Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Translate

Volgers

donderdag 29 juni 2017

Ontginning Hollandia

In de laatste posts heb ik geschreven over ontginningen die begin 20e eeuw in Altweerterheide plaatsvonden. In de post over het Wijffelterbroek zei ik al dat de prachtige omgeving die we hier nu hebben, het gevolg is van dit menselijk ingrijpen. Vooral Karelke is van belang geweest voor het ontstaan van het dorp. Uiteraard mogen we de ontginningen van DelbroekWijffelterbroek, de Kruispeel, Kettingdijk en de talloze kleine ontginningen vóór de 20e eeuw zoals langs de Weerterbeek, Dijkerpeel, Mastenbroek, de Zoom en langs de Heltenboschdijk en Stramproyergrensweg niet vergeten.

In deze post ga ik het hebben over de ontginning van de Kalverpeel en Spekke door de NV. Hollandia uit het Zuid-Hollandse Vlaardingen. De aan de Bocholterweg gelegen boerderijen in de directe omgeving van de Tungelroyse beek zijn de bekendste herinneringen aan die periode. Het zijn opvallende boerderijen, die we bij mijn weten verder in Weert nergens aantreffen. Je treft ze vooral aan in westelijk Zuid-Holland (de zgn. Groene Long).

Deze boerderijen, Centrum en de Beekwoning, hebben hun authentieke karakter behouden en verkeren aan de buitenkant nog in nagenoeg dezelfde staat als toen ze in de periode 1914 - 1920 zijn gebouwd. De lange gevel ligt aan de straatkant en heeft een uitbouw, die oorspronkelijk deels van hout was en door de Hollandse pachters m.n. gebruikt werd als melkkelder en voor de kaasproductie. De kopgevel heeft beneden vier grote ramen, met boven twee ramen. Ze hebben een zogenaamd wolfsdak (de afgeschuinde punt van het dak). Ze zijn gebouwd door de Weerter aannemer Weegels.

Op de Diesterbaan liggen nog twee boerderijen van Hollandia die oorspronkelijk dezelfde bouwstijl hadden. Deze zijn op een dusdanige wijze verbouwd, dat ze bijna niet meer als zodanig zijn te herkennen. Aan de Heihuisweg (in het Kruispeelgebied) ligt de laatste hoeve van Hollandia: de Voorhoeve. Het uiterlijk hiervan is redelijk goed bewaard gebleven.

Het leek me interessant om na te gaan hoe het komt dat deze boerderijen, bekend als de “Hollandia-boerderijen”, hier staan, door wie ze zijn neergezet en wat hun geschiedenis is? Het werd een hele speurtocht..

Na de succesvolle ontginning van het Wijffelterbroek begin 20e eeuw, moest het volgens de Nederlandsche Heidemaatschappij ook mogelijk zijn om datzelfde te realiseren met het nabijgelegen langgerekte doorstroommoeras van Kalverpeel en Spekke. Een gebied van ruim 106 ha, kadastraal bekend onder Sectie K, perceelnummers 1586 en 1590. Het komvormige terrein werd door een zandweggetje in 2 ongeveer gelijke stukken verdeeld. De kanalisatie, verbreding en uitdieping van de Rietloop en een deel van de Spekkebeek zorgde al voor een goede afwatering van het Wijffelterbroek op de verbeterde Tungelroyse beek. Aangezien er ook al een gegraven beek liep van de Zuid-Willemsvaart tot aan de Leegerweg (de huidige Diesterbaan), resteerde alleen nog het gedeelte vanaf Diesterbaan tot Baanbrug. Als dat deel van de Spekkebeek (een afstand van 2950 m) ook nog gekanaliseerd, verbreed en verdiept zou worden, moest een goede afwatering aldaar ook tot een goed resultaat kunnen leiden.  De kosten daarvoor werden geraamd op  fl. 0,40 per meter!!

kadasterkaart van 1902
Hoewel het plan van de ontginning der Kalverpeel en Spekke door de Heide-maatschappij al dateert van 1904 en de gemeente voornemens was de grond te verpachten of te verkopen, heeft het uiteindelijk nog tot 1914 geduurd voor men daartoe kon overgaan. Dat gebeurde toen de NV Hollandia in beeld kwam.
In tegenstelling tot het Wijffelterbroek, heb ik niet kunnen achterhalen of de Nederlandsche Heidemaatschappij de uitvoerder is geweest van deze ontginning. Ik ga er van uit dat Waterschap “het Land van Weert” heeft gezorgd voor de normalisatie van de beek en dat de pachters de ontginning zelf ter hand hebben moeten nemen.

Blad 1 van het plan van aanleg

kaart rond 1900

Dit was de situatie rond Kalverpeel en Spekke in het begin van de 20e eeuw.
Redelijk goed zichtbaar op de historische kaart is de loop van de Spekkebeek, die bij de ontginning genormaliseerd is en waaruit uiteindelijk samen met de Rietloop in het Wijffelterbroek, de Tungelroyse beek van kanaal tot Heltenboschbrug is ontstaan.

Opvallend op de kadasterkaart vind ik perceel 1013 in de Spekke. Dit was privé-eigendom en niet van de gemeente. In het plan, om in de Spekke visvijvers aan te leggen, adviseerde de NHM dan ook om dat perceel aan te kopen.
De grondwaterstand was over het algemeen zeer hoog en het grootste gedeelte van het gebied stond lange tijd van het jaar dan ook onder water. De vegetatie was te vergelijken met die op het Wijffelterbroek: wilde grassen, dopheide, gagel, riet, gentiaan enz. en op de hogere gedeelten struikheide.

Vanwege de lage ligging van vooral Spekke, zouden ondanks normalisatie van de Spekkebeek, (op de historische kaart van 1900 deels te zien) grote delen drassig blijven en gedurende langere tijd zelfs onder water staan. Het hoogteverschil is op de actuele hoogtekaart nog goed te zien. Daarom was de Spekke volgens de NHM eigenlijk ook beter geschikt om in te richten als visvijvers. Vroeger lagen hier de “Costeriusweyers”, wat er op duidt dat er toen ook al visvijvers lagen (de leden van de familie Costerius of Costers, waren in de 18e eeuw rentmeesters, de beheerders dus, van het onroerend goed, voor de heren van Weert).


Niet alleen de “woest liggende gronden” en het grasland langs de beek werden dus voorheen verpacht. Ook delen van de Kalverpeel en Spekke met de daarbij behorende beken werden, zoals je ziet in het krantenbericht, tot eind 19e , begin 20e eeuw, nog verpacht als viswater.
Ook na de ontginning werd er overigens nog met platte schuiten regelmatig gevist (op paling).
Dit duidt op de drassige toestand en dat delen van het gebied nog lange tijd onder water stonden. Pas na de uitdieping van de Tungelroyse beek in de jaren ’60 kwam hier een eind aan.


