Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers


woensdag 30 september 2020

Allemaal beestjes #16

Dit is de derde post van dit jaar met klein grut. Niet zo veel dus, maar het moet natuurlijk de moeite waard zijn en dat kan ik alleen maar doen, door met iets nieuws te komen. Dus geen "Allemaal beestjes" waar ik al eerder iets over geschreven heb,maar nieuwe soorten die je interesse wekken en waar ik ook nog een geslaag- de foto van heb. Aangezien inmiddels ruim 130 van deze kleine beestjes de revue zijn gepasseerd, wordt dat natuurlijk wat moeilijker. Ik heb toch nog 2 interessante posts kunnen maken, waarvan dit de eerste is.
Deze rups kun je met geen enkele andere soort vergelijken: geel, vier witte op scheerkwastjes lijkende borstels op de rug en een rood "staartje". Dat is de rups van de MERIANSBORSTEL (Calliteara pudibunda). De rups van een onopvallende nachtvlinder uit de familie der spinneruilen. De soort komt verspreid over het land voor, met name op de hogere zandgronden en duinen. De vlinder zelf vliegt in voorjaar en voorzomer, maar zie je zelden omdat deze ’s nachts actief is. Je ziet de rupsen vooral eind september en begin oktober. Dat is namelijk de periode om te gaan verpoppen en dat doen ze met name in de strooisellaag onder bomen en struiken. Vaak onder een zomereik, omdat die bladeren veel door de rupsen worden gegeten. Ze verpoppen in een dun, zijdeachtig cocon, overwinteren als pop en in mei komen de vlinders weer tevoorschijn. Zoals zo vaak is de rups van nachtvlinders veel mooier dan de vlinder. Dat is dus hier ook het geval. De rups is genoemd naar Anna Maria Merian (1647 – 1717), een Duitse kunstenares en entomologe die planten en insecten bestudeerde en daar gedetailleerde tekeningen van maakte.
Ik zag deze bijzonder opvallende 40 mm grote rups van de MERIANSBORSTEL toen hij de weg overstak. Ik heb hem opgepakt en aan de andere kant neergezet, om rustig een foto van hem te maken. Hij hield zich echter voor dood en bleef steeds stil en in elkaar gedoken zitten. Ik wilde hem echter ook in beweging zien en heb hem daarom mee naar huis genomen. Op deze foto kun je hem nu dus van boven af ook eens goed bekijken. Bij verstoring trekt ie de kop naar binnen en kromt het lichaam iets, zodat de zwarte banden tussen de eerste segmenten zichtbaar worden. Door zijn uiterlijk is hij blijkbaar zo afschrikwekkend, dat mogelijke vijanden hem met rust laten. Hoewel hij zeer algemeen is en verspreid over het hele land voorkomt, kennen veel mensen hem niet.  Kortschildkevers (Staphylinidae) zijn herkenbaar aan hun hele korte dekschild en, als ze zich bedreigd voelen, hun staartje net als een schorpioen omhoog en naar voren krommen. Voor een juiste determinatie zijn ze echter een lastige familie. Er zijn wel enkele bekende verschijningen, zoals de Stinkende kortschild (Ocypus olens).  Die  leven verborgen onder stenen en plantaardig materiaal en eten ongewervelden, zoals wormen en weekdieren. Deze soort valt op, omdat ze vrij groot zijn, maar er zijn zeer veel kleinere soorten, die ook nog eens niet allemaal zwart gekleurd zijn. Vele hebben ook oranje of rood op het lijf. In Nederland zijn er bijna 1000 soorten verdeeld over vele tientallen geslachten. Het zijn echte roofkevers. Favoriet op het menu is de slak, maar ook bijvoorbeeld pissebedden, regenwormen, larven, wantsen e.d. vallen ten prooi aan hun kaken.  Het kortschildkevertje dat je hier op de foto's ziet is slechts 5 mm. groot. Het is de ATHETA CORIARIA. Ik heb er geen Nederlandse naam voor gevonden, wat het moeilijk maakt om te onthouden. Deze bodemgraver is lichtschuw en leeft in de bovenste laag van de grond. Het kevertje is zeer beweeglijk en al actief vanaf 12 °C. De volwassen kevers leggen tijdens hun leven meer dan 100 eitjes in de bodem. Daaruit komen kleine, zeer bewegelijke larven, die zich direct beginnen te voeden met bodemorganismen.
Afhankelijk van de bodemtemperatuur komt er na 2-4 weken een kever tevoorschijn die zich vliegend kan verspreiden. Het is een roofkevertje dat steeds veelvuldiger wordt gebruikt voor de biologische bestrijding van schadelijke bodeminsecten als springstaartjes, eieren en larven van motmuggen en poppen van trips. 
Je zou denken dat ze, omdat ze zo klein zijn, ook kleine vleugels hebben onder die korte schilden, maar schijn bedriegt. Onder die schilden zitten namelijk keurig opgevouwen vleugels die ver kunnen worden uitgespreid om er snel mee te vliegen, zodat ze zich optimaal verspreiden in bijvoorbeeld kassen. De Atheta coriaria veroorzaakt geen schade aan de gewassen.
Ze zijn er nog, de libellen. Dit is een GEWONE OEVERLIBEL, een echte libel uit de familie van de korenbouten. Mannetjes zijn blauw gekleurd met een zwarte achterlijfspunt en bruine beharing op het borststuk. Maar hoe zit het nou met het vrouwtje? Dat is namelijk aanvankelijk geel van kleur en later bruin met zwart met lichtere zijkanten, maar hier lijkt het vrouwtje meer weg te hebben van de Bruine korenbout. Met dit paringswiel is het echter onwaarschijnlijk dat dit 2 verschillende soorten zijn. Ik plaatste ze op waarneming.nl met de vermelding Bruine korenbout, maar werd gecorrigeerd. Het is dus wel degelijk de Gewone oeverlibel. Er is, zo blijkt, dus met name bij de oudere vrouwtjes van de gewone oeverlibel nogal wat variatie te zijn. Het blijft moeilijk om ze op naam te brengen. 
In Nederland komen vijf soorten zweefvliegen voor die we Reuzen (Volucella) noemen: de Hommelreus, de Wespreus, de Stadsreus, de Witte reus en de Gele reus. Ze worden zo genoemd vanwege hun afmeting.

