdag 7 februari 2026

Allemaal beestjes #32

Zoals beloofd krijgen jullie in deze tweede post van het jaar weer wat "beestjes"  te zien. 

Gewone citroenzweefvlieg
 Een wesp die steekt – of toch niet? Wie ooit een zweefvlieg zag en dacht "Wegwezen, een wesp!", is erin getrapt. Zweefvliegen behoren tot de absolute grootmeesters in mimicry; met hun geel-zwarte strepen en snelle, nerveuze vlucht lijken ze als twee druppels water op wespen. Maar anders dan hun stekende dubbelgangers, kunnen ze niet steken of bijten en zijn volkomen ongevaarlijk voor mensen. Omdat ze echter dreigend overkomen laten vogels en andere insecteneters - én mensen- hen liever met rust. 
hommelbijvlieg
Niet alle zweefvliegen houden het bij een wesp-look. Er zijn ook soorten die zich voordoen als dikke, harige hommels, zoals deze HOMMELBIJVLIEG (Eristalis intricaria). Met hun wollige lijf en brommende vlucht zijn ze haast niet te onderscheiden van een echte hommel. Voor hen geldt ook: "ik ben liever een nep-hommel dan een smakelijke prooi". Het zijn middelgrote, bolle zweefvliegen met een vrij lange snuit. Hun antennen dragen een pluimpje. Ze onderscheiden zich van de echte hommels door hun kortere antennes. Ook hebben ze 2 vleugels, terwijl hommels er 4 hebben. En....... ze hebben grote ronde ogen en kunnen stilhangen in de lucht als een helikoptertje.
hommelbijvlieg (mnl.)
Deze vlieg is vrij dicht en variabel behaard, maar minder dik dan de echte hommels. Mannetjes hebben over het algemeen een rossige en zwarte beharing, terwijl vrouwtjes voornamelijk zwart zijn met een opvallend wit "kontje". Wat je hier ziet, is dus een mannetje. De Hommelbijvlieg komt zeer algemeen voor in heel Nederland en voelt zich zowel in open als bosachtige gebieden thuis. Ze zijn vaak te vinden op bloemen waar ze, net als bijen, nectar en stuifmeel verzamelen, wat hen tot goede bestuivers maakt. Ze vliegen al vroeg in het jaar, van maart/april tot september. 

De larven staan bekend als "rattenstaartmaden". Ze hebben een soort luchtbuis om in het water te kunnen ademhalen, een zogenoemde rattenstaart. Die kunnen ze wel tot twintig centimeter uitschuiven. De larven leven van organisch materiaal en bacteriën.
gewone snipvlieg (mnl.)
De afbeelding toont een vaak in bosrijke gebieden  geziene GEWONE SNIPVLIEG (Rhagio scolopaceus).  Een snipvlieg (of snavelvlieg) dankt haar naam aan de opvallende, lange en spitse monddelen, die met wat fantasie doen denken aan de snavel van een snip (een vogel).  De Gewone snipvlieg is een middelgrote vlieg, die in grootte heel erg variabel is. De kleinste is nauwelijks 8 millimeter lang, terwijl de grootste wel 16 millimeter lang kan zijn.

Het belangrijkste verschil tussen een mannetje en een vrouwtje zit 'm in de ogen en het achterlijf. Mannetjes hebben ogen die elkaar bovenop de kop raken (holoptisch), terwijl vrouwtjes gescheiden ogen hebben (dichoptisch). Bovendien is het mannetje slanker en donkerder, terwijl het vrouwtje een breder, voller achterlijf heeft. Het borststuk is grijs met drie lengtestrepen en het achterlijf is geelbruin met zwarte driehoekjes op de bovenzijde en een zwart uiteinde. De vleugels hebben duidelijke zwarte vlekken. 
Volwassen vliegen hebben de gewoonte om met de kop naar beneden op boomstammen of paaltjes te zitten, een houding waar ze in het Engels de bijnaam "downlooker fly" aan te danken hebben. Ze voeden zich met kleine vliegjes en andere kleine insecten, maar ook met nectar, honingdauw en plantensap. 

Het vrouwtje legt haar eitjes in de regel afzonderlijk van elkaar op de grond, in mest of dood hout. De larven zijn carnivoor en leven in vochtig, dood gebladerte of onder de schors van bomen, waar ze onder andere jagen op kleine diertjes, maar ze schijnen vooral verzot te zijn op regenwormen.
cicadennest met een onbekende nimf
Cicaden zijn bij de meeste mensen bekend door de op spuug gelijkende schuimnesten, waarin het larvale stadium van een aantal soorten cicaden zich ontwikkelt. Dergelijke nesten worden wel "koekoeksspuug" genoemd en kunnen worden aangetroffen op verschillende wilde en gecultiveerde planten. 
onbekende cicadenimf
Cicaden leven allemaal van plantensappen, sommige soorten kunnen in grote aantallen op door de mens geteelde gewassen worden aangetroffen en worden daarom beschouwd als plaaginsecten, maar in zijn algemeenheid valt het allemaal wel mee. 
klimopkevercicade
Op deze foto zie je de KLIMOPKEVERCICADE (Issus coleoptratus). De Nederlandse naam kevercicaden hebben ze te danken aan hun gedrongen plompe vorm, die doet denken aan kevers. 
In ons land wordt van deze familie alleen de Boomkevercicade (Issus muscaeformis) en deze Klimopkevercicade aangetroffen. De Klimopkevercicade is zo'n zes tot acht millimeter groot en kan goed springen, maar niet vliegen. Toch heeft deze soort zich in rap tempo sinds 2000 over geheel Nederland verspreid. 

