Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers

COPYRIGHT.. Zonder mijn toestemming mag geen gebruik worden gemaakt van mijn foto's en tekst.......


vrijdag 30 januari 2026

Allemaal beestjes #31

De laatste "Allemaal beestjes" die ik plaatste is van 15 augustus 2024. Ik ben misschien te veel bezig geweest met  paddenstoelen. Intussen heb ik echter wel weer een flink aantal "beestjes" in mijn to-do-map zitten. Hoewel het nu in de wintertijd rustig is wat betreft insecten, is het hoog tijd om jullie daarvan weer eens te laten genieten.  

Macrophya montana
MACROPHYA MONTANA is een in Nederland vrij algemene inheemse soort uit de familie van de bladwespen (Tenthredinidae). Niemand heeft er blijkbaar ooit bij stil gestaan om het een Nederlandse naam te geven. De vliegtijd van dit wespje is van begin mei tot eind juli, met een piek van begin mei tot midden juni. Het is een vegetarische wesp; de larven eten namelijk geen dieren, maar hebben een voorkeur voor de bladeren van de braam en framboos. Imago's worden echter, zoals hier ook het geval is,  vooral gevonden op schermbloemen.
Macrophya montana
De soort bereikt een lichaamslengte van 9 tot 11 millimeter. Het vrouwtje is gemarkeerd in zwart en geel. De kop is zwart met gele snuit. Op het achterlijf is de eerste rugplaat geheel geel, de vijfde en zesde hebben brede gele banden in het midden gebroken met zwart. Op de zevende, soms ook op de vierde, zijn er kleine gele vlekken aan de zijkanten. De negende is bovenaan ook geel getekend.  De poten van het vrouwtje zijn ook overwegend geel met zwarte aftekeningen.
Dit is dus het vrouwtje. Er is een duidelijk uiterlijk verschil tussen mannetjes en vrouwtjes (seksueel dimorfisme); het mannetje is vrijwel helemaal zwart, met soms  smalle bleke banden aan de zijkanten, bleke poten en witte segmenten op de achterpoten.. 
bramensprinkhaan
De BRAMENSPRINKHAAN (Pholidoptera griseoaptera) is een bruine, zeer kort gevleugelde sabelsprinkhaan. Op deze twee kenmerken zijn de volwassen dieren in Nederland onmiddellijk te herkennen. Dit is een vrouwtje (te zien aan de legboor). In Nederland wordt deze sprinkhaan vooral aangetroffen in het zuidoosten en langs de grote rivieren. Hij is als imago actief van half juni tot begin november, Bramensprinkhanen leven in de struikzoom langs bossen en dergelijke. Ze hebben een voorkeur voor planten met grotere bladeren, vooral braamstruiken waaraan ze hun naam danken, maar ook wel andere soorten planten. 

 De vleugels zijn opvallend kort, bij de mannetjes zijn ze ongeveer even lang als het halsschild, bij de vrouwtjes zijn ze zelfs verworden tot onooglijk kleine, schub-achtige flapjes. De antennes zijn duidelijk veel langer dan het lichaam, ook de achterpoten zijn zeer lang en sprieterig. Vrouwtjes hebben een vrij korte, iets omhoog gerichte legbuis die vrij breed is, bruin van kleur en sterk zijdelings is afgeplat.
 cluster- of  klustervlieg
De CLUSTER- OF KLUSTERVLIEG (Pollenia rudis) is een vliegensoort uit de familie van de bromvliegen (Calliphoridae) Ze heeft wel wat weg van de huisvlieg, maar is wat forser van formaat. Zoals de naam al aangeeft vliegen ze in grote klusters of zwermen. Ze kunnen vooral in het najaar grote zwermen vormen als ze op zoek gaan naar een geschikte overwinteringsplaats, zoals in holle bomen of in spouwmuren. 
klustervlieg
De diertjes zijn niet gevaarlijk - ze steken niet, brommen niet en brengen geen nare ziektes over - maar doordat ze in zulke grote hoeveelheden actief zijn en soms ook in gebouwen overwinteren op een droge plek zoals in de spouwmuur, in ongebruikte kamers, dakbedekking en op de zolder, kunnen ze vooral na hun ontwaken in maart bijzonder hinderlijk zijn en op plaatsen komen waar je ze liever niet hebt. 
onderkant van de klustervlieg
De langwerpige witte eitjes worden door de vrouwtjes afgezet in kieren van de grond of in de humuslaag, waarna ze ’s zomers al na 3 dagen uitkomen. De larven parasiteren op regenwormen; ze eten ze van binnenuit op. Wanneer de larve het popstadium bereikt, verlaat hij de worm om zich in de grond te verpoppen. Er zijn drie of soms zelfs vier generaties per jaar. 
De 5-12 mm lange, bruingrijze clustervlieg heeft een borststuk met goudkleurige haren. Het achterlijf is enigszins afgeplat en heeft asgrijs-zilveren vlekken.
rups van de grote beer
Beervlinders zijn nachtvlindersoorten uit de familie van de spinneruilen. Ze danken hun naam aan de harige rupsen, vaak met een donkerbruin tot zwarte kleur en oranje/rode accenten, die zich voeden met planten, korstmossen of algen. Beervlinderrupsen zijn vaak actief in het voorjaar, overdag zonnend, en kunnen huidirritatie veroorzaken. Bekende soorten zijn de  Grote beer, de Weegbreebeer en het Zwart beertje. 