Dit is de WITTE REUS of IVOORZWEEFVLIEG. Deze Reuzen zijn grote, bolle hommelzweefvliegen met een vrij lange snuit. Hun antennen dragen een pluim. De Hommel-, Stads- en Witte reus zijn algemeen in Nederland. De andere twee zijn zeldzaam. In allemaal beestjes#9 kun je een Stadsreus bekijken en er iets over lezen.Het lichaam van deze Witte reus is overwegend zwart, maar het tweede achterlijfssegment is crèmewit. Daar dankt ie de naam Ivoorzweefvlieg aan. De vleugels hebben een gelige basis en een opvallende zwarte middenvlek. De lichaamslengte is tussen 13 en 18 millimeter. De soort vliegt van mei tot augustus. Je vindt ze op open plekken in bossen en bij bloemrijke hagen. Hoewel het een algemeen voorkomende soort blijkt te zijn, zag ik hem deze zomer voor het eerst. Ze bezoeken vaak braambloesem, maar je treft ze ook aan op andere bloemtypen en bij sapstromen van bomen. De larven van de Witte reus leven in nesten van sociale plooivleugelwespen als de Gewone wesp, Duitse wesp en Hoornaar van dode larven en afval. Omdat ze een functie hebben in de nesten, worden deze "opruimers" door de wespen met rust worden gelaten.Spitskopjes zijn gemakkelijk herkenbaar aan de driehoekige kopvorm. Ze houden van grazige hoge vegetaties. In Nederland komen 3 soorten voor:  het Gewoon-, het Zuidelijk- en het Groot spitskopje. De langst gevleugelde van deze 3, de Grote spitskop, is hier pas in 2019 voor het eerst waargenomen, dus de kans dat je die aantreft is klein. Op de foto zie je het ZUIDELIJK SPITSKOPJE, een soort die in 1990 vanuit het zuiden Nederland is binnen gekomen en nu, 30 jaar later, vrijwel overal in Nederland voor komt.   