In hoeverre de uitvoering in 1914 overeen komt met het oorspronkelijke plan van 1904, is mij niet duidelijk, aangezien ik daarover helaas niets heb kunnen vinden. Ook heb ik helaas het contract niet kunnen vinden, zodat ik niet weet hoe e.e.a. werd aangepakt, hoeveel grond Hollandia exact pachtte en onder welke voorwaarden. Jammer ook dat ik zodoende niet heb kunnen ontdekken hoe nou precies de loop van de de Spekkebeek en Rietloop was, hoewel dat wel enigszins is te zien op de historische kaart van rond 1900.

Wat betreft de Spekke is wel duidelijk dat men het oorspronkelijke plan om er visvijvers aan te leggen, heeft laten varen. Ik ga er wel van uit dat de ruim 106 ha. zoals op blad 1 van het plan wordt vermeld, onder handen zijn genomen. Na bodemonderzoek bleek overigens dat ongeveer 7 ha. op de hoge gedeelten niet geschikt was, omdat het lange, smalle en waardeloze stroken grond waren. Ook werd + 1,7 ha. door wegen in beslag genomen. Iets wat ik best veel vind. Bleef dus uiteindelijk 97 ha. over.
Het plan om in de Spekke ca. 60 ha. als visvijvers aan te leggen ging niet door, omdat Hollandia andere bedoelingen had met de grond, namelijk de teelt van suikerbieten!

In het rapport wordt vermeld dat het lage gedeelte van de Kalverpeel, (groot 37,8 ha.) geschikt was voor gras- klaver- c.q. hooiland. Met het oog op de instandhouding van de vruchtbaarheid van de grond en “vorming van ene goede zode” werd het bovendien nodig gevonden om jaarlijks te bemesten en om het andere jaar te beweiden. Het andere jaar kon het grasland gebruikt worden als hooiland. Slechts een klein deel was maar geschikt als bouwland.

Met een geschatte opbrengst van fl. 55,- en fl 40,- aan o.a. kosten voor bemesting en onderhoud, bleef naar verwachting een winst over van fl. 15 per ha.De rentabiliteit mocht dan wel laag lijken, de NHM stelde daar tegenover dat niet uit het oog mocht worden verloren dat het hier grond betrof die ver verwijderd lag van station, kanaal, of kiezelweg en alleen via slechte wegen te bereiken was. Als er niets mee gedaan werd, was de opbrengst echter nihil…..

Daarom was de NHM dan ook optimistisch: “gerust mag men dan ook aan- nemen, dat bij eene goede drooglegging, oordeelkundige bewerking, rationele bemesting en degelijk onderhoud, de grond goede opbrengsten kan leveren”.


Het is bijzonder dat een bedrijf uit Vlaardingen (Zuid-Holland) zijn oog liet vallen op dit natte, afgelegen en woeste gebied. Waarom daar en met welke bedoeling, zo kun je je afvragen ?
Om antwoord te krijgen op deze vraag, gaan we terug naar het jaar 1843.

Op 16 september van dat jaar werd in Asten Constant Hendrik Wagenaar Hummelinck geboren (de naam Wagenaar heeft hij later zelf toegevoegd). Zijn vader, die van oorsprong uit de Achterhoek (Zelhem) kwam, was belasting-ambtenaar in Asten. Zijn moeder Antonetta Henrica Julia Schreij kwam uit Budel. Constant moet een ondernemend type zijn geweest, want als jonge knaap monsterde hij al aan op het schip waar een familielid kapitein was en voer hij o.a. rond Kaap Hoorn (de zuidelijkste punt van Zuid-Amerika).

In 1867 ( hij is dan 24 jaar) gaat Constant, hoewel hij daar de opleiding niet voor had, het leger in. Hij werd gelegerd in de volgende garnizoens-plaatsen: Kampen, Bergen op Zoom, Breda en Gorkum. In die laatste plaats leerde hij zijn vrouw, Cornelia van Andel, kennen. Zij trouwden in 1871 en via haar leerde hij haar broer kennen, die net een suikerfabriek in Gorkum had opgestart.
Constants carrière in het leger vorderde gestaag. Hij bleek ook een brede belangstelling te hebben. Zo was hij o.a. mede-auteur van een handboek voor de soldaat en ontwierp hij een “inrichting voor schietoefeningen binnenshuis”.
In 1880 werd hij bevorderd tot 1e luitenant bij de Grenadiers in Den Haag.

Hij had intussen interesse opgevat voor een Amerikaanse uitvinding van 1856: het condenseren van melk.

Melk is een vers product en zelfs gekoeld is het maar enkele dagen houdbaar. Om de houdbaarheid te verlengen werd melk gesteriliseerd, maar hierdoor verloor het veel van haar smaak. In de Verenigde Staten was het een uitvinder, Gail Borden genaamd, gelukt om een deel van het water uit de melk te verdampen in een zgn. onderdrukketel. Als conserveermiddel werd per 1000 liter melk 170 kg. suiker toegevoegd. Als 7 van deze indampers waren doorlopen, ontstond een dik stroperig product. Deze geconcentreerde en gecondenseerde melk was zeer lang houdbaar en kon met water verdund worden. Het pasteuriseren is pas vanaf 1886 toegepast.
Wagenaar Hummelinck dacht dat dit procédé wel eens erg geschikt zou kunnen zijn om in Nederland toe te passen, omdat er veel melk en bietsuiker was en ook omdat de afzetgebieden (met name Engeland) dichtbij waren. Hier wilde hij mee aan de slag. In 1881 nam hij dan ook ontslag uit het leger en reisde af naar Zwitserland om dat procédé te bestuderen. In 1866 had daar nl.een oud-consul van de VS, Charles A. Pages, samen met zijn broers een condenseerfabriekje opgericht. Best een grote stap voor de jonge Wagenaar om een zekere baan en een mooie carrière in het leger hiervoor op te zeggen.

Terug in Nederland kwam de vraag waar de nieuwe fabriek moest komen.Het werd Vlaardingen. Daar stond een leeg pand waar de “Hollandsche Boterfabriek Vacca” (in 1877 opgericht door J.W. Muurling van rederij “Het Noorden”) in had gezeten en die al na korte tijd failliet was gegaan.
Bovendien was dichtbij in het achterland, met de grazige weiden van het Groene Hart, voldoende melk te kopen. De suiker zou onder andere uit de fabriek van zijn zwager in Gorkum komen en de afvoer van de producten kon via het water. Bovendien was de vissersvloot van Vlaardingen niet lang daarvoor sterk in aantal teruggebracht door teruglopende vangsten, dus er was werkvolk genoeg.

In 1882 werd de “NV Hollandia” (voluit: "Hollandsche Fabriek van Melkproducten NV Hollandia") opgericht met enkele vermogende Haagse bekenden van de oprichter als grootaandeelhouder.