De soort kan worden aangetroffen op allerlei planten, maar lijkt een voorkeur voor klimop (Hedera helix) te hebben. Vandaar die naam. We vinden ze in één generatie per jaar. Ze overwinteren als nimf. Evenals wantsen en sprinkhanen vervellen de nimfen van cicaden een aantal keren voordat ze volwassen zijn.
paardenbijter (vrl.)
De ongeveer 6 cm. lange PAARDENBIJTER (Aeshna mixta) is een relatief kleine libel uit de familie van de glazenmakers. Ondanks de naam is deze libel volledig ongevaarlijk voor mens en paard; hij kan niet steken omdat hij geen angel heeft. De naam "paardenbijter" stamt uit een volksgeloof dat deze libellen paarden zouden bijten. In werkelijkheid cirkelen ze om vee heen om te jagen op de dazen en vliegen die het vee lastigvallen. In tegenstelling tot het mannetje (dat blauwe vlekken heeft), heeft het vrouwtje een bruin achterlijf met geelgroene vlekken. De ogen van het vrouwtje zijn doorgaans bruin tot grijsgroen, terwijl die van het mannetje blauw zijn. Wat je hier ziet is dus een vrouwtje.

In de nazomer (augustus-oktober) is dit een van de meest algemene libellen in Nederland en België. De piek van hun aanwezigheid ligt in augustus en september, maar ze kunnen van juli tot in november worden waargenomen. Ze jagen vaak in groepen op insecten zoals muggen en vliegen, meestal op ongeveer vier meter hoogte nabij bomen of in tuinen.
grote roodoogjuffer (vrl.) rustend op smalle weegbree
De GROTE ROODOOGJUFFER (Erythromma najas) is een kenmerkende waterjuffer die vaak laag boven stilstaand of langzaam stromend water vliegt, en rust op drijfbladplanten zoals leliebladen. Je kunt ze zien van begin mei tot half september, met een piek in juni. Eigenlijk is de naam misleidend; het mannetje heeft inderdaad die opvallende, dieprode ogen, maar het vrouwtje heeft minder felle ogen. Die zijn meestal namelijk bruinrood of groenachtig. Het mannetje heeft een borststuk met zwarte rug en blauwe zijkanten en een grotendeels donker (zwartachtig) achterlijf met een blauwe punt aan de basis en het uiteinde, terwijl het vrouwtje een groenzwart lichaam heeft met lichte schouderstrepen. 
Dit grote uiterlijke verschil tussen het mannelijke en vrouwelijke dier wordt seksueel dimorfisme genoemd. Nu je dit gelezen hebt, kun je dus constateren dat dit een vrouwelijk exemplaar is.
roodgatje (vrl.)
Het ROODGATJE (Andrena haemorrhoa) is een van de meest algemene zandbijen in Nederland en België. Ze zijn al vroeg in het voorjaar actief, van maart tot juli, met een piek in april en mei. Het zijn echte alleseters (polylectisch). Deze solitaire bij steekt vrijwel nooit en is erg nuttig voor de bestuiving in je tuin. Je ziet ze vaak op voorjaarsbloeiende struiken en bomen zoals wilgen en fruitbomen zoals kers en appel en op paardenbloemen en schermbloemigen zoals fluitenkruid. Echt kieskeurig zijn ze dus niet. Ze graven hun nest in de grond, vaak op zonnige plekken met weinig begroeiing, zoals in gazons, bermen of tussen stoeptegels. Meestal liggen de nesten solitair, maar soms worden ook kleine groepjes gevormd. 
roodgatje (vrl.)
 Hoewel je het op de foto's helaas niet goed kunt zien, zijn ze te herkennen aan de opvallende oranjerode haartjes op de punt van hun achterlijf. Vandaar ook die naam. De vrouwtjes hebben een vos-rode beharing op de bovenzijde van het borststuk en de onderkant en het gezicht zijn witbehaard. Zowel bij de mannetjes als de vrouwtjes zijn de achterpoten doorschijnend oranje gekleurd. De mannetjes zijn echter weinig opvallend gekleurd en zijn een stuk kleiner en smaller dan de vrouwtjes. Ze hebben een lange, ijle vuilbruine beharing op het borststuk en de kop, maar ook (net als bij de vrouwtjes) een oranje behaarde achterlijfspunt.
vaal kokerbeertje
Het VAAL KOKERBEERTJE (Eilema caniola) is een heel algemeen voorkomend nachtvlindertje uit de familie van de spinneruilen die pas sinds 2014 in Nederland voorkomt en in rust op een opgerold papiertje lijkt. Het vlindertje heeft een vaalgele tot lichtgrijze kleur, wat de naam “vaal” verklaart in vergelijking met de kleurrijkere kokerbeertjes. In rust vouwt de vlinder zijn vleugels smal om het lichaam, vandaar 'kokerbeertje'. Het vlindertje heeft de naam "beertje" vanwege de ruig behaarde rups.