De naam GROTE BEER  (Arctia caja) doet je in de eerste plaatst misschien denken aan een sterrenbeeld, maar de Grote beervlinder is een dagactieve nachtvlinder uit de familie van de uilen. 
De naam van de vlinder verwijst naar het uiterlijk van de rups. Die is, zoals je ziet, namelijk sterk behaard met een vacht als een beer (zegt men....) De haren veroorzaken vrijwel nooit huidirritaties. 
Pas in juli of augustus verpoppen ze. Tegen de tijd van verpoppen zijn ze bijzonder actief en je komt ze dan ook overal tegen. Deze rupsen raken het gif, dat ze met hun maaltijden van o.a. het jakobskruiskruid binnenkrijgen, kwijt door dit in hun huid op te slaan. Na het vervellen zijn ze hun gif kwijt. Prachtig toch....
zwart beertje 
De vliegtijd van het ZWART BEERTJE  (Atolmis rubricollis) is van half mei tot half juli in slechts één generatie. Het is een nachtvlinder, die echter ook overdag vliegt. Het vlindertje wordt zo genoemd omdat het (met uitzondering van het oranje rode kraagje) volledig fluweelachtige zwarte vleugels heeft. Net als de rupsen van meer kleine beertjes houden ze niet van malse blaadjes, maar van korstmossen en algen die op de stam van bomen groeien. De rupsen  zijn actief van augustus tot oktober. Daarna dalen ze af naar de bosbodem om onder het mos te verpoppen.
rups van het geel beertje
Het GEEL BEERTJE (Eilema sororcula) is een nachtvlinder uit de familie van de spinneruilen (Erebidae) en de onderfamilie van de beervlinders (Arctiinae). De spanwijdte bedraagt tussen de 27 en 30 millimeter. De vliegtijd van het Geel beertje loopt van eind april tot in juni. De naam beervlinder dankt ie aan de behaarde rupsen. De gele vlinder komt voor in Centraal- en Zuid-Europa, Klein-Azië en Zuidoost-Azië. 