Deze soort is niet zo aan moerassen gebonden zoals het Gewoon Spitskopje, maar komt in allerlei ruige kruidenvegetaties voor. Zo zijn ze in wegbermen en vooral in ruige graslanden te vinden. Dit is een nimf, een nog niet volledig ontwikkeld exemplaar dus. Dat is vooral te zien aan de nog niet volledig ontwikkelde vleugels. Een volwassen Zuidelijk spitskopje heeft namelijk een bruine rug en bruine vleugels die langer zijn dan zijn lijf. In tegenstelling tot het Gewoon spitskopje, dat springend door het leven gaat vanwege de korte vleugels, kan deze soort goed vliegen. Vanwege de legboor weet ik dat dit een vrouwtje is. En daarmee is het verschil tussen beide soorten goed te zien; bij het vrouwtje Zuidelijk Spitskopje is dat een vrijwel rechte legboor, terwijl die bij het Gewoon Spitskopje gekromd is.Boktorren zijn gemakkelijk te herkennen aan hun lange voelsprieten. Deze GEVLEKTE SMALBOKTOR  is 11-20 mm groot, de dekschilden hebben een gele kleur met donkerbruine tot zwarte vlekken. Meestal is er sprake van vier rijen vlekken, die echter naar het achtereind toe steeds meer samensmelten tot banden.Daarom wordt hij ook wel Vierbandsmalbok genoemd. Op die manier imiteert hij wespen (mimicry) om zo belagers af te schrikken en aan te ontkomen. 

Dit is een vrouwtje. Vrouwtjes zijn te herkennen aan de sprieten die aan de top lichter worden. Deze boktor verschilt ook van de vergelijkbaar gekleurde soorten door de geheel zwarte poten. De soort kan het beste in overwegend vochtige terreinen en langs beken en sloten worden gezocht op bloemen van braam, distel, duizendblad, peen en berenklauw. De larven ontwikkelen zich in vermolmde zachthoutsoorten als populier en wilg, hoewel ze ook te vinden zijn in els, berk, beuk, eik, hazelaar en soms zelfs in naaldhout. De ontwikkeling van larve tot imago duurt minstens drie jaar.De LIEVELING (Timandra comae) is een nachtvlinder uit de familie spanners. De rupsen van spanners hebben een duidelijk herkenbare manier van voortbewegen: eerst wordt het achterlichaam tot aan de borst opgetrokken, daarna wordt het voorlichaam vooruit geschoven, zodat de rups zich weer over de volle lengte uitspant. Hieraan ontleent de familie haar Nederlandstalige naam. In "allemaal beestjes#15" heb je hierover al e.e.a. kunnen lezen. Het is verder opvallend dat je de vlinders van deze spanners eigenlijk altijd met opengeslagen vleugels ziet.  