De soort is relatief nieuw in Nederland en werd pas voor het eerst in 2014 waargenomen in Zeeuws-Vlaanderen. Klimaatverandering is een belangrijke factor die hun uitbreiding verklaart en als ze eenmaal in België zijn gesignaleerd is het vaak maar enkele jaren voordat ook Nederland wordt gekoloniseerd. Het Vaal kokerbeertje is dan ook een warmte-minnende soort die warme jaren nodig heeft voor ontwikkeling. Hun natuurlijke habitat bestaat uit bossen, bosrijke gebieden, graslanden In de natuur verpoppen de rupsen doorgaans onder stenen. De rupsen voeden zich voornamelijk met korstmossen en algen die onder andere op daken, muren, bomen of stenen groeien.

vrijdag 30 januari 2026

Allemaal beestjes #31

De laatste "Allemaal beestjes" die ik plaatste is van 15 augustus 2024. Ik ben misschien te veel bezig geweest met  paddenstoelen. Intussen heb ik echter wel weer een flink aantal "beestjes" in mijn to-do-map zitten. Hoewel het nu in de wintertijd rustig is wat betreft insecten, is het hoog tijd om jullie met deze en de volgende post daarvan weer eens te laten genieten.  

Macrophya montana
MACROPHYA MONTANA is een in Nederland vrij algemene inheemse soort uit de familie van de bladwespen (Tenthredinidae). Niemand heeft er blijkbaar ooit bij stil gestaan om het een Nederlandse naam te geven. De vliegtijd van dit wespje is van begin mei tot eind juli, met een piek van begin mei tot midden juni. Het is een vegetarische wesp; de larven eten namelijk geen dieren, maar hebben een voorkeur voor de bladeren van de braam en framboos. Imago's worden echter, zoals hier ook het geval is,  vooral gevonden op schermbloemen.
Macrophya montana
De soort bereikt een lichaamslengte van 9 tot 11 millimeter. Het vrouwtje is gemarkeerd in zwart en geel. De kop is zwart met gele snuit. Op het achterlijf is de eerste rugplaat geheel geel, de vijfde en zesde hebben brede gele banden in het midden gebroken met zwart. Op de zevende, soms ook op de vierde, zijn er kleine gele vlekken aan de zijkanten. De negende is bovenaan ook geel getekend.  De poten van het vrouwtje zijn ook overwegend geel met zwarte aftekeningen.
Dit is dus het vrouwtje. Er is een duidelijk uiterlijk verschil tussen mannetjes en vrouwtjes (seksueel dimorfisme); het mannetje is vrijwel helemaal zwart, met soms  smalle bleke banden aan de zijkanten, bleke poten en witte segmenten op de achterpoten.. 
bramensprinkhaan
De BRAMENSPRINKHAAN (Pholidoptera griseoaptera) is een bruine, zeer kort gevleugelde sabelsprinkhaan. Op deze twee kenmerken zijn de volwassen dieren in Nederland onmiddellijk te herkennen. Dit is een vrouwtje (te zien aan de legboor). In Nederland wordt deze sprinkhaan vooral aangetroffen in het zuidoosten en langs de grote rivieren. Hij is als imago actief van half juni tot begin november, Bramensprinkhanen leven in de struikzoom langs bossen en dergelijke. Ze hebben een voorkeur voor planten met grotere bladeren, vooral braamstruiken waaraan ze hun naam danken, maar ook wel andere soorten planten. 
 bramensprinkhaan
De vleugels zijn opvallend kort, bij de mannetjes zijn ze ongeveer even lang als het halsschild, bij de vrouwtjes zijn ze zelfs verworden tot onooglijk kleine, schub-achtige "flapjes". De antennes zijn duidelijk veel langer dan het lichaam, ook de achterpoten zijn zeer lang en sprieterig. Als je niet, of niet goed kunt vliegen, is heel ver springen een goed alternatief!  
Vrouwtjes hebben een vrij korte, iets omhoog gerichte sabelvormige legbuis die vrij breed is, bruin van kleur en sterk zijdelings is afgeplat. Ondanks het intimiderende uiterlijk kunnen ze daar niet mee steken.