Hoewel ik dit vlindertje zelf nog nooit heb waargenomen, omdat het uitsluitend ’s nachts vliegt , is het ook in Nederland en België algemeen. Vooral op de zandgronden. Heel bijzonder is dat de vlinders ook meestal in de buurt van de boom blijven waar ze zijn opgegroeid. Deze rups vond ik in mei bij de Kwegt. Ze leven vooral van korstmossen op bomen en zijn tot in september actief. Daarna maken ze een heel dun coconnetje, waarin ze verpoppen en zo overwinteren. De cocon wordt opgehangen tussen mossen en korstmossen op boomstammen en struiken. De eerste vlinders verschijnen in april van het volgende jaar.
hazelaaruil
De HAZELAARUIL (Colocasia coryli) is een nachtvlinder uit de familie van de donsuilen. Aan de volwassen vlinders is het verschil met de echte uilen niet te zien, maar wel aan de rupsen. Deze zijn namelijk zeer zwaar behaard en lijken helemaal niet op de rupsen van uilen die allemaal kaal zijn, of een enkel haartje hebben. De voorvleugellengte is tussen de 14 en 17 millimeter. De soort komt voor in heel Europa en het westen van Azië. Hij overwintert als pop. De habitat van deze soort is loofbos. Waardplanten zijn onder eiken, beuk, berken en spaanse aak. Het is in Nederland en België een algemene soort, die verspreid over het hele zandgrond-gebied kan worden gezien. 
De vlinder kent twee generaties die vliegen van begin april tot begin september. De mannetjes vliegen vanaf de schemering. De vrouwtjes vliegen nauwelijks en worden slechts weinig gezien. 
rups van de Hazelaaruil
De rups kun je aantreffen in mei-juli en september-oktober. Ze foerageert ´s nachts en verbergt zich overdag veelal tussen samengesponnen bladeren. De soort overwintert als pop in een cocon in de strooisellaag, onder mos of aan de basis van de stam van de waardplant. Het lijf van de rups is gewoonlijk rozeachtig oranje, maar soms ook bruin, okerkleurig of grijs en bekleed met fijne, witachtige haarborstels, de segmenten vier, vijf en elf hebben elk roodachtig bruine of zwartachtige haarkwastjes op de rug; over het midden van de rug een rij donkere, rechthoekige vlekken, die elkaar soms raken en dan een ononderbroken band vormen; op de flanken een witachtige lengteband en de kop is roodachtig bruin of grijsachtig.
stro-uiltje
Het STRO-UILTJE (Rivula sericealis) is een dag- en nachtactief nachtvlindertje op vochtige graslanden, moerassen, heiden en natte bospaden uit de familie spinneruilen (Erebidae). De voorvleugellengte bedraagt tussen de 13 en 15 millimeter. De imago kan verward worden met de late koolmot (Evergestis forficalis) uit de familie van de grasmotten (Crambidae), maar deze is wat groter en er lopen strepen over de voorvleugel. De soort overwintert als rups. Het stro-uiltje heeft diverse grassen als waardplant, zoals pijpestrootje. Het stro-uiltje is in Nederland en België een gewone vlinder, die over het hele gebied verspreid voorkomt. De vliegtijd is van half mei tot en half oktober in 3 generaties.

De voorvleugel van deze kleine spinneruil is strokleurig met een bruine achterrand en bruine franje; afgevlogen exemplaren zijn lichter, soms bijna witachtig van kleur. Kenmerkend is de duidelijke middenvlek, die op het eerste gezicht bruin lijkt, maar die met een loep bekeken bij verse vlinders paars blijkt te zijn met twee zwarte stipjes. De kleur van de voorvleugel is enigszins variabel; vooral exemplaren van de tweede generatie zijn soms geelachtig bruin of lichtbruin en kleiner.
rups van de zilveren groenuil
De ZILVEREN GROENUIL (Pseudoips prasinana) is een nachtvlindertje uit de familie van de uilen. De spanwijdte van de vlinder varieert tussen de 30 en 35 millimeter. De vliegtijd is mei tot en met juli. Het verspreidingsgebied beslaat geheel Europa. De volwassen nachtvlinder is groen, en heeft lichte “zilveren” strepen op de vleugels. Hij is lastig te zien tussen groen blad. Het vlindertje zelf heb ik dan ook nog nooit gezien. Waardplanten zijn vooral eiken en berken, maar ook andere soorten zoal de beuk, hazelaar en populier. 
rups van de groene zilveruil
De rups is wel opvallend. Ik vond deze begin oktober op mijn balkon. Vlakbij staat een moeraseik, dus daar zal hij wel uitgevallen zijn. Ik vind het een mooie rups. Ze is ongeveer 35 mm lang. Het heeft een heldergroene kleur met geelachtig witte spikkels en streepjes; over de rug twee brede, geelachtig witte lengtestrepen, De kop is lichtgroen. Het lichaam oogt wat plomp en naar de staart toe is het versmald. 
rups van de groene zilveruil
De schuivers vallen erg op; ze doen me een beetje denken aan brede witte slofjes. De naschuivers hebben een rode streep. Hoe deze rups zich verplaatst, is best wel grappig. Elk pootje met flapjes wordt apart een stukje naar buiten gestrekt, en met een kleine bocht iets verder neergezet. Dan volgt het volgende pootje, en het volgende. En dat gaat allemaal heel langzaam en is prachtig om te zien.

zondag 28 december 2025

Herfst 2025.......Paddenstoelentijd deel 4: Van alles wat

 En dan nu zoals ik in de vorige post beloofde, mijn laatste post van het jaar 2025 over paddenstoelen.