De fabriek begon met ongeveer 10 personeelsleden, die eerst het procédé onder de knie moesten krijgen. Dat verliep naar wens, maar lastiger was het om bij de boeren de melk te kopen. Deze boeren waren namelijk gewend om hun melk aan melkslijters te verkopen, of ze maakten er zelf boter en kaas van. De eerste jaren werd er dan ook nog verlies geleden en pas in 1888 kwam de eerste winst. De boeren uit de nabije omgeving brachten de melk zelf naar Hollandia. Degenen die verder woonden, lieten hun melk vervoeren per schuit naar het Delftse Veer. Daar werden de schuiten dan opgewacht door de met paard bespannen wagens van Hollandia.
Karakteristiek voor het bedrijf was later de in 1937 gebouwde schoorsteen, ook wel de “Hollandiapijp” genoemd. Deze is circa 1960 gesloopt.
In de fabriek was ook een aparte blikslagerij en een timmerwerkplaats voor de kratten waarin de blikjes vervoerd moesten worden.

Voor de afzet van deze melk moet je denken aan:
- Melk voor kinderen. Kinderen dronken de zoete, dikke melk liever dan de verse melk en er zaten geen ziektekiemen in. Het was niet voor baby’s bedoeld, vanwege het ontbreken van vitamine A en D en het hoge vet- en suikergehalte.
- Melk voor de gewone man, vanwege de lage prijs t.o.v. verse melk. De melk werd dan verdund met water.
- Daar waar geen verse melk voorhanden was. Zo zou de gecondenseerde melk o.a. in WO I een nieuwe grote afzetmarkt krijgen, omdat het vanwege de slechte aanvoerlijnen geen verse melk kon zijn.
- Voor export naar met name het Verenigd Koninkrijk en de tropen.

De Hollandia kwam tot bloei en er werden nieuwe melkfabrieken in Bolsward en Purmerend gebouwd of overgenomen. Naast de fabriek in Gorkum (die in 1905 bruto ± 70.000.000 Kg. bieten verwerkte) kwam ook in Bergen op Zoom een suikerraffinaderij. In 1897 bij het 15-jarig bestaan van de onderneming verwerkte Hollandia al zo’n 100.000 liter melk per dag.

Om verzekerd te zijn van een continue toevoer van suiker, werd in 1899 door Hummelinck nog een vergunning aangevraagd en verkregen voor de bouw van een suikerraffinaderij aan de Koningin Wilhelminahaven in Vlaardingen.

Constant Wagenaar Hummelinck bleek een sociaal voelend mens, die veel aandacht besteedde aan het welzijn van zijn personeel. Zo kende de onderneming een ziekenfonds, een pensioen- en ondersteuningsfonds en een ongevallenverzekering. Verder was er bij de fabriek een schaftlokaal (dat ’s avonds als gymnastieklokaal diende) en een bibliotheek.
Aan de fabriek waren diverse verenigingen verbonden voor muziek, zang, toneel en zwemmen. Er werd zelfs een voetbalvereniging en een gymnastiekvereniging opgericht voor de werknemers. Voor de kinderen van zijn werknemers liet hij een speeltuin aanleggen.

Zijn zoon Marius was later een van de oprichters en mede-eigenaar van het in 1919 opgerichte voedingsmiddelenconcern CSM (Centrale Suiker Maatschappij). Het Nederlands voedingsconcern CSM is voortgekomen uit de bietsuikerindustrie. De Centrale Suiker Maatschappij N.V. is opgericht voor de productie van suiker uit suikerbiet, zodat Hollandia ook verzekerd was van voldoende suiker voor haar productie van gecondenseerde melk. Het was een fusie tussen NV. Hollandia, NV Wester Suikerraffinaderij en 14 particuliere suikerfabrieken.
In 1929 kreeg de Zwitserse firma Nestlé de meerderheid van de Hollandia-aandelen in handen, waarna de productie van gecondenseerde melk werd verplaatst naar hun vestiging in Bolsward.

Het bedrijf zou uitgroeien tot een wereldbedrijf (met 1500 man in dienst in 1932) met exportkantoren in Engeland, Frankrijk, de VS, Nederlands-Indië en Griekenland.
In 1959 werd het “ingelijfd” door voedingsmiddelengigant Nestlé, die de aandelen Hollandia weer snel wilde afstoten. ( bron: NRC, 1 maart 1995).

CSM wilde niet hetzelfde lot ondergaan dan Hollandia en kocht de aandelen CSM die Hollandia nog in bezit had, terug in 1961. Deze aandelen waren zogeheten niet-royeerbare certificaten. Certificaten, die voor de aandeelhouders geen stemrecht met zich meebrachten en dus bedoeld waren om “vijandige overnames” af te slaan (bron: Trouw, 27 november 1998).
Vanaf midden jaren zeventig van de vorige eeuw is CSM uitgegroeid tot een groot concern (sinds 2013 Corbion) dat merken voert als bijvoorbeeld Venz, De Ruijter, Honig, Venco en Hak. (bron: Wikipedia)

De oude Hollandia-fabriek in Vlaardingen was tot 1973 eigendom van het Nestlé-concern. Twee jaar later is het pand door de gemeente aangekocht en van 1977 tot 2014 in gebruik geweest als cultureel centrum “de Vrije Academie”. Momenteel schijnt het nog steeds geen bestemming te hebben.


In 1912 begon Wagenaar Hummelinck zich zorgen te maken over de opkomst van boerencoöperaties. Het werd steeds moeilijker om aan voldoende suiker te komen voor zijn product. De suikerbieten werden vooral geteeld in de kleigebieden van onder andere West Brabant en daar kochten de coöperatieve bietsuikerfabrieken de meeste suikerbieten op. Hij dreigde daardoor in problemen te komen en besloot dat er niks anders op zat dan zelf suikerbieten te gaan verbouwen.
Zo kon hij ook zelf proeven doen om de suikerbietproductie te verbeteren en te verhogen en de suikerbietcultuur te introduceren op de zandgronden in Nederland. Daarmee wilde hij aantonen dat de suikerbietenteelt ook op zandgronden mogelijk was en zou hij misschien andere boeren kunnen overhalen om ook suikerbieten te gaan telen (en deze dan natuurlijk aan de NV. Hollandia verkopen).
Voor dat doel pachtte de NV. Hollandia onontgonnen grond in Lunteren (op de Veluwe), Venray en Altweerterheide. Wagenaar Hummelinck kocht ook in 1912 "Ontginning Heihuis" (111 ha.) aan de Houtsberg in Nederweert-Eind.  In Altweerterheide liet hij dus zijn oog vallen op het nog onontgonnen gebied Kalverpeel en Spekke. Opzet was om op die grond boerderijen te bouwen en die vervolgens te verpachten.