Carl Linnaeus (1707-1778) een Zweedse arts en plantkundige gaf deze vlinder de naam “Amanta” (het waarom is mij niet duidelijk), wat we kunnen vertalen als Lieveling. Omdat de Lieveling ook overdag actief is noemen we hem een dagactieve nachtvlinder. Je ziet hem hier van eind mei tot half september. De voorvleugellengte is 15-18 mm. Niet erg groot dus. De grondkleur van de vleugels is roomkleurig bruin met een variabele zeer fijne donkere spikkeling. Dit vlindertje is vooral te herkennen aan de rozerode of roodachtig bruine diagonale lijnen . Bij opengevouwen vleugels lopen deze lijnen zonder onderbreking door van de ene voorvleugel via de achtervleugels naar de ander voorvleugel. Ook de helder rozerode achterrand van de vleugels is kenmerkend. De Engelse naam voor de Lieveling is "bloodvein" (bloedader). Die naam verwijst uiteraard naar die roodachtige dwarslijn, die van vleugelpunt naar vleugelpunt loopt.De GRASWORTELVLINDER  is een gewone soort in geheel Nederland. Hij leeft vooral op open, grazige plaatsen, in bouwland en andere plaatsen waar zijn voedselplanten groeien. De soort heeft 1 generatie per jaar. De vlinder vliegt van eind mei tot september/oktober, maar aan het eind van de vliegtijd zijn de aantallen veel minder.Wat uiterlijk betreft is er veel variatie in kleur; soms komen zelfs vlinders voor met een zwartachtige of diepbruine kleur. Het ligt er ook aan hoe het licht er op valt. Doorgaans is de voorvleugel grijsachtig bruin of strokleurig grijs en loopt tamelijk spits toe. Het is een van de grotere uilen met een spanwijdte van 45 – 55 mm. De vlinder is schemerings- en nachtactief (een nachtvlinder dus) en wordt aangetrokken door licht. Hij rust in de kruidlaag of tegen stammen en palen.Het is opvallend dat deze vlinder zo met zijn vleugels trilt. Dat zie je echter vaak bij nachtvlinders. Ze doen dat om zich zo op te warmen zodat ze kunnen (weg)vliegen. Dat kan voor een fotograaf soms vervelend zijn zoals je op deze foto ook goed kunt zien. 

De eiafzetting van deze vlindersoort vindt plaats in de bladschede van grassen. De rups leeft van augustus tot mei en overwintert als halfvolwassen rups op pollen vormende grassen. De jonge rupsjes eten nog niet van de wortels, maar zitten in een holletje in de grond bij de graswortels net onder het bodemoppervlak.Van daaruit bevreet de oudere rups dan de stengelbasis. De rups wordt vooral in het voorjaar gevonden, kruipend op zoek naar een popplaats. Hij verpopt in de grond.

dinsdag 22 september 2020

Heijkersbroek 2020

Onlangs werd op de site van "Bosgroep Zuid-Nederland" medegedeeld dat er in het Heijkersbroek een klimaatbuffer wordt aangelegd. De Bosgroep zorgt samen met Staatsbosbeheer voor het beheer. Doel van een klimaatbuffer is het bufferen van water als reserve voor droogteperiodes en het vasthouden van water bij een regenpiek om elders wateroverlast te voorkomen. Met de aanleg ervan wil men tevens de kwaliteit van het natuurgebied sterk verbeteren. Ook in Dagblad de Limburger en op de site van de gemeente Leudal en van Dorpsraad Ell wordt uitgelegd wat er gaat gebeuren.
Visvijver in het Heijkersbroek, voorjaar 2012

Laat natuurgebied Heijkersbroek nou net mijn eerste post zijn op mijn blog. Dat gebeurde op vrijdag 19 november 2012. In die post ging ik niet zo diep in op het onderwerp zoals ik tegenwoordig doe; ik beperkte me toen tot de aangelegde visvijver. Ik schreef dat het water in de plas enkel grond- en regenwater was, maar toen ik onlangs de noordkant van de vijver bezocht, zag ik dat er toch water van de Tungelroyse beek wordt ingelaten. Jammer dat dit vanwege het voedselrijke water ten koste van de waterkwaliteit gaat, maar waarschijnlijk gebeurt dit om de vissers tevreden te houden. Wat het aantal dennenbomen betreft, zag ik er alleen aan de hoger gelegen westkant nog wat tussen de loofbomen staan. Ze zullen, zo heb ik begrepen, gekapt worden.