okerknolcollybia
De OKERKNOLCOLLYBIA (Collybia cookei) groeit in dichte groepen en heeft aan het uiteinde een okergeel knolletje (sclerotium). Ik heb dat met pijltjes aangegeven en die je kunt die na uitvergroten wat beter waarnemen. Dus even op de foto klikken. Je vindt ze op zwart geworden resten van (plaatjes)zwammen, die meestal nauwelijks nog als zodanig te herkennen zijn. Soms kun je ze ook aantreffen op goed vergaan hout of op een rijke humuslaag. 
okerknolcollybia
Hoewel de soort algemeen schijnt voor te komen, hebben we die pas in 2019 voor het eerst gevonden in natuurgebied  "Zwart Water" (Venlo). De knolletjes waren toen heel wat groter zoals je hier goed kunt zien. Hoewel de hoedjes hier wat afgeplat zijn, zijn ze in het begin nog bolvormig. Ze worden maximaal 1 cm in doorsnee. Het steeltje is meestal niet helemaal recht, maar heeft krommingen.
okerwitte ridderzwam
De zeldzame en bedreigde OKERWITTE RIDDERZWAM (Tricholoma stiparophyllum) is een paddenstoel met een opvallende, vaak onaangename en weeïg-zoete geur zoals van jasmijn of honing. De geur kan echter variëren. De Okerwitte ridderzwam staat bekend om zijn statige verschijning. 

** Als je goed kijkt zie je ook een vliegje. Dat is een fruitvliegje (Drosophila spp.).  Het blijkt dat veel soorten fruitvliegen worden aangetrokken door schimmels en paddenstoelen, omdat deze namelijk dienen als voedselbron en broedplaats.  Of in dit geval misschien alleen om even uit te rusten!!!!!!!!
okerwitte ridderzwam
De witachtige steel heeft geen ring. De belangrijkste mycorrhiza-partner is de eik, maar hij kan ook een symbiose vormen met andere loofbomen. Aan de blaadjes te zien, is dat hier ook het geval. 
Mycorrhiza is een gunstige symbiose tussen schimmels en plantenwortels, waarbij de schimmel een uitgebreid ondergronds netwerk vormt dat de opname van water en voedingsstoffen verbetert en de plant in ruil daarvoor suikers levert. Er is een sterke gelijkenis met de Witte ridderzwam (Tricholoma album). Ze zijn allebei giftig, dus voorzichtigheid is geboden.
geurige schijnridderzwam
Dit is de GEURIGE SCHIJNRIDDERZWAM (Collybia irina).  Het belangrijkste onderscheid tussen ridderzwammen (geslacht Tricholoma) en schijnridderzwammen (geslacht Lepista) is ecologisch: ridderzwammen zijn ectomycorrhizaschimmels (leven in symbiose met bomen) en groeien op of bij bomen, terwijl schijnridderzwammen saprofytisch zijn en leven van strooisel. Ze leven op humus van meestal loofbomen op matig vochtige tot vrij droge, zand- en kleigronden. De Geurige schijnridder-zwam is vrij zeldzaam, maar staat niet op de rode lijst als bedreigd (bron: Verspreidingsatlas). 
geurige schijnridderzwam
De hoed, die in het midden dik is, is als hij jong is bijna half bolvormig, later wordt hij vlakker en platter en heeft hij een min of meer uitgesproken bult. Het bereikt gemiddeld een diameter van 5 tot 9 cm, maar soms zelfs tot 14 centimeter. Het matte, gladde oppervlak van de hoed is licht witgrijs tot crèmekleurig, lichtbruin in het midden. De hoedrand is onregelmatig, gebogen en soms licht geribbeld. De hoed verandert van kleur als hij nat is (hygrofaan).  Deze zwam heeft een karakteristieke geur die wordt omschreven als "aromatisch, aangenaam, enigszins parfumachtig" of "sterk bloemig".
bruinzwarte vuurzwam
De BRUINZWARTE VUURZWAM (Phellinopsis conchata) leeft parasitair op levende stammen van  levende loofbomen, die via wonden worden geïnfecteerd, of saprotroof op dood hout zoals hier het geval is. Het gevolg is witrot van het hout.  De Bruinzwarte vuurzwam is in een apart geslacht geplaatst (Phellinopsis), omdat er geen verwantschap is met de "echte" vuurzwammen (Phellinus sensu stricto). In Nederland en België komt de bruinzwarte vuurzwam vrij zeldzaam voor, maar is niet bedreigd. Bron: Verspreidingsatlas. 
bruinzwarte  vuurzwam met Suikermycena
De zwam komt vooral voor op wilg of populier. De hoeden zijn vaak gereduceerd tot hoedranden, met een op het substraat aflopende poriënlaag en het vruchtlichaam kan ook geheel korstvormig groeien. Heeft bruine, fijne gaatjes (5-6 poriën/ mm) en kaneelbruin vruchtvlees . Meerjarige vruchtlichamen vertonen tot 2 mm dikke onduidelijk gescheiden roestbruine buisjeslagen. Het hele vruchtlichaam kleurt zwart in KOH (KOH of Kaliumhydroxide is een sterke base). De zwam heeft geen opvallende geur.