Dat kwam de gemeente Weert natuurlijk goed uit, want al in 1904 liep men met de gedachte rond om de Kalverpeel en Spekke te verpachten of anders te verkopen.
Het plan om te ontginnen, is ontstaan naar aanleiding van het voorstel door de Nederlandsche Heide-maatschappij, dat uiteindelijk bij iedereen instemming vond. In 1900 was de NHM namelijk begonnen met de ontginning van het Wijffelterbroek en daarvoor was uitdieping, verbreding en normalisatie van de Rietloop en een deel van de Spekkebeek nodig. De Spekkebeek liep ook door de Kalverpeel en Spekke. Normalisatie van die beek maakte het gemakkelijker om ook Kalverpeel/Spekke te gaan ontginnen. In 1904 presenteerde de NHM haar rapport aan de gemeente.

Het duurde uiteindelijk nog tot 30 augustus 1912 voordat het definitieve besluit genomen werd. Nu was het zaak er een koper of pachter voor zien te vinden…….

En die vond men dus in 1914 in NV. Hollandia. Zoals je ziet werd men het snel eens en kwam men tot een overeenkomst. De pacht werd aangegaan van 1914 tot 1964. De grond werd dus gepacht voor een periode van 50 jaar. De pachtprijs bedroeg bij de start fl. 5,- per ha. Hollandia had in eerste instantie 6 boerderijen in gedachten, wat neerkwam op ca. 16 ha. per boerderij. Uiteindelijk werden het er 4 met ieder ruim 20 ha. De Voorhoeve, die in het Kruispeelgebied ligt, is hier niet bijgeteld.
Het is eigenlijk vreemd dat de keus van Hollandia op de Kalverpeel en Spekke viel, want alleen de Kalverpeel (zo bleek na waterpassing door de NHM) kon voldoende worden drooggelegd om dan ook nog maar deels tot bouwland te worden omgevormd. De Spekke was hooguit geschikt als gras- en/of hooiland. De woeste en nog onontgonnen grond lag bijna 1½ uur gaans van de stad, maar de pacht was laag en het lag dicht bij de Zuid -Willemsvaart, wat handig was voor de afvoer van de suikerbieten. De gemeente Weert werkte (uiteraard) goed mee, maar Wagenaar Hummelinck heeft zich toen blijkbaar niet gerealiseerd, dat het drassige gebied waarschijnlijk niet zo geschikt was voor de suikerbietenteelt.

Constant Wagenaar Hummelinck heeft van de uitvoering zelf niets meer meegekregen, want na een kort ziekbed is hij in 1914 op 70-jarige leeftijd overleden. Zijn zoon Marius Gerrit(1878-1944), die overigens al sinds 1900 adjunct- directeur was, nam samen met zijn oudere broer Jan Maurits, de leiding van het bedrijf over.

Ik weet niet waarom Floris van den Berg daar al vóór de pacht in ging, door Hollandia als rijksveldwachter werd aangesteld. Ik vermoed om toezicht te houden en mogelijk misbruik te voorkomen en er tegen op te treden. Kort nadien is in de jaarverslagen sprake van Wouter van den Berg als toezichthouder en aanspreekpunt. Hoewel er waarschijnlijk een familieband is, weet ik niet wat hun relatie was.

De NV Hollandia maakte jaarverslagen voor de afdeling Landbouw en Veeteelt, waardoor er vrij veel over de beginjaren van de Hollandia- ontginning bekend is tot het jaar 1925. Deze verslagen bevinden zich in het archief van Vlaardingen.
Rob Ruijs uit Den Bosch heeft die ingezien en een interessant verslag gemaakt. Met instemming van hem, heb ik goed gebruik kunnen maken van die gegevens. Waarvoor mijn dank.
Hieronder staan een aantal fragmentjes uit dat verslag.

In een prachtig handschrift, geschreven op foliovellen, beschreef het hoofd van de afdeling, de heer van der Molen vanaf 1914 tot in de jaren ’20 de toestand van de drie ontginningen in het zuiden des lands. Het is bijzonder om te lezen hoe het aanvankelijk enthousiasme steeds minder werd.

Zo schrijft inspecteur Van de Molen in het eerste bewaard gebleven verslag (1914): “Er valt niet aan te twijfelen, of na korte of lange tijd zal zich het in deze ontginning gestoken geld rendabel maken.” Uit ditzelfde verslag blijkt dat Van der Molen in 1914 drie keer naar Weert is afgereisd. Omdat de spoorlijn tot Weert is doorgetrokken lukt het nu om in een dag op en neer te reizen. Bij zijn visite ziet Van der Molen “100-den bij 100-den bunders, waar de bietencultuur met succes te propageren valt”. Ook meldt hij dat de opzichter W. van den Berg ter plaatse te vertrouwen valt. In 1914 staat in het jaarverslag dat het plan is om 6 boerderijen te bouwen. In het verslag van 1915 staat dat er 4 zijn gebouwd. In juni 1914 is aan aannemer H. Weegels de opdracht gegeven om voor f 9.300,-- vier boerderijen te bouwen, te weten: Centrum en Beekwoning, Peelwoning en Bietwoning. Het verhaal gaat dat de aannemer zo zuinig bouwde dat hij van de overgebleven materialen daarna nog een vijfde woning heeft kunnen bouwen: de Voorhoeve (Heihuisweg).

De opbrengst van de Hollandia- boerderijen bedraagt in het eerste jaar 150.000 kg bieten. Daarnaast leverden boeren uit de buurt (blijkbaar geïnspireerd door de verbouw van Hollandia-suikerbieten) nog eens 140.000 kg. De olievlekwerking waarop Hummelinck had gehoopt, begint dus direct. Opvallend is dat een relatief groot deel van de grond ook wordt gebruikt voor gewassen als haver en tarwe*.

(* De niet kapitaalkrachtige boeren waren autarkisch: ze wilden zelfvoorzienend zijn en produceerden op de eerste plaats om zichzelf en hun eigen vee te voeden.)

Dat er al zo snel suikerbieten geproduceerd worden, is eigenlijk best opmerkelijk. De Kalverpeel, waar de boerderijen staan, was nog één grote woestenij, een moeras. De grond was eigenlijk niet echt geschikt voor bietenteelt (dat werd later ook steeds meer duidelijk), maar de “wil van de baas was wet”…..
Dat dit stuk grond in zo korte tijd omgetoverd is in vruchtbaar akkerland, is echter een grootse prestatie van de pachters.


Hoe de tijdgeest toen was, liet gemeenteraadslid Mertens blijken tijdens een raadsvergadering in januari 1914. “Lieden van een andere gezindte”(protestantse boeren dus), die van boven de rivieren kwamen, waren voor sommige mensen niet echt welkom. Zeker als ze ook nog eens weinig kapitaal meenamen. Ook voor veel traditioneel gezinde katholieke inwoners van Altweert moet dit toen een hele omschakeling zijn geweest. Gelukkig hebben we die tijd al lang achter ons gelaten.