Doorkijkje op de visvijver vanaf de noordzijde in september 2020
Heijkersbroek vanaf de noordzijde in september 2020
Heijkersbroek is de naam van het natuur- en recreatiegebied ten zuidwesten van Ell. Het 55 hectare grote gebied ligt in het beekdal van de Tungelroyse beek. Het was voorheen een moeras en was lang in gebruik als hooiland. Na het kanaliseren van de Tungelroyse Beek, in de beginjaren '50 van de 20e eeuw, is het gebied ontwaterd. De centraal gelegen visvijver is ontstaan na zandwinning, maar het Heijkersbroek is zoveel meer dan de vijver. In deze post wil ik daar wat meer over vertellen.
Populierenbos onttrekt veel water aan de grond.
In de jaren ’60 van de vorige eeuw is er gestart met populierenteelt. Hiervoor werden diepe sloten gegraven en rabatten aangelegd, zodat de bomen iets drogere voeten kregen. Op de hoger gelegen droge westkant werden toen dennen geplant. Het is de bedoeling dat de populieren gekapt worden. Populieren staan er om bekend dat ze veel water aan de grond onttrekken. Deze zijn nu ruim 50 jaar oud en dus ook kaprijp.

Het voormalige moerassig gebied is dichtgegroeid en zoals je ziet kurkdroog
Door de klimaatverandering van de laatste jaren en de diepe ontwateringssloten is het gebied momenteel kurkdroog. Zelfs in de sloten staat geen spatje water. Lang was ontwatering een groot voordeel voor de landbouw, maar door de klimaatverandering gaan we steeds vaker te maken krijgen met extreme droogte enerzijds en anderzijds met extreme regenval, wat leidt tot hinderlijke overstromingen stroomafwaarts omdat het water snel wordt afgevoerd. Water vasthouden in de moerassige gebieden wordt daarom steeds belangrijker.

De meanderende Tungelroyse beek stroomt langs en deels door het Heijkersbroek.

Een sleepspoor van en naar de beek duidt op de aanwezigheid van de bever.
Door de sanering (die in 2005 is afgesloten) is de Tungelroyse beek op de meeste plaatsen weer slingerend gemaakt en kan weer haar vrije gang gaan, waardoor nu meer verschillen in stroomsnelheden, bodemtypen en oevers zijn ontstaan met veel verschillende biotopen. Ook vind je er beversporen. Door het aanleggen van een klimaatbuffer kan het water in het gebied beter vastgehouden worden. Dit zal vooral in het laagste centraal gelegen deel van het Heijkersbroek gebeuren.

Veel opschietende wilgen aan de oostkant
Ongewenste massale wilgengroei  aan de oostkant op de Waerbrookskoel

Wat ik in het plan mis, is dat de "Waersbrookskoel" (Weerenbroekpoel) niet als zodanig wordt genoemd. Het is een laagte ("koel"), die door een zandrug afgescheiden ligt van de visvijver, de Vliet en de Tungelroyse beek. In 2006 is daar de humusrijke bovenlaag verwijderd en er zijn een aantal poelen uitgegraven die door grond- en hemelwater worden gevoed. 

Hier zag je de afgelopen jaren een goede ontwikkeling van 3 verschillende biotopen  met bijzondere vegetatie. Het viel mij nu echter op dat delen van het grasland dicht dreigen te groeien. Met name met wilgen. Er zijn stroken  waar men wilg en els laat opschieten. Zou dat nou de bedoeling zijn? Met de smalle stroken is niks aan de hand, maar ik kan me niet voorstellen, waarom dat ook voor een groot deel gebeurt aan de natte oostkant. Vooral daar zal de weelderige groei van de wilg ten koste gaan van kwetsbare plantjes als kleine zonnedauw, teer guichelheil en klokjesgentiaan.