Leuke bijkomstigheid zijn de kleine witte paddenstoeltjes. Dat is de SUIKERMYCENA (Mycena adscendens). Deze groeit vaak op dood hout, maar kan ook verschijnen op andere schimmels of zwammen die op hout groeien, zoals deze bruinzwarte vuurzwam, omdat beide soorten saprotroof zijn (leven van dood organisch materiaal) en dezelfde voedingsbronnen delen, waardoor ze elkaar "tegenkomen" en de minuscule, "suikerachtige" paddenstoeltjes zich kunnen nestelen tussen de grotere zwammen.
blanke champignonparasol
Het mycelium van de BLANKE CHAMPIGNONPARASOL (Leucoagaricus leucothites) leeft van de afbraak van dood plantaardig materiaal. Hij heeft een voorkeur voor het cultuurlandschap en wordt dan ook vaak gevonden in parken, tuinen, kerkhoven, wegbermen en groenstroken, maar kan ook in weilanden en boomgaarden opduiken, bijvoorbeeld op afval- en composthopen. Wij vonden meerdere exemplaren in de groentekas van de herenboeren. Vooral de jonge zwammen zijn fraai om te zien. 
Hoewel de soort ruikt en smaakt naar champignon is het niet aan te raden om die te eten, omdat het risico op maag- darmklachten bij consumptie groot is.
blanke champignonparasol
Ze hebben een levensduur van slechts enkele dagen. De hoed is aanvankelijk halfbolvormig om zich vervolgens uit te spreiden. Hij is wit of witachtig van kleur, maar loopt bij het ouder worden geelbruin tot bruin aan. Het hoedoppervlak is meestal glad en zijdeachtig). De plaatjes aan de onderzijde zijn aanvankelijk wit om pas in een heel laat stadium lichtroze te verkleuren. De steel van de paddenstoel heeft onderaan een knolvormige verdikking, maar heeft geen beurs. Rond de steel is een witte, dunne en verschuifbare ring aanwezig, die bij oude exemplaren kan zijn verdwenen. 
okergele stropharia
De OKERGELE STROPHARIA (Psilocybe coronilla) is een paddenstoel die leeft van de afbraak van dood plantaardig materiaal. Hij kan gevonden worden in droog grasland, weilanden, wegbermen en langs bospaden met een grazige berm. Lichte groeiplaatsen hebben de voorkeur, en de bodem kan ofwel voedselarm of juist stikstofrijk zijn. We vonden deze in de groentetuin van de Herenboeren. Meestal zijn maar weinig exemplaren op een groeiplaats aanwezig.
okergele stropharia
De hoed van de vruchtlichamen heeft een doorsnee van 2 tot 5 cm. In jonge toestand is hij halfbolvormig. Later spreidt hij zich wat meer uit, maar blijft bol. De kleur is bleekgeel, citroengeel of okerkleurig en het oppervlak voelt bij vochtig weer enigszins vettig of kleverig aan. De steel van de paddenstoel is wit en heeft een vliezige ring die aan de bovenkant geribbeld is. 