Het optimisme dat nog te bespeuren was in het verslag van 1914, is in 1916 al helemaal weg: “Ook nu weer kunnen we, waar het onze boerderijen geldt, niet anders dan klagen”. Er is ook sprake van weinig medewerking van de gemeente Weert voor de niet-katholieke kandidaat-pachters, die ook nog eens niet erg kapitaalkrachtig blijken te zijn.

Uit de verslagen blijkt ook dat de boerderijen moeilijk te verpachten te zijn en er veel wisseling van pachters is. Ik neem aan dat de moeilijke werkomstandigheden, de tegenvallende opbrengsten vanwege de bodemgesteldheid en de afgelegen ligging daarin ongetwijfeld een rol hebben gespeeld. De pachters zijn zich ook al snel steeds meer gaan oriënteren op veeteelt, de productie van suikerbietenzaad en andere gewassen zoals aardappelen en graan i.p.v. de door Hollandia gewenste suikerbietenteelt.

Het jaarverslag van 1918: “het oorspronkelijke doel van de bedrijven is niet bereikt”. Als reden wordt weer de oorlog genoemd en hoopvol constateert Van der Molen, dat het nu eindelijk vrede is en dat die ook voorspoed zal brengen voor de boerderijen.
In het verslag is te lezen dat Pieter Bastiaan Rooseboom uit Zegveld (Woerden) op de Bietwoning zat. Op Centrum zat in dat jaar J. Brouwer en de Peelwoning was aan Jan de Wit uit Utrecht verpacht. Wouter van den Berg was daarom van daar naar de gereed gekomen Beekwoning gegaan. Van den Berg was tevens toezichthouder en aanspreekpunt voor Hollandia.
* Na 3 jaar heeft de Wit de pacht al opgezegd en bij Delbroek grond (van de gemeente?) gekocht en er een boerderij op gebouwd. Willem Smeets heeft toen de pacht op de Peelwoning overgenomen.

In het verslag van 1920 wordt vermeld dat Hollandia geen eigen suiker-fabrieken* meer bezit. Er wordt zelfs overwogen de ontginningen, die toch hoofdzakelijk bedoeld waren voor de bietenteelt, stop te zetten.
* Hollandia was in 1919 mede-eigenaar van de CSM (Centrale Suiker Maatschappij) geworden. Er was niet alleen overcapaciteit, vanwege de import van ruwe rietsuiker uit Cuba, maar ook een afnemende bietenteelt (bron: NRC,1 maart 1995). Samen zouden ze sterker staan tegenover de felle buitenlandse concurrentie…………..

Pas in het jaarverslag van 1925 klinkt voor het eerst iets van hoop: “voor de eerste keer geeft de balans een gevoel van opluchting”. Er is weer verlies geleden, maar er is hoop op vooruitgang, ware het niet dat er bij de pachters 3 runderen, 2 varkens en 3 schapen zijn doodgegaan. Ook viel de veehandel tegen door de lage prijzen. In advertenties zien we de verkoop van koeien, varkens, klaver, hooigras, witte haver en rode star aardappelen, maar van suikerbieten is totaal geen sprake. Ook in het inventarisoverzicht van 1925 staan geen suikerbieten voor Hollandia vermeld. De voederbieten die worden genoemd, zijn voor het eigen vee bedoeld. Het is opvallend dat in dat overzicht de Voorhoeve niet meer genoemd wordt!

Na 1925 zijn er blijkbaar geen jaarverslagen meer gemaakt, of ze zijn verdwenen. In augustus 1923 was ook al Landgoed het Heihuis in Nederweert onderhands verkocht. Als mede-eigenaar van het in 1919 opgerichte voedingsmiddelenconcern CSM (Centrale Suiker Maatschappij) was Hollandia waarschijnlijk niet meer afhankelijk van een goed rendement op haar ontginningen! Hoewel ik dat natuurlijk niet met zekerheid kan zeggen.


De Peelwoning is op 5 oktober 1925 geheel uitgebrand. Gelukkig was Hollandia hiervoor verzekerd en dekte (zo is te lezen in het exploitatierapport van dat jaar) de verzekering de schade á fl. 5000. De boerderij werd herbouwd en kreeg toen meer het karakter van een langgevelboerderij, ook al bleef het wolfsdak behouden.

  Ergens in de jaren ‘30 moeten 2 Bosman windwatermolentjes, die hard nodig bleken te zijn, geplaatst zijn bij de beek. Ze zijn waarschijnlijk geïntroduceerd door de uit Zuid- Holland en Utrecht afkomstige pachters, die natuurlijk veel ervaring hadden met de afvoer van overtollig water. Vooral het molentje in de Spekke, vlak bij het kerkebrökske, heeft tot beginjaren ’60 goede diensten verricht.

Ondanks de vele brede afvoersloten is het gebied daar echter altijd drassig gebleven. Pas toen de Tungelroyse beek in de jaren ’60 is verdiept, hadden ze geen nut meer en zijn ze weggehaald.

Al met al werd steeds duidelijker dat de ontginning niet bracht wat Hollandia er van verwacht had. Ook de vele wisselingen van pachters was een teken dat het dat ze het moeilijk hadden in de drassige Kalverpeel en Spekke.
De verbouw van suikerbieten en het rendement van de Hollandia boerderijen was, zoals we zagen, allerminst een succes. Zeker in de crisisjaren werden de bezittingen in Altweerterheide ongetwijfeld meer als last dan als lust ervaren.

We zien dan ook meerdere verzoeken in de jaren dertig om de pachtsom te verlagen,maar de gemeente ging daar met uitzondering van 1933, zoals je in de kranten- artikelen kunt lezen, niet op in. In de beginjaren '30 hadden de pachters het moeilijk op Hollandia en om die te behouden was Hollandia wel genoodzaakt de pacht te verlagen.Ook de gemeente kon daar toen in meegaan.

* ps. Latere verzoeken werden telkenmale afgewezen, omdat Hollandia de opgemaakte balans en winst - en verliesrekening niet wilde laten zien.

Hollandia had het liefst onder haar verplichtingen uit willen komen, maar ook al kreeg de Zwitserse firma Nestlé in 1929 de meerderheid van de Hollandia- aandelen in handen, de gemeente wilde hier niet aan meewerken.
De mogelijkheid om de pacht stop te zetten deed zich pas voor in 1959, toen de NV Hollandia “ingelijfd” werd door deze voedingsmiddelengigant. Toen de CSM haar aandelen terug kon kopen in 1961, hield Hollandia in feite als zelfstandig bedrijf op te bestaan.


Op 11 november 1961 kon eindelijk de pachtovereenkomst voortijdig worden opgezegd.