 cluster- of  klustervlieg
De CLUSTER- OF KLUSTERVLIEG (Pollenia rudis) is een vliegensoort uit de familie van de bromvliegen (Calliphoridae) Ze heeft wel wat weg van de huisvlieg, maar is wat forser van formaat. Zoals de naam al aangeeft vliegen ze in grote klusters of zwermen. Ze kunnen vooral in het najaar grote zwermen vormen als ze op zoek gaan naar een geschikte overwinteringsplaats, zoals in holle bomen of in spouwmuren. 
klustervlieg
Dit is een vrouwtje. De ogen zijn namelijk gescheiden. Als de ogen elkaar raken is het een mannetje. 
De diertjes zijn niet gevaarlijk - ze steken niet, brommen niet en brengen geen nare ziektes over - maar doordat ze in zulke grote hoeveelheden actief zijn en soms ook in gebouwen overwinteren op een droge plek zoals in de spouwmuur, in ongebruikte kamers, dakbedekking en op de zolder, kunnen ze vooral na hun ontwaken in maart bijzonder hinderlijk zijn en op plaatsen komen waar je ze liever niet hebt. 
weer eens wat anders: de onderkant
De langwerpige witte eitjes worden door de vrouwtjes afgezet in kieren van de grond of in de humuslaag, waarna ze ’s zomers al na 3 dagen uitkomen. De larven parasiteren op regenwormen; ze eten ze van binnenuit op. Wanneer de larve het popstadium bereikt, verlaat hij de worm om zich in de grond te verpoppen. Er zijn drie of soms zelfs vier generaties per jaar. 
De 5-12 mm lange, bruingrijze clustervlieg heeft een borststuk met goudkleurige haren. Het achterlijf is enigszins afgeplat en heeft asgrijs-zilveren vlekken.
rups van de grote beer
Beervlinders zijn nachtvlindersoorten uit de familie van de spinneruilen. Ze danken hun naam aan de harige rupsen, vaak met een donkerbruin tot zwarte kleur en oranje/rode accenten. Ze voeden zich met planten, korstmossen of algen. Beervlinderrupsen zijn vaak actief in het voorjaar, overdag zonnend, en kunnen huidirritatie veroorzaken. Bekende soorten zijn de  Grote beer, de Weegbreebeer en het Zwart beertje. 

De naam GROTE BEER  (Arctia caja) doet je in de eerste plaatst misschien denken aan een sterrenbeeld, maar de Grote beervlinder is een dagactieve nachtvlinder uit de familie van de uilen. 
De naam van de vlinder verwijst naar het uiterlijk van de rups. Die is, zoals je ziet, namelijk sterk behaard met een vacht als een beer (zegt men....). In tegenstelling tot andere harige soorten (o.a. processierups), veroorzaken de haren van de Grote beer vrijwel nooit huidirritaties. 
Pas in juli of augustus verpoppen ze. Tegen de tijd van verpoppen zijn ze bijzonder actief en je komt ze dan ook overal tegen. Deze rupsen raken het gif, dat ze met hun maaltijden van o.a. het jakobskruiskruid binnenkrijgen, kwijt door dit in hun huid op te slaan. Na het vervellen zijn ze hun gif kwijt. Prachtig toch....
zwart beertje 
De vliegtijd van het ZWART BEERTJE  (Atolmis rubricollis) is van half mei tot half juli in slechts één generatie. Het is een nachtvlinder, die echter ook overdag vliegt. Het vlindertje wordt zo genoemd omdat het (met uitzondering van het oranje rode kraagje) volledig fluweelachtige zwarte vleugels heeft. Net als de rupsen van meer kleine beertjes houden ze niet van malse blaadjes, maar van korstmossen en algen die op de stam van bomen groeien. De rupsen  zijn actief van augustus tot oktober. Daarna dalen ze af naar de bosbodem om onder het mos te verpoppen.
rups van het geel beertje
Het GEEL BEERTJE (Eilema sororcula) is een nachtvlinder uit de familie van de spinneruilen (Erebidae) en de onderfamilie van de beervlinders (Arctiinae). De spanwijdte bedraagt tussen de 27 en 30 millimeter. De vliegtijd van het Geel beertje loopt van eind april tot in juni. De naam beervlinder dankt ie aan de behaarde rupsen. De gele vlinder komt voor in Centraal- en Zuid-Europa, Klein-Azië en Zuidoost-Azië. 