Bij jonge exemplaren is de steel massief, maar bij veroudering wordt hij hol en bros, en breekt gemakkelijk. De plaatjes aan de onderzijde van de hoed zijn aanvankelijk bleek grijsbruin, later grauwviolet of grauwpaars. De sporen hebben een donkerpurperen kleur. Wanneer de paddenstoel rijp wordt, komen er veel sporen op zijn ring terecht, waardoor de ribbels en groeven van de ring duidelijk zichtbaar worden.
goudgele hertenzwam
De fraaie GOUDGELE HERTENZWAM (Pluteus leoninus) is, zoals je ook op de Verspreidingsatlas kunt zien, een in Nederland vrij zeldzame paddenstoelensoort en staat op de Rode lijst als KW (kwetsbaar). Door de felle citroen- tot goudgele kleur is het echter een niet te missen paddenstoeltje. 
De vruchtlichamen zijn aanwezig van juni tot en met september in loofbos op sterk verrotte takken en stronken van eik, berk, els en beuk. 
goudgele hertenzwam
Vergissing met de sterk gelijkende Gele aderhertenzwam (Pluteus chrysophaes) ligt op de loer, maar die is meer mosterdgeel en heeft geen donkerder centrum. De Goudgele hertenzwam heeft een grotere hoed, is goudgeel gekleurd en heeft zoals je hier goed kunt zien, een iets donkerder centrum.
onderkant van de goudgele hertenzwam
De hoed heeft een diameter tot ca. 6 centimeter en is klokvormig bij jonge vruchtlichamen, dan breed kegelvormig met een bult en uiteindelijk afgeplat. De hoedrand is geribbeld en fijn gestreept. Het centrum kan enigszins geaderd zijn. De lamellen zijn eerst geel-achtig, soms met een gele lamelsnede en later zalm-roze. De steel is tot 6 centimeter lang en heeft een verdikte voet. De kleur is wit-gelig, onderaan okerachtig, en het oppervlak gestreept. De paddenstoel is geurloos.
breedgerande poria
De BREEDGERANDE PORIA (Oxyporus latemarginatus) is een specifieke soort paddenstoel die behoort tot de poriënzwammen en gekenmerkt wordt door zijn brede, vaak witachtige rand (=poria) en groeit onderaan de dode stam van loofbomen als eik, beuk en berk. Het is een saprofiet; breekt dus dood materiaal af. Volgens de Verspreidingsatlas is dit ook een zeldzame soort, hoewel hij staat vermeld op de Rode lijst als TNB: thans niet bedreigd. 

Het vruchtlichaam van de breedgerande poria vormt nooit hoeden, alleen korstvormige vruchtlichamen die soms wel een paar jaar oud kunnen worden met meerdere buisjeslagen boven elkaar en kan zoals je ziet behoorlijk groot worden. De poriën zijn relatief groot en rond.
breedgerande poria
Deze zwam veroorzaakt witrot in het hout, wat betekent dat hij cellulose afbreekt en zo het hout zacht en brokkelig maakt. Dit soort schimmels zijn echter essentieel voor het functioneren van ecosystemen, omdat ze dode biomassa omzetten in voedingsstoffen, zodat die weer beschikbaar komen voor andere organismen. Door het afbreken van dood hout, creëren ze ook ruimte voor nieuwe planten om te groeien en dragen ze bij aan de vorming van humus in de bodem.

donderdag 25 december 2025

Herfst 2025.......Paddenstoelentijd deel 3: Van alles wat

Vanwege wat gezondheidsproblemen ben ik dit jaar niet erg actief geweest op mijn blog, waarvoor mijn excuses. Dus hoewel het eigenlijk een prima jaar was met mooie, interessante paddenstoelenvondsten,  heb ik daar pas 2 posts over geplaatst. Omdat het de laatste kans van dit jaar is, plaats ik nu en ook volgende week een post van een aantal waargenomen soorten. Daarna ga ik in “winterslaap” , om straks in het voorjaar, hopen op wat minder droog weer dan afgelopen jaar en om eens wat niet eerder waargenomen voorjaarssoorten te begroeten. 