Nadat de gemeente in eerste instantie de boerderijen en grond nog verpachtte, werden 4 jaar later (augustus 1966) Centrum en Beekwoning al verkocht aan respectievelijk Arie Jongebreur en Janus Blok. Janus is de zoon van Leendert Blok, die al sinds 1940 de Beekwoning pachtte.
Wanneer de Bietwoning is verkocht aan Bèr Mols is onbekend, maar dat is ongetwijfeld ook omstreeks die tijd zijn geweest. De Peelwoning was al eerder, namelijk sinds 1957 het eigendom van Jan Tullemans van de Boshoverheide, waarover later meer. Over de Voorhoeve is dat niet bekend.


Dat de pachters van de Hollandia- boerderijen het lange tijd niet gemakkelijk hebben gehad, is onder andere goed te zien bij Centrum. In 40 jaar tijd hebben hier namelijk welgeteld 6 pachters gewoond.
De eerste pachter in 1918 was J. Brouwer. Het enige wat ik van hem heb kunnen ontdekken, is dat die in 1923 de pacht heeft opgezegd.



Na zijn vertrek kwam J. Davelaar. Dat een Davelaar daar pachter is geweest, was nieuw voor mij. Ik vond bij toeval een advertentie van 1 mei 1925, waarin door een zekere J. Davelaar op Centrum gevraagd werd om een boerenknecht. Na 9 jaar hield deze het al voor gezien. Hij zette in maart 1932 zijn hele hebben en houden te koop in de krant en in april van dat jaar is hij naar De Bilt verhuisd. Bij zijn te koop staande inboedel zien we o.a. kaasvormen, een kaaspers, een karn en tonnen staan. Hij verkreeg dus vooral inkomsten met de kaasbereiding, maar het feit dat hij slechts 4 koeien te koop aan bood, is een veeg teken; hij is in deze crisistijd zeker niet uit luxe vertrokken……

Na het vertrek van Davelaar in 1932 werd J. van Woudenberg hier pachter. Deze zat daar voor op de Bietwoning. Toen hij na 7 jaar al weer vertrok in 1939 (reden onbekend) werd Driek Stals de pachter op Centrum. Die heeft hier gewoond tot 1948. Stals is vertrokken omdat hij de boerderij van zijn ouders in Tungelroy kon overnemen.

 Toen is Huibert Schouten (1916-1980) uit Zwammerdam (Zuid- Holland) als veehouder op Centrum komen wonen. Schouten was getrouwd met Cornelia Fokker (1923-2014) en ze kregen 7 kinderen. Hij heeft Centrum gepacht tot 1956. In maart van dat jaar verhuisde hij met zijn gezin naar Woerden, waar hij op 29-10-1980 is gestorven en begraven.

Enkele maanden voor het vertrek van Huibert Schouten is ook een zekere Piet D. Schouten in januari vertrokken naar Borgharen (bij Maastricht). Hij was woon-achtig op Bocholterweg 57 (bron: Land van Weert, 13 januari 1956). Dit was toen het adres van de Beekwoning. Pieter was een neef van Huibert en was een tijdje als knecht werkzaam bij Leendert Blok.

Achterkant van de verbouwde Centrumhoeve gezien van de Tungelroyse beek.  Foto mei 2017
Na Schouten kwam Arie Jongebreur (1929-2002) uit Bodegraven in Centrum. Arie was getrouwd met Rietje Blok (1932-2016) uit Altweerterheide. Rietje is een dochter van Leendert Blok, die sinds 1940 op de Beekwoning woonde. Ze was vertrokken naar het westen en had daar Arie leren kennen. Na hun trouwen zijn ze op Centrum terecht gekomen, omdat Arie thuis niet op de boerderij terecht kon.Er was na zijn overlijden geen opvolger die het boerenbedrijf wilde overnemen en nu wonen dochter Mieke en haar tante Annie Blok in de prachtig gerenoveerde woonboerderij. Deze was in 2002 al door Arie in 2 woningen gesplitst.

Tungelroyse beek mei 2017
Niet lang nadat Jongebreur op Centrum is komen wonen, werd het boeren op Hollandia aantrekkelijker, omdat de Tungelroyse beek begin jaren ’60 werd verdiept en het gebied minder drassig was.
Jongebreur en ook Blok waren boeren uit Z. Holland, die zich toen voornamelijk toe legden op melkrundvee en een ambachtelijke kaasmakerij (later ook nog een varkensfokkerij).

Vergezicht op de droge Spekke, met bij de huizen de Wijffelterbroekdijk.  Foto mei 2017
Natte weilanden waren daarom dan ook niet echt een probleem. Anders was dat met de pachters op de Bietwoning, Peelwoning en Voorhoeve. Die hadden gemengde bedrijven en waren maar wat blij met deze ingreep. Drina, een dochter van Driek Stals, vertelde me dat ze ooit als kind had moeten meehelpen met het rooien van bieten, terwijl het water tot bijna aan haar knieën stond…….
“ Eindelijk, nu begint het er op te lijken…..” zo verzuchtte ook de toenmalige pachter op de Bietwoning Bèr Mols destijds.

De Spekke is nu voornamelijk in gebruik als akkerland.  Foto mei 2017
Door de versnelde waterafvoer, is het gebied sindsdien zelfs zo droog geworden, dat ook op de voormalige drassige Spekke akkerbouw mogelijk is. Voor de weidevogels, die je er voorheen in grote getale aantrof, is dat uiteraard een minder gunstige ontwikkeling geweest.



In het Hollandia-verslag van 1918 lazen we al dat Pieter Bastiaan Rooseboom (juli 1873-?) uit Zegveld (gemeente Woerden), de Bietwoning pachtte. Rooseboom zag blijkbaar weinig heil in het “gewone” boerenwerk.



In meerdere advertenties in Kanton Weert is te lezen dat hij wekelijks kon zorgen voor aanvoer van m.n. roodbonte (!) koeien. Ik vraag me af of hij zich is gaan toeleggen op de handel in koeien en varkens door zijn contact met Jan Hendriks (handelaar en ontginner van Karelke). In 1926 en 1927 vond de openbare verkoop van zijn vee in elk geval regelmatig plaats in café Karelke of op zijn boerderij in het dorp.

Hij was namelijk gestopt op de Bietwoning (1925) en had een boerderij in “de onmiddellijke nabijheid der R.K. Kerk” gebouwd.
In de dorpskern lagen rond 1930 slechts 5 boerderijen in de buurt van de kerk: beej Graadje Rietjens, beej Kûmpe, Menderkes Perjan, beej Pikkels Dreeske en Roosebooms boerderij lag tegenover de Paol, op perceelnummer 1776.

Blijkbaar was dat toch niet wat hij er van verwacht had, want in 1928 stond zijn boerderij al in de verkoop. Die is door Pier Janssen (1869-1941) uit Roosteren gekocht. Pier moest noodgedwongen uit Roosteren vertrekken vanwege de aanleg van het Juliana-kanaal (1925-1935).