Ezeltjes zorgen voor de begrazing van de Waerbrookskoel
Er lopen momenteel 3 volwassen ezeltjes en 3 veulentjes voor de begrazing. Dit is echter niet voldoende om het gebied in goede conditie te houden. Ik denk dan o.a. ook aan het behoud van de poelen. Ze staan nu nagenoeg droog, wat op zich geen probleem is. Op deze manier verdwijnen namelijk eventueel vissen, die daar terecht zijn gekomen via kuit aan de poten van eenden, een bedreiging (kunnen) zijn voor de voortplanting van amfibieën. Belangrijk is er op te letten dat de poelen niet dichtslibben en dichtgroeien. Ik neem aan dat ook hier echter werkzaamheden verricht gaan worden. Tenminste dat is te hopen. Het grootste gedeelte van het grasland is in elk geval onlangs al geklepeld en het maaisel is afgevoerd. Nu de rest nog.
De geplande werkzaamheden in het Heijkersbroek bestaan uit de volgende handelingen:
- Het vellen en afvoeren van 2 ha. populieren en opslag van wilg;
- Het verwijderen/plaggen van de voedselrijke bovenlaag en blootleggen van de minerale bodem op 2,5 ha.;
- Het dempen en aanbrengen van gronddammen in de zijsloten van de hoofdwatergang in het Witbosven;
- De aanleg van een lage aarden wal langs hoofdwatergangen om instroom van voedselrijk water in het  natuurgebied te voorkomen;
- Daarnaast komt er een raster om begrazing mogelijk te maken en wordt een 100 meter vlonderpad aangelegd om het gebied beter te kunnen beleven;
- De herplant van nieuw bos staat gepland in het najaar van 2021.

De diepe hoofdsloten staan droog en zijn overwoekerd met brandnetels, bramen e.d.
Ruige vegetatie in het voormalig lager gelegen moerassige gebied.
Op het laagst gelegen gedeelte, tussen de diepe ontwateringssloten (zie tekening) wordt de dichte vegetatie tot een gemiddelde stamdikte van ca. 8 cm verwijderd met bosklepelmaaiers. De achtergebleven stobben worden met de stobbenfrees of mericrusher weggefreesd. Met een bosfrees worden vervolgens de overgebleven houtopstanden verpulverd. Dit kan zowel bij lichte als zware houtsoorten gedaan worden. Het verpulveren van houtopstanden wordt gedaan na het kappen van bepaalde gewassen. Het gebied wordt zo vrijgemaakt om te kunnen plaggen. Dit  houdt in: het verwijderen van de voedselrijke bovenlaag die er is komen te liggen door jarenlange bladval en afstervende planten. Het vrijgekomen materiaal wordt hergebruikt om de sloten en zijsloten gedeeltelijk te dempen om zo het water ook daar langer vast te houden.
De diepe ontwateringssloten zijn volledig dichtgegroeid

 Er wordt niets aan de hoofdwatergangen veranderd, maar om toch water langer in het gebied te kunnen vasthouden, wordt parallel aan de sloten een lage gronddam aangelegd. Zodoende worden kwel en regenwater niet direct via de sloten afgevoerd, maar worden langer vastgehouden en krijgen de kans in de bodem weg te zakken. Bij piekbuien kan hoog water dus nog steeds worden afgewaterd naar de hoofdwatergang, maar wordt het water wel langer in het gebied vastgehouden. Zo wil men voorkomen dat men verder stroomafwaarts met wateroverlast te maken krijgt. Om ook te voorkomen dat bij extreme wateroverlast gebiedsvreemd water vanuit de beek in het gebied stroomt, wordt een lage aarden wal langs de hoofdwatergangen aangelegd.

Het Heijkersbroek is een heerlijk wandelgebied
Heijkersbroek is bij recreanten niet alleen bekend vanwege de visvijver, maar is ook een ideaal wandelgebied vanwege de paadjes die kriskras door het gebied lopen. Bij het Witbosven zal over een oppervlakte van ongeveer 750 m2 dieper gegraven worden, zodat daar een drassig gebied ontstaat. Daar wordt een vlonderpad van zo’n honderd meter aangelegd, zodat wandelaars ook over het toekomstige drassige gebied kunnen lopen.

zaterdag 12 september 2020

Taurossen op de Loozerheide in 2020

Loozerheide in 2013
In juni 2014 schreef ik een post over de Loozerheide met als titel: "Nyrstar op de schop". In november 2014 werden de werkzaamheden daar afgesloten en daarover schreef ik in maart 2015 in "Een nieuwe start op de Loozerheide".