rossige melkzwam
De ROSSIGE MELKZWAM (Lactarius rufus) wordt voornamelijk aangetroffen in de buurt van naaldbomen, zoals sparren, maar hij kan ook voorkomen nabij berken. Hij is te vinden van de late lente tot in de late herfst. De paddenstoel heeft een gewelfde roodbruine hoed, die trechtervormig kan worden naarmate ze groter wordt. De soortaanduiding rufus (Latijn voor rossig) refereert aan de kleur van de paddenstoel. De hoed kan een diameter van 10 cm bereiken.
De lamellen, die veelal duidelijk zichtbaar zijn door de trechtervorm van de hoed, zijn oranje, geel tot donkerbruin van kleur. Het melksap stroomt vrij overvloedig. Het is waterig wit, mild van smaak, maar laat een bittere nasmaak achter. Het heeft een harsachtige geur.
spinellus fusiger 
SPINELLUS FUSIGER (er is geen Nederlandse naam voor) groeit als een parasitaire knop- of speldenschimmel op paddenstoelen, waaronder verschillende soorten Mycena. Daarom is het ook wel bekend als mycenaparasiet, maar het wordt ook aangetroffen op soorten als het Eikenbladzwammetje en Botercollybia. 
close-up van de knopschimmel  spinellus fusiger
Tijdens de voortplantingsfase groeit de schimmel door de hoed van de gastheerpaddenstoel heen en breekt uiteindelijk door de hoed heen om voortplantingsstengels (sporangioforen) te produceren met daarop minuscule, bolvormige sporenbevattende structuren, sporangia genaamd. Het sporenkopje is in het begin melkwit en heeft in volwassen stadium een zwarte kleur. Het meet 0,1 mm in diameter. Het sporenkopje groeit op een tot 2 cm lange doorzichtige draad.
Knoopzwam p.p. - waarschijnlijk de Grootsporige paarse knoopzwam
Op een sterk verrotte stam trof ik deze mooie knoopzwammen aan, die ik noteer als: KNOOPZWAM P.P.  Met de toevoeging P.P. = Pro Parte (Latijn voor "deels") wordt bedoeld dat er meerdere soorten onder deze naam schuil kunnen gaan.  Al eerder heb ik iets geschreven over de Paarse knoopzwam, maar bij een vondst van een Paarse knoopzwam moet er tegenwoordig verplicht microscopisch onderzoek gedaan worden om de juiste soort te determineren. 
 Gaandeweg is men namelijk gaan inzien dat je niet over dé Knoopzwam kunt praten, want microscopisch onderzoek heeft laten zien dat deze soort in het veld anders niet te onderscheiden is van nauwverwante soorten.   In dit specifieke geval verwijst "Knoopzwam p.p." dus naar zowel de Paarse knoopzwam (Ascocoryne sarcoides) als de Grootsporige paarse knoopzwam (Ascocoryne cylichnium)
Omdat deze twee soorten erg op elkaar lijken, worden waarnemingen ook vaak onder de gezamenlijke naam "Paarse knoopzwam sl." ingevoerd. SL = sensu lato, wat "in ruime zin" betekent.
gerimpelde korstzwam 
Ik ben er bijna zeker van dat dit de GERIMPELDE KORSTZWAM (Stereum rugosum) is, maar toch zijn er enige twijfels. Het is namelijk niet goed meer na te gaan van welke boom deze stronk is. Deze korstzwam soort leeft saprotroof op dode, nog staande stammen of stronken  (of ook soms als wondparasiet), in bossen en parken op allerlei grondsoorten. De voorkeur gaat vooral uit naar beukenbossen (zoals de Herbertusbossen in Heeze, waar we hem vonden), maar het zou ook de Eikenbloedzwam kunnen zijn, want eiken staan daar ook......

Het is een algemeen voorkomende paddenstoel die meerjarige vruchtlichamen vormt op hout. De vruchtlichamen zitten grotendeels vast aan het substraat, zijn korstvormig en kunnen een groot oppervlak beslaan. De sporen worden op de rimpelige buitenkant van de korst gevormd, die een witachtige, bleekgele of oranjebruine aanblik biedt. Bij vochtig weer is de paddenstoel grijs tot roestbruin van kleur. Beschadiging van het vruchtlichaam veroorzaakt een opvallend rode verkleuring: het weefsel begint te "bloeden"(zie foto). Dat geldt overigens ook voor de Eikenbloedzwam.... 

Omdat de vruchtlichamen meer dan tien jaar oud kunnen worden en er zich elk jaar op het oude weefsel een nieuwe sporenvormende laag vormt, kunnen de korsten uiteindelijk een dikte van 4 mm krijgen. Bovendien groeit de paddenstoel elk jaar zijwaarts uit, waarbij een groeirand met lichtere kleur ontstaat.

toefige labyrintzwam
Deze TOEFIGE LABYRINTZWAM (Abortiporus biennis) op een bedje van gewoon klauwtjesmos, is een nog heel jong exemplaar uit de familie Meruliaceae. Van toefjes is hier nog geen sprake. Na verloop van tijd krijgen ze meestal een rozetvorm waar de toefjes wel te zien zijn, maar ze kunnen de vreemdste vormen aannemen. Ze produceren vaak guttatiedruppels die vaak rood/oranje kleuren, waardoor ze ook wel Bloeddruppelzwam worden genoemd.
onderkant van de toefige labyrintzwam
Andere soorten die bij de familie  Meruliaceae horen, zijn bijvoorbeeld de spekzwoerdzwam, donzige korstzwam, paarse korstzwam, grijze buisjeszwam , bleke- en gele stekelkorstzwam. 
Als de paddenstoel jong is, is de hoedkleur nog licht (loodwit-achtig), later wordt hij wat donkerder (lichtroze) van kleur. De bovenzijde van de hoed is fluweelachtig en voelt wat viltig aan.