Zijn zoon Bert ging na zijn trouwen in 1936 naar de Maria-hoeve die iets verderop was gebouwd.
Pier's dochter Bet heeft met haar man Dirk Koller na hun trouwen nog enkele jaren meegewerkt op de boerderij, omdat er thuis voor Dirk geen werk was. Hij was in 1927 met zijn ouders vanuit Stoutenburg-Achterveld (Utr.) in Sterksel komen wonen. Zijn vader had daar na het faillissement van Maatschappij "De Heerlijkheid Sterksel", namelijk grond kunnen kopen. Enkele jaren later, toen de boerderij van Dirk en Bet naast de ouderlijke woning klaar was, zijn ze weer naar Sterksel teruggekeerd. Pier is in 1941 overleden en zijn vrouw Nely in 1953.

Dochter Annie ging verder met het boerenbedrijf. Omdat haar echtgenoot haar al na korte tijd had verlaten, stond ze er helemaal alleen voor. Daarnaast verzorgde ze ook nog Pierre, het zwaar geestelijk gehandicapte kind van haar broer Bert.

Het is opvallend dat Rooseboom meteen na de verkoop (in november 1928), vertrok naar Oud-Leusden (Utrecht), om in april 1931 weer terug te keren. Opgegeven woonadres was Altweert 113. Dat nummer is mij onbekend en voor zover ik kan nagaan ook niet in Altweerterheide. Daar ging de nummering namelijk tot 110….Blijkbaar wilde hij een nieuwe poging wagen, want hij kocht weer een boerderij in de buurt van de kerk, op perceel 2475. Hoewel ik twijfel, denk ik dat het de boerderij is waar Zentjens (Pikkels Dreeske) woonde. Na hem woonde Seuren daar.

Het zat hem echter niet erg mee, want in juni 1932 ging die boerderij, na door hem verbouwd te zijn, ook weer in de verkoop. Die nieuwe tegenslag had mogelijk te maken met uitbreken van de crisistijd. Veel (boeren)mensen, kwamen in deze tijd in de problemen. Rooseboom geraakte in grote financiële problemen. Waarschijnlijk omdat zijn veehandel nagenoeg stil viel en mogelijk vanwege schulden op de boerderij…..


In 1933 was het dan ook einde verhaal en werd in Kanton Weert aangekondigd dat hij failliet was en er een faillissementsverkoop van zijn inboedel zou komen op 27 januari van dat jaar. Hoewel hij nog enige tijd uitstel heeft gekregen om dit ongedaan te maken, is hem dat niet uiteindelijk gelukt en was het faillissement in oktober 1934 onafwendbaar. Het lijkt misschien vreemd dat de verkoop van zijn roerende goederen plaatsvond op de Lindenhof (op Delbroek dus), maar daar zat zijn zoon Jac als pachter.

Pieter Bastiaan Rooseboom had 2 kinderen: Jac en Ingje. Zoon Jac pachtte een aantal percelen op de Vetpeel en woonde met zijn gezin in een bijgebouw van de Lindenhof. Mogelijk dat Pieter Bastiaan met zijn vrouw Marrigje de Haan na het faillissement bij zijn zoon inwoonde en de verkoop van de inboedel daarom ook daar plaats vond. Maar dat is niet zeker. Hoe het Pieter Bastiaan verder vergaan is, heb ik helaas niet kunnen achterhalen. Waar hij daarna is gaan wonen is ook onbekend, maar het was wel ergens in Weert, want zijn vrouw Marrigje is hier namelijk op 60 jarige leeftijd (13 mei 1937) overleden en ook op de Gemeentelijke begraafplaats (Kerkhoflaan) begraven.

Toen Rooseboom de pacht op de Bietwoning opzegde in 1925, werd J. van Woudenberg er pachter. Over deze van Woudenberg heb ik helaas niets kunnen vinden. De jongste dochter van Leendert Blok, Annie, wist me wel te vertellen dat hij op Centrum is gaan wonen na het vertrek van J. Davelaar in 1932.
Hij woonde (aldus Annie) "liever aan de grote weg"……….
Toch heeft Woudenberg het niet lang weten vol te houden op Centrum, want in 1939 is hij er mee gestopt. Na hem is Driek Stals uit Tungelroy er, zoals we eerder zagen, dus komen wonen.

Toen van Woudenberg naar Centrum vertrok, kwam de Bietwoning vrij en werd Leendert Blok de nieuwe pachter, zoals we kunnen afleiden uit deze advertentie. Leendert Blok (14 april 1895) was afkomstig van Zegveld (Utrecht). Hij was getrouwd met Maria Oliemans (28 augustus 1895) uit Bodegraven. Ze zijn op 8 april 1920 getrouwd en kregen 7 kinderen.

Met Annie (zijn jongste dochter), heb ik tijdens een gezellig samenzijn nog de puntjes op de i kunnen zetten, waarvoor mijn dank. Dat geldt overigens ook voor Drina Stals (een dochter van Driek Stals), die ook bij het gesprek aanwezig was. Zij attendeerden me onder andere op J. van Woudenberg.

foto: Rien van Zeist, Weert in woord en beeld 1990 –1991

Toen pachter en toezichthouder Wouter van den Berg op de Beekwoning in maart 1938 vanwege zijn leeftijd besloot om te stoppen, heeft een zekere A. M. Timmermans die nog gepacht, maar hij moest na 2 jaar (in 1940) wegens financiële problemen al weer stoppen.

Blijkbaar had Leendert Blok het niet zo naar zijn zin op de Bietwoning, want toen de Beekwoning na het vertrek van Timmermans vrij kwam, heeft hij meteen toegehapt en verhuisde hij dus al na 8 jaar Bietwoning naar de Beekwoning.

Waarschijnlijk was dat vanwege de gunstigere ligging en omdat de weilanden in de Spekke voor de melkveehouderij beter geschikt waren. Aan akkerbouw deed hij niet. Kortom: de Beekwoning had meer toekomstperspectief…

Beekwoning mei 2017
Zijn zoon Janus (1921-2009), die getrouwd was met Liesbeth Schram, nam het bedrijf later van hem over en heeft er tot zijn dood gewoond. Liesbeth was een dochter van Paulus Schram, die op Groot Karelke woonde. Op de Beekwoning zijn nu 3 zonen van Janus nog een beetje actief als hobbyboeren. Dat is ook het geval op de Bietwoning. Daar heeft de bewoner wat paarden als hobby en hij doet nog wat aan akkerbouw. De andere boerderijen van Hollandia zijn verbouwd tot woonboerderij en daar zijn dus geen activiteiten meer als boerenbedrijf.