Hoewel ik dit vlindertje zelf nog nooit heb waargenomen, omdat het uitsluitend ’s nachts vliegt , is het ook in Nederland en België algemeen. Vooral op de zandgronden. Heel bijzonder is dat de vlinders ook meestal in de buurt van de boom blijven waar ze zijn opgegroeid. Deze rups vond ik in mei bij de Kwegt. Ze leven vooral van korstmossen op bomen en zijn tot in september actief. Daarna maken ze een heel dun coconnetje, waarin ze verpoppen en zo overwinteren. De cocon wordt opgehangen tussen mossen en korstmossen op boomstammen en struiken. De eerste vlinders verschijnen in april van het volgende jaar.
hazelaaruil
De HAZELAARUIL (Colocasia coryli) is een nachtvlinder uit de familie van de donsuilen. Aan de volwassen vlinders is het verschil met de echte uilen niet te zien, maar wel aan de rupsen. Deze zijn namelijk zeer zwaar behaard en lijken helemaal niet op de rupsen van uilen die allemaal kaal zijn, of een enkel haartje hebben. De voorvleugellengte is tussen de 14 en 17 millimeter. De soort komt voor in heel Europa en het westen van Azië. Hij overwintert als pop. De habitat van deze soort is loofbos. Waardplanten zijn onder eiken, beuk, berken en spaanse aak. Het is in Nederland en België een algemene soort, die verspreid over het hele zandgrond-gebied kan worden gezien. 
De vlinder kent twee generaties die vliegen van begin april tot begin september. De mannetjes vliegen vanaf de schemering. De vrouwtjes vliegen nauwelijks en worden slechts weinig gezien. 
rups van de Hazelaaruil
De rups kun je aantreffen in mei-juli en september-oktober. Ze foerageert ´s nachts en verbergt zich overdag veelal tussen samengesponnen bladeren. De soort overwintert als pop in een cocon in de strooisellaag, onder mos of aan de basis van de stam van de waardplant. Het lijf van de rups is gewoonlijk rozeachtig oranje, maar soms ook bruin, okerkleurig of grijs en bekleed met fijne, witachtige haarborstels, de segmenten vier, vijf en elf hebben elk roodachtig bruine of zwartachtige haarkwastjes op de rug; over het midden van de rug een rij donkere, rechthoekige vlekken, die elkaar soms raken en dan een ononderbroken band vormen; op de flanken een witachtige lengteband en de kop is roodachtig bruin of grijsachtig.
stro-uiltje
Het STRO-UILTJE (Rivula sericealis) is een dag- en nachtactief nachtvlindertje op vochtige graslanden, moerassen, heiden en natte bospaden uit de familie spinneruilen (Erebidae). De voorvleugellengte bedraagt tussen de 13 en 15 millimeter. De imago kan verward worden met de late koolmot (Evergestis forficalis) uit de familie van de grasmotten (Crambidae), maar deze is wat groter en er lopen strepen over de voorvleugel. Het stro-uiltje overwintert als rups. Het heeft diverse grassen als waardplant, zoals pijpestrootje. Het is in Nederland en België een gewone vlinder, die over het hele gebied verspreid voorkomt. De vliegtijd is van half mei tot en half oktober in 3 generaties.

De voorvleugel van deze kleine spinneruil is strokleurig met een bruine achterrand en bruine franje; afgevlogen exemplaren zijn lichter, soms bijna witachtig van kleur. Kenmerkend is de duidelijke middenvlek, die op het eerste gezicht bruin lijkt, maar die met een loep bekeken bij verse vlinders paars blijkt te zijn met twee zwarte stipjes. De kleur van de voorvleugel is enigszins variabel; vooral exemplaren van de tweede generatie zijn soms geelachtig bruin of lichtbruin en kleiner.
rups van de zilveren groenuil
De ZILVEREN GROENUIL (Pseudoips prasinana) is een nachtvlindertje uit de familie van de uilen. De spanwijdte van de vlinder varieert tussen de 30 en 35 millimeter. De vliegtijd is mei tot en met juli. Het verspreidingsgebied beslaat geheel Europa. De volwassen nachtvlinder is groen, en heeft lichte zilveren strepen op de vleugels. Hij is dan ook lastig te zien tussen groen blad. Het vlindertje zelf heb ik daarom waarschijnlijk ook nog nooit gezien. Waardplanten zijn vooral eiken en berken, maar ook andere soorten zoal de beuk, hazelaar en populier. 
rups van de groene zilveruil
De rups is wel opvallend. Ik vond deze begin oktober op mijn balkon. Vlakbij staat een moeraseik, dus daar zal hij wel uitgevallen zijn. Ik vind het een mooie rups. Ze is ongeveer 35 mm lang. Het heeft een heldergroene kleur met geelachtig witte spikkels en streepjes; over de rug twee brede, geelachtig witte lengtestrepen, De kop is lichtgroen. Het lichaam oogt wat plomp en naar de staart toe is het versmald. 
rups van de groene zilveruil
De schuivers vallen erg op; ze doen me een beetje denken aan brede witte slofjes. De naschuivers hebben een rode streep. Hoe deze rups zich verplaatst, is best wel grappig. Elk pootje met flapjes wordt apart een stukje naar buiten gestrekt, en met een kleine bocht iets verder neergezet. Dan volgt het volgende pootje, en het volgende. En dat gaat allemaal heel langzaam en is prachtig om te zien.

donderdag 15 augustus 2024

Allemaal beestjes #30

Binnenkort breekt het paddenstoelenseizoen weer aan, dus daar gaat de komende tijd mijn belangstelling weer naar uit, maar in deze post laat ik nog wat "beestjes" de revue passeren. 