 voorbeelden van uiteindelijke vormen van de toefige labyrintzwam
Al eerder dit jaar vond ik in het Munningsbos (Sint Odilienberg) meerdere "volwassen" exemplaren op een vergane beuk. In mijn blog kun je nog meer oudere en bijzonder afwijkende exemplaren bekijken en kun je ook wat meer over deze bijzondere paddenstoel lezen.  Heb ik je nieuwsgierig gemaakt? Klik dan HIER.
roestkleurige borstelzwam
De ROESTKLEURIGE BORSTELZWAM (Hymenochaete rubiginosa) is een saprotrofe paddenstoel (groeit dus op stronken en liggende dode stammen) uit de familie Hymenochaetaceae. Je treft hem aan op (stronken van) loofbomen, vooral eiken, wat hier ook het geval was. Het is een witrot veroorzakende zwam die het gehele jaar voorkomt. Hoewel hij in onze omgeving minder vaak voorkomt, is het in Nederland en België algemeen en thans niet meer is bedreigd (TNB). Het is een taaie soort en je kunt hem na wat nachten vorst nog steeds vinden.
onderkant van de Roestkleurige borstelzwam
Het vruchtlichaam heeft een doorsnede van 4–7 cm. De in de breedte aan het hout gehechte duidelijk afstaande hoedjes groeien in rijen naast en/of boven elkaar. Ze zijn vaak sterk met elkaar vergroeid en hangen dikwijls wat schuin naar onder. De bovenzijde is dof fijnviltig en gezoneerd. Het dunne vlees is taai en donkerbruin. Bij de aanhechting is de kleur bijna zwart donkerbruin, naar de rand toe zijn er meerdere wisselend getinte bruine zones. De onderzijde is glad of wat bultig en wijnrood van kleur. De geur is onopvallend.
kroontjesknotszwam
De KROONTJESKNOTSZWAM (Artomyces pyxidatus) is een relatief nieuwe soort in Nederland, met de eerste officiële vondst in 1996. Deze opvallende zwam werd vervolgens in 2002 ook in Vlaanderen bevestigd, en is sindsdien een algemene en bekende soort.  Het is een schimmel uit de familie Auriscalpiaceae. Daar horen o.a. de Oorlepelzwam en de Bruine anijszwam bij. In Nederland komt de soort nu (anno 2025) vrij algemeen voor, hoewel hij in de noordelijke provincies minder vaak gevonden wordt (bron: Verspreidingsatlas).  Het is dus geen bedreigde soort meer en staat ook niet op de rode lijst. 
kroontjesknotszwam
 Hij groeit op liggende, ontschorste stammen, vooral van (ratel)populieren, maar ook van wilgen. Ik kon hier niet meer zien van welke boom deze stam was. Voorts is de kleur hiervan geeloker met vleeskleurige tint tot lichtkaneelkleurig met gelige toppen. Het eenjarige vruchtlichaam heeft een lengte van 4 tot 12 cm. De vorm is kandelaarachtig met rechtopstaande takken. 
detail van de kroontjesknotszwam
De kroontjesknotszwam mag dan wel lijken op de rechte koraalzwam (Ramaria stricta), maar het meest karakteristieke kenmerk van deze soort is de kandelaarachtige vorm met kroonvormige toppen. Het mag dan wel een spectaculaire koraalzwam-achtige paddenstoel zijn, maar de Kroontjesknotszwam is zelfs niet verwant met koraalzwammen. Daarover is men het op basis van microscopische kenmerken al snel eens geworden. De takken staan dicht bij elkaar. De basis is stronkachtig vergroeid. De kleur is bleek vleeskleurig tot beige of okergeel. Het elastische, ietwat taaie vlees (trama) is wit tot geelachtig van kleur en wordt bruin bij wrijven.
mollisia p.p.
De vruchtlichamen van deze soort zijn kleine steelloze schijfzwammetjes van ca. 2 à 3 mm. doorsnee. Waarschijnlijk is dit de veel voorkomende GEDRONGEN MOLLISIA (Mollisia cinerea), maar dat is onzeker. In Europa komen namelijk ruim 50 soorten Mollisia voor, die zonder microscoop en eventueel chemisch onderzoek niet of nauwelijks gedetermineerd kunnen worden. Dat is hier niet gedaan. 
Vandaar de naam mollisia p.p. of met andere woorden: een onbekende mollisia. 
mollisia p.p.
Het is een beker- tot schotelvormige zakjeszwam, die voor komt in groepen van soms wel honderden tegelijkertijd. Hij leeft saprotroof op vermolmd hout van allerlei soorten loofbomen, zoals beuk, berken, eik, hazelaar of linde. Bij uitzondering ook op naaldbomen.

Blogarchief