Stukje van de Kalverpeel met rechts in het groen de Bietwoning (foto mei 2017)
Kalverpeel met in de verte de Bietwoning.  Foto mei 2017
Bietwoning mei 2017
Na het vertrek van Leendert Blok naar de Beekwoning in 1940 , werd Bèr Mols uit Ittervoort de nieuwe pachter op de Bietwoning. Hij had daar een gemengd bedrijf en is op latere leeftijd begonnen met een loonbedrijf. Hij is degene die de boerderij (voor zover ik me kan herinneren) heeft verbouwd zoals op de foto is te zien. Ook zijn zoon heeft een en ander verbouwd toen die een varkensbedrijf opstartte.
De boerderij wordt momenteel bewoond door Wiel Peeters.

Peelwoning in de jaren  '60
In het jaarverslag van 1918 werd vermeld dat Jan de Wit pachter van Peelwoning was. Hij heeft hier slechts 3 jaar gewoond en heeft in 1921 bij Delbroek grond gekocht en er een eigen boerderij op gebouwd. Niet duidelijk is of dat iets met de ligging van de Peelwoning en de bodemgesteldheid te maken heeft gehad, of dat hij niet meer als pachter verder wilde gaan. Ik ga uit van het laatste……
Bij het onderwerp Delbroek kun je daar meer over lezen.

Na het vertrek van Jan de Wit werd Willem Smeets er pachter. In 1925 is er een hevige brand geweest en is de boerderij verbouwd. Van het oorspronkelijke halletype bleef helaas weinig over en de boerderij kreeg meer weg van een langgevelboerderij zoals op de foto.
Hoe lang Smeets pachter op de Peelwoning is geweest heb ik niet kunnen ontdekken, maar na hem zijn Bèr Ramaekers (Katte Bèr) en daarna Lei Moors (Lei van Bertje de Poeper) pachter geweest tot 1957.

 Omdat de gemeente in 1957 verlegen zat om grond voor de nieuw te vestigen Philips- gloeilampenfabriek langs de Zuid-Willemsvaart, kocht ze de Peelwoning van de NV. Hollandia toen die vrij kwam en vond er een grondruil plaats met Tullemans. Hollandia is daar ongetwijfeld niet rouwig om geweest…….
Jan Tullemans heeft het achterhuis (schuur en stal) vergroot en de buitengevel in steen opgetrokken.

Dat is de Peelwoning zoals op bovenstaande foto. Die zal dus uit de jaren 60 zijn. Tullemans had geen opvolger. Na zijn vertrek is de familie Bertels er komen wonen.

Peelwoning in mei 2017
De familie Bertels heeft de boerderij grondig verbouwd en er een woonboerderij van gemaakt. Ze heeft er een administratiekantoor.
Momenteel staat de woning te koop. In de advertentie staat onder andere vermeld dat de boerderij in 2004 is gerenoveerd en van het type langgevelboerderij (!) is. We zien dat de kopgevel echter, net zoals bij Centrum en Beekwoning, weer uit 4 ramen onder en 2 ramen boven bestaat en ook het zadeldak herinnert er nog aan hoe het oorspronkelijk geweest moet zijn.


Voorhoeve in de jaren '90
De laatste Hollandia-boerderij is Voorhoeve. Er wordt door menigeen beweerd dat deze boerderij niet van Hollandia zou zijn, maar in enkele jaarverslagen wordt ze wel degelijk genoemd. De bouw ervan was mogelijk, omdat de aannemer de andere 4 boerderijen blijkbaar zo uitgekiend gebouwd had, dat er nog geld overbleef voor een 5e . Deze kwam echter niet in het Kalverpeel-Spekke gebied te liggen, maar op de Heihuisweg (bij de Kruispeel). Waarschijnlijk omdat er voor een vijfde boerderij in Kalverpeel/Spekke geen geschikte plek meer was. De naam Voorhoeve is te verklaren als: de voorste (eerste) hoeve in het Kruispeelgebied.


Ook deze advertenties van 1920 en 1930 laten zien dat de Voorhoeve een Hollandia- boerderij was. "Bijeenkomst aan Voorhoeve, Hollandia" zegt genoeg. Je ziet in deze advertentie dat Bolle Jan ook in de Kruispeel grond bezat. Wouter van den Berg was opzichter en toezichthouder voor Hollandia en regelde daarom ook de verkoop van nog te ontginnen grond bij de Voorhoeve. Dit lezende ga ik er van uit, dat Hollandia hier in tegenstelling tot Kalverpeel/Spekke, grond had gekócht……
Onduidelijk is of dit het eigendom was van de NV Hollandia, of van Hummelick Wagenaar  privé.

Voorhoeve in mei 2017
De eerste pachter op de Voorhoeve was Christje Kusters (“Eikes-Chrisje”). Zijn 5 zonen hebben later in de nabije omgeving hun boerderij gebouwd. Vandaar de naam “Kustershook”. Verder hebben er Duur Halfers (“Wieeke Duur”), van de Kruys en Bert Muijsers gewoond.

De boerderij met grond is gekocht door de CZW en wordt momenteel bewoond door Levelink.
Deze hoeve is ook meerdere malen verbouwd, maar gelukkig is het halletype grotendeels bewaard gebleven ( de buitenkant dan) en zien we nog duidelijk dat de bouw overeen komt met die van Centrum en Beekwoning.

Militaire kaart van 1939, met ingetekend de Tungelroyse beek en de Weerterbeek

- Boerderij Centrum is op deze kaart fout gesitueerd, want die ligt aan de andere kant van de weg. Hier moet dus Beekwoning staan.
- Opvallend is dat er in 1939 veel (zand)paden door Kalverpeel en Spekke liepen, die nu verdwenen zijn. De Bocholterweg was toen nog niet “af” en het gebied was vanaf het dorp bereikbaar via een zandpad en de “Weg naar de Spekke” (nu Grotesteeg), de “Altweerter heidestraat” (nu deels Dijkerpeelweg). Ook liep nog een weg vanaf Klein Karelke door ontginning Groot Karelke richting Hollandia, die nu verdwenen is.
- Opvallend is dat het Kropspaedje en het Kerkebrökske er niet op staan. Daardoor is niet duidelijk of die daar al in 1939 lagen. Ik neem aan van wel. Achter de Bietwoning zien we wel een pad en een bruggetje over de beek richting vijfsprong. Dat is bij de verbreding en verdieping van de beek in de jaren ’60 verdwenen. Dat zelfde geldt ook voor het Kropspaedje en het Kerkebrökske.


En voor wie nog niet leesmoe is.....
Door te klikken op onderstaande links, zijn de andere ontginningen in Altweerterheide ook te lezen:
Karelke, Delbroek, Wijffelterbroek, Delbroek, Kruispeel, Kettingdijk.

Tot slot nog voor geïnteresseerden in het hele Plan van aanleg van de Kalverpeel/Spekke uit 1904.