Leuk weetje: Wist je dat het zwaartepunt van de Nederlandse kevers in de provincie Limburg ligt? 
Hier komen namelijk ruim 3500 soorten kevers voor. Dus ik kan nog even vooruit. 
Zomersmaragd
 De ZOMERSMARAGD (Anomala dubiais)  of Anomala kever is een keversoort uit de familie bladsprietkevers. De naam kan voor verwarring zorgen, want bij het nagaan van de wetenschappelijke naam op het internet kom je uit bij de Kleine Julikever. Over deze kever heb ik al in "allemaal beestjes"van juni 2015 iets verteld. 

Om het nog wat verwarrender te maken, is er ook een échte Julikever (Polyphylla fullo). Deze heeft een gemarmerde tekening van zwart/bruin met wit of geel, is zeldzaam, is in tegenstelling tot de Zomersmaragd niet schadelijk en komt alleen in de kustgebieden voor. Om te voorkomen dat deze 2 verwisseld worden, is daarom sinds kort door de commissie van zoölogen die zich bezighoudt met de naamgeving van soorten, de naam Kleine julikever gewijzigd in Zomersmaragd. 
Zomersmaragd
Een toepasselijkere naam vanwege de verschillende kleuren die de kever kan hebben; soms geheel groen metallic, maar ook blauw, bruin metallic of groenbruin. Het is een kever die zich de laatste jaren behoorlijk heeft verspreid in Nederland. Hoewel deze kever vroeger alleen op de open zandgronden in Limburg werd aangetroffen, is deze kever thans bijna landelijk aanwezig. 
voorkant
achterkant
Deze kever heeft, zoals ik al zei, verschillende verschijningsvormen. In één van de verschijningsvormen lijkt hij sprekend op de Rozenkever, maar de dekschilden zijn in tegenstelling tot de Rozenkever onbehaard en de hele kever glanst. De Zomersmaragd komt voor van mei tot augustus en is vooral actief bij warm weer. Ze vliegen of zwermen op zonnige dagen en warme avonden. Ze bezoeken vaak bloemen en grazen op een breed scala van gebladerte. Paring vindt vanaf eind mei of juni plaats en de vrouwtjes graven zich vervolgens in het zand in om eitjes te leggen. 
De larven (engerlingen) ontwikkelen zich tussen de 30 en 60 cm onder de grond en eten de wortels van wilde grassen graangewassen, struiken etc. Ze doorlopen 3 stadia: in de herfst graven ze dieper in de grond, ze overwinteren in het 2e stadium, en hervatten in het 3e stadium de voeding en voltooien vervolgens in de volgende lente hun ontwikkeling tot kever. Ze zijn in gazons al net zo verwoestend als die van de rozenkever, maar de kever is ook schadelijk in boomkwekerijen. Dus voor velen zijn ze ondanks hun mooie uiterlijk niet erg welkom.
larve van de schildpadtor
Vorige week was het op de site van Nature Today de week van de SCHILDPADTOR (Cassida). De lengte van een volwassen tor ligt tussen de 7 en 10 mm. Helaas heb ik geen foto van het kevertje zelf, maar wel van de larve van zo'n kever. In Nederland komen zestien soorten schildpadtorren voor. Ze behoren tot de bladhaantjes (Chrysomelidae), waarvan de Coloradokever, het Aspergehaantje,  Populierenhaantje en Elzenhaantje het meest bekend zijn. De meeste bladkevers zijn gespecialiseerde vegetariërs en de schildpadtorren zijn geen uitzondering. De kevers en larven leven allebei op verschillende soorten kruidachtige planten. Er zijn bijvoorbeeld soorten gespecialiseerd op distels, munt of winde. Zowel de larven als de volwassen kevers eten van de bladeren. 
Hoewel er de nodige twijfels zijn, vermoed ik dat dit de larve van de Groene Distelschildpadtor (Cassida rubiginosa) is. Het is de algemeenste Nederlandse soort. Ze leeft op distels.  De larven hebben doornige uitsteeksels en bouwen ter verdere verdediging een schild van uitwerpselen en vervelde huid, dat ze op hun rug meetorsen. Helaas was dat bij de larve op deze foto niet het geval. 
Wolfspin
Al eerder heb ik iets verteld over de wolfspin. Spinnen waarvan de vrouwtjes hun cocon meeslepen. De soorten die ik toen liet zien hebben een wit cocon, maar hier is het cocon blauw!! Hoewel ik in "De Levende Natuur 65" van 1962 las, dat de verse cocons van de Tuinwolfspin (Pardosa amentata) een blauw-groene kleur hebben, omdat de oorspronkelijk witte cocon door de spin bevochtigd wordt, waardoor dat vervolgens verkleurt door oxidatie aan de lucht, ben ik niet overtuigd of het deze spin wel is. 
Struikkameleonspin
Deze kleine STRUIKKAMELEONSPIN (ebrechtella tricuspidata) heeft zich goed aangepast aan de omgeving. Het is dan ook een tref als je het spinnetje aantreft. Het is een soort uit de familie krabspinnen (thomisidae). Die naam danken ze aan de grote voorpoten en hun manier van voortbewegen, namelijk zijwaarts, net als een krab. Krabspinnen (en dus ook deze kameleonspin) maken geen web, maar wachten, goed gecamoufleerd, tot een prooi voorbijkomt, om die vervolgens met hun lange eerste en tweede potenpaar te overmeesteren. 
Struikkameleonspin die een larve van het Elzenhaantje heeft bemachtigd.
Het vrouwtje van de Struikkameleonspin  meet slechts 5 tot 6 mm en het mannetje is met 3 tot 4 mm. nog ietsje kleiner. Het voorste deel is egaal groen en het de rugzijde is bleekgroen met een rode of roodbruine peervormige tekening. Het komt voor in bloemen van planten en struiken in een warme open omgeving. Het is niet heel algemeen voorkomend. Volgens Waarnemingen.be is deze soort zelfs zeldzaam.
Gewone kameleonspin
Deze zag ik in de Waerbrookskoel in Ell. Het is de GEWONE KAMELEONSPIN (Misumena vatia) waar ik al eerder iets over verteld heb. . Dat kun je HIER nog eens nalezen. 
Voorjaarsfluweel
 Dit is de VOORJAARSFLUWEEL (Notidobia ciliaris). Het is een schietmot.Op de Rode lijst van schietmotten staat deze soort als kwetsbaar vermeld.  Het is een fraaie, fluweelzwarte schietmot die in het vroege voorjaar te vinden is. De antennen zijn ook zwart en zijn ongeveer even lang als het lichaam. Schietmotten (Trichoptera) zijn een orde van gevleugelde insecten, die behoren tot de zich verpoppende insecten. Ze ontwikkelen zich vrijwel altijd in het water. 