Pijpenstrootjesveld in februari 2014
Populieren in februari 2014
Elzen in februari 2014
De eerste klus was het dempen van de talloze slootjes in de loop van 2014 gedempt en het kappen van de elzenbosjes en populieren, omdat men het oorspronkelijke open landschap weer wilde herstellen. Niet alleen de talloze afwateringssloten en -slootjes zorgden namelijk voor de verdrogingsproblematiek in het gebied, ook de populieren en elzen onttrokken veel water aan de grond.  Wist je bijvoorbeeld dat een volwassen populier in het voorjaar 600 liter water per dag opneemt?????

Loozerheide eind 2014
In de volgende fase heeft men de bovenste laag voedselrijke landbouwgrond op de voormalige akkers en weilanden afgegraven en zijn de eertijds gedempte moerassige laagtes uitgegraven, zodat die weer zouden verschijnen. Er werd toen maar liefst 25.000 kubieke meter grond verplaatst. Door deze werkzaamheden veranderde het landschap drastisch in de afgelopen 5 jaar, zoals je op onderstaande foto's kunt zien.

Loozerheide in mei 2020

Van de zo door Natuurmonumenten geprezen toename van biodiversiteit,  is door de begrazing van de runderen ook hier weinig te merken. Het pijpenstrootje heeft het moeilijk, maar ik weet niet of dat "dankzij" de begrazing is of vanwege de droogte. Van de lupinen die er voorheen massaal groeiden en bloeiden en kleur brachten in het eentonige gebied, is nagenoeg niets meer te zien. Verder zag ik weinig kruidenrijke planten; ze maken ook weinig kans om in bloei te komen vanwege de begrazing door de taurossen.

Blauw walstro op de Loozerheide

Ik vond er echter begin juni wel twee opvallende soorten namelijk het Blauw walstro en de Veldhondstong. Beiden zijn hier zeldzaam.

Blauw walstro (Sherardia arvensis) is een plant uit de sterbladigenfamilie. De plant komt voor op vochtige, open plaatsen in grasland en op akkers met kalkhoudende grond. De soort staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als vrij zeldzaam en zeer sterk afgenomen.



Veldhondstong
   
De Veldhondstong (Cynoglossum officinale) is een tot 80 cm hoge, tweejarige zacht behaarde plant uit de ruwbladigenfamilie. Gedurende het eerste jaar vormt de plant met haar bladen een bladrozet; pas in het tweede jaar vormt ze stengels, waaraan de rode tot blauwe bloemen verschijnen. De taurossen en Exmoors laten de Veldhondstong met rust omdat ze giftig is. De plant bevat alkaloïden. De runderen zorgen waarschijnlijk wel voor de verspreiding vanwege de weerhaakjes die aan de rijpe zaden zitten.

Zoals gezegd, is de plant hier zeldzaam en komt hij in ons land alleen voor in de Noord- en Zuid-Hollandse duinen. De Veldhondstong komt daar op de duinhellingen en in de duinen vooral voor op open, droge, stikstofrijke grond. De grond dient vooral ook kalkrijk en licht basisch te zijn. Hoe de plant hier is terechtgekomen is voor mij een raadsel. Zou het met de lupinen te maken hebben (Lupines zijn in staat stikstof uit de lucht te binden en daarmee de grond te verrijken) of misschien met het nabijgelegen Nystar?

Al sinds februari 2013 wordt het gebied begraasd door Taurossen (Maremmana's) en Exmoor pony's. Nadat in november 2014 het Natuurherstelprogramma was afgesloten, zijn er nog een Maronesa stier en Limia's bij gekomen. Meer hierover kun je lezen in de post "Taurossen op de Loozerheide 2015". Er lopen inmiddels een twintigtal dieren rond. Het zijn kruisingen van Limia X Maremmana, Maremmana X Maronesa en Limia X Maronesa runderen.


Alle foto's die ik eerder maakte van de Taurossen op de Kettingdijk, kun je vinden op de site Flickr. Ook nu laat ik niet alle foto's zien van de dieren, die ik op de Loozerheide fotografeerde.

Wil je ook die allemaal bekijken dan moet je ook hiervoor even een bezoekje brengen aan Flickr.

Blogarchief