De larven worden kokerjuffers genoemd.  De kokers worden vervaardigd uit materiaal dat voorhanden is in zijn omgeving, zoals plantenmateriaal, overblijfselen van waterdieren, zandkorrels, kiezelsteentjes en allerlei combinaties daarvan. Dergelijke kokers zijn veel zwaarder en de larven kunnen daarom alleen over de bodem kruipen, waar ze zichtbaar zijn als "kruipende takjes". 
De motten hebben een onopvallende kleur en lijken wat betreft lichaamsbouw enigszins op nachtvlinders. De vleugels zijn echter niet geschubd zoals bij vlinders, maar behaard. De meeste soorten bereiken een lichaamslengte van enkele millimeters tot een centimeter. De grootste soorten worden iets meer dan twee centimeter lang. Van de ruim 13.570 bekende soorten schietmotten komen er 1271 in Europa voor, waarvan ongeveer 230 in de Benelux. 
Vroege grasmot
 De VROEGE GRASMOT (Crambus lathoniellus) is een algemene soort die verspreid over het land kan worden waargenomen. De naam Grasmot verwijst naar de voedselvoorkeur van de soort, in zijn algemeenheid dus bepaalde soorten grassen. De Vroege grasmot vliegt (zoals je wel begrepen hebt) al vroeg in het jaar. De vliegtijd loopt van mei tot en met september. Het leefgebied is grasland waar de rupsen in een spinselbuis aan de voet van gras leven. 

Het is één van de soorten die zich veel laat zien in tuinen, parken en plantsoenen. Als je door een wat hoger begroeid grasland loopt, zul je ze ongetwijfeld hier en daar hebben zien opvliegen, om zich vervolgens iets verderop weer te verstoppen. In rust zijn ze dan amper te vinden.
Gepijlde grasmot
Bleke grasmot
Deze vlinders zijn zeer variabel in uiterlijk. De onderfamilie Crambinae, de eigenlijke grasmotten, nemen een smalle, dicht opeen gevouwen houding aan op grasstengels, met de vleugels op de rug, waardoor ze erg onopvallend zijn.  De rupsen zijn typisch stengelboorders in de grassenfamilie. Omdat deze familie veel belangrijke voedingsgewassen aantast, worden sommige grasmotten als schadelijk beschouwd. 
Buxusmot
Bonte brandnetelmot of -roller 
Andere onderfamilies hebben helder gekleurde patronen en rusten in tegenstelling tot de Crambinae met wijd uitgespreide vleugels. Zo zijn  onder andere deze Buxusmot (Cydalima perspectalis) en de Bonte brandnetelmot (Anania hortulata) ook vlinders uit de familie van de grasmotten.
Waterlelievlinder
  Ook de WATERLELIEVLINDER of Waterleliemotje (Elophila nymphaeata) is een vlinder uit de familie van de grasmotten (Crambidae). De soort is in Nederland en België een gewone soort en is schemer- en nachtactief. Met een spanwijdte van 22 tot 30 millimeter is het een vrij kleine vlinder. De vleugels zijn wit met bruine cirkels. Overdag zit hij meestal aan de onderzijde van bladeren, dus ik had bij deze vlinder geluk dat die óp het blad zat. 

Zij houden zich op in oevervegetatie met een hoge luchtvochtigheidsgraad, terwijl zonnige, droge plekken met lage luchtvochtigheid gemeden worden. Je vindt ze dan ook voornamelijk bij schaduwrijke vijvers en poelen. De eitjes worden onder water afgezet op bladranden. De verpopping vindt onder water plaats. Als de rupsjes uitkomen, maken ze kokertjes van stukjes blad, die aanvankelijk nog met water gevuld zijn, maar later als ze overgaan op luchtademhaling, lucht bevatten.  De rupsjes voeden zich met drijvend fonteinkruid (Potamogeton natans), waterlelie (Nymphaea alba), kleine egelskop (Sparganium emersum) en klein kroos (Lemna minor).  
De waterlelievlinder vormt in Nederland en België twee generaties per jaar. De vlinders van de eerste generatie vliegen in juni, de vlinders van de tweede generatie in augustus en september. Vanwege de twee generaties zijn de rupsen vanaf mei en opnieuw vanaf augustus te aan te treffen. Op https://nl.wikipedia.org/wiki/Waterlelievlinder kun je meer over de boeiende levenswijze van zowel de vlinder als de rups lezen. 
Wc-motmug
       De zomer brengt allerlei insecten met zich mee en soms kom je er een tegen waar je nog nooit van gehoord hebt, zoals de WC-MOTMUG (Clogmia albipunctata). Het is een klein, moeilijk te fotograferen, dichtbehaard mugje dat in de volksmond ook wel "motvliegje" en "aalputmotje" genoemd wordt. Volwassen motmuggen worden slechts drie tot vijf millimeter groot en zijn dus moeilijk te fotograferen. Dit grappige diertje werd in 2023 verkozen tot "Insect van het Jaar". 
Omdat ze zo klein zijn, zijn het slechte vliegers. Buiten kunnen ze gemakkelijk weggeblazen worden door de wind. Daarom zitten ze liever binnen. Op een witte muur zien ze eruit als een klein hartje. 
Motmuggen leven graag op vochtige, schaduwrijke plaatsen, bijvoorbeeld onder vochtig dierlijk of plantaardig afval. Ze zitten daarom vaak in huizen, omdat daar nog wel eens wat organisch afval ligt. Dat kan in een wc zijn, maar ook ergens in een gootsteen of zelfs in een koffiezetapparaat. Kom je ze in huis tegen, dan weet je dat er gepoetst moet worden........................
Grote trilspin met eitjes tussen de kaken
     De GROTE TRILSPIN (Pholcus phalangioides) wordt vanwege zijn tot wel vijf centimeter lange poten vaak verward met de hooiwagens. De wetenschappelijke naam phalangioides betekent ook “lijkend op een hooiwagen”. Er zijn echter enkele verschillen zodat je ze kunt benoemen: het lichaam van een trilspin bestaat uit twee gedeelten en die van een hooiwagen zijn versmolten tot één lichaam. En de trilspin maakt een rommelig onregelmatig web, terwijl de hooiwagen geen web maakt. 
Als ze worden verstoord bewegen ze snel heen en weer ("trillen") waardoor ze voor verwarring zorgen bij de vijand en het lijkt alsof ze vervagen. Vandaar de naam. 
Zij zullen bijna nooit buiten huizen en gebouwen te vinden zijn, omdat het Nederlandse klimaat niet de (sub)tropische omstandigheden kent die voor deze spinnen wenselijk zijn. Het is namelijk een soort (exoot) die hier oorspronkelijk niet voorkwam, maar via schepen, vrachtwagens en allerlei andere voertuigen hier terecht is gekomen. 
Ze zijn binnenshuis veelvuldig op de zolder, de kruipruimte of kelder te vinden. Vandaar dat ze ook wel kelderspin worden genoemd. 
Gewone huisspin
 Ze kunnen vrij grote prooien vangen waaronder zelfs huisspinnen. De vrouwtjes van de Grote Trilspin kunnen tot drie jaar oud worden; mannetjes sterven meestal eerder. Evenals de Wolfspin heeft ook het vrouwtje broedzorg. De circa 50 eitjes worden losjes in een soort bolletje bij elkaar gehouden met wat spinsel. Het vrouwtje houdt het pakketje tussen de kaken totdat ze uitkomen. Zo zorgen ze ervoor dat de eitjes veilig zijn voor eventuele vijanden.

Blogarchief