Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers


maandag 20 september 2021

Groote Peel: Vossenberg en omgeving

Met deze post ga ik eigenlijk mijn boekje te buiten. Het stukje natuur van de Groote Peel waar ik het over ga hebben, ligt namelijk niet in Nederweert e.o. maar in Noord Brabant. Moet toch kunnen voor een keertje.
Bij mijn eerdere wandelingen startte ik meestal bij Buitencentrum de Pelen in Nederweert/Ospel of bij de Amsloberg. Nu begon mijn wandeling op de driehoek Meijel - Asten – Nederweert. Dat is dus het gebied ten noorden van Het Bescheid of de Astensche-Moost scheiding (gele lijn), het pad dat al sinds lange tijd de grens vormt tussen Limburg en Noord Brabant.

Over de Groote Peel heb ik meerdere posts geschreven. Als je geïnteresseerd bent, kun je die lezen door op deze LINK te klikken.

Op het kaartje heb ik  links van de Vossenberg de letters GP gezet. Daar ergens moet nog een oude grenssteen liggen, maar hoe ik mijn best ook deed, ik heb die helaas niet kunnen vinden. Die steen ligt precies op de grens van Asten, Nederweert en Meijel, maar ook die tussen Noord Brabant en Limburg. En als we nog verder terug gaan in het verleden, markeerde deze steen ook de grens tussen de Verenigde Nederlanden en Oostenrijk. Meijel en Weert/Nederweert behoorden in 1715 namelijk als zogenaamde rijksvrije heerlijkheden bij het hertogdom Oostenrijks-Gelre. Als aandenken heeft men een metalen kunstwerk met het opschrift Gelria geplaatst. De plek is ook goed herkenbaar door enkele fraaie staaltjes boomzaagkunst van peelwerkers en hun gereedschap.
Filosche PeelIn het bezochte gebied bevinden zich verschillende grote vennen. Onder andere "ven 't Eeuwig leven" en "Filosche Peel". Oorspronkelijk was dat "de Veluwse peel".  De naam is ooit door een cartograaf fout vermeld en op de kaart weergegeven en is zo Filosche Peel gebleven. De Filosche peel  ligt op een iets hoger gelegen zandrug met de naam “Peel de Veluwe” (een soort Veluwe, maar dan in het klein) Verder zijn er nog  "ven ’t Elfde" en het "Steltloperven". Restanten uit de tijd van de grootschalige vervening door Maatschappij Griendtsveen.
Mijn wandeling begon dus bij de 22 m. hoge uitkijktoren “Belfort Vossenberg”. Het Belfort, dat op 25 september 2020 officieel werd geopend, ligt dan wel op Meijels grondgebied, maar je hebt vanaf daar vooral een schitterend uitzicht op het Brabantse deel van de Peel. Het bouwwerk heeft vier verdiepingen met elk een eigen thema. Dat zijn behalve turfwinning en natuur ook oorlog en kunst. Aan de zuidkant zie je o.a. bij helder weer de  tot 20 km. verder gelegen koeltorens van de energiecentrale in Maasbracht.
Belfort betekent “vredesbewaarder”. Een toepasselijke naam, die goed past bij de historie van deze plek. Bij deze zandheuvel stonden soldaten paraat om te strijden voor de vrijheid van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog en dat zie je onder meer nog aan de 6 bunkers, die verspreid naast de toren staan. Deze bunkers, of kazematten, maakten deel uit van de Peelraamstelling. Het is een verdedigingslinie die vlak voor de Tweede Wereldoorlog werd gebouwd en moest voorkomen dat het Duitse leger Nederland binnenviel. Er is echter nooit een schot gevallen…….. Het is wel benoemd tot Rijksmonument.


De Vossenberg is met 32,9 m NAP het hoogste punt van de peel. De omgeving, met o.a. ’t Eeuwig Leven en de Kalispeel, is 28,7 m. NAP. Een verschil van 4 meter!!!!!
Van een berg of heuvel is dus allerminst sprake, maar het zorgt wel voor een droge plek in het natte peellandschap.

De naam Vossenberg zou, zo wordt meestal gezegd, duiden op het voorkomen van veel vossen in en op de hoogte. Een plaats dus waar vossen ook hun holen hadden. Een logische verklaring, zo lijkt het, maar in de etymologie denkt men daar toch anders over. Ik vond enkele andere verklaringen. In onder andere “Laatmiddeleeuws landschap en veldnamen in de Baronie van Breda”, door Chr Buiks en in “de Lage Vuursche” (Lage Vorse) van H. Stevens wordt vermeld dat vosse, vorse of forse is afgeleid van het oud-saksisch woord “fyrs” of “furze”, de naam voor de gaspeldoorn (Ulex europaeus) of stekende brem. Een vlinderbloemige struik die er oorspronkelijk veelvuldig zou hebben gegroeid.

Veldnamen werden in de loop der eeuwen vaak verbasterd. Meestal gebeurde dat uit onwetendheid. Dit noemt men volksetymologie. Ik heb in meerdere posts verwezen naar die verbasteringen. Denk bijvoorbeeld aan Areven ipv Hareven in Stramproy, Hondsteeg ipv Hontsteeg aan de Moeselpeel en Meerling (merel) ipv Mèrling (smelleken), de latere Laurabossen. Vooral woorden waar men een dier zoals vos, wolf, kat, muis of mus in zag, werden vaak letterlijk genomen. Door die verbastering kreeg het oorspronkelijke woord een andere betekenis. Ook de naam forseberg is zo in de loop der eeuwen verbasterd naar Vossenberg. Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn, dat het te maken heeft met de bruinige kleur die de “berg” voorheen had in het najaar en winter. In de Groote Peel vind je opvallend veel koningsvarens. Ook op de berg zouden in vroeger tijden weelderig varens gegroeid kunnen hebben. Die worden in het najaar bruin. Voor de kleur bruin gebruikt men ook wel het woord: vos. Denk bijvoorbeeld in dit verband maar eens aan het kastanjekleurig paard dat vos wordt genoemd. "Bruine berg" werd zodoende "Vossenberg".
Ook het nabijgelegen gebied “Berkenbruin” verwijst mogelijk naar de bruinige kleur, maar dan vanwege de bladeren van de berken die er massaal groei(d)en en in de herfst bruin kleuren.

Mijn voorkeur gaat hier uit naar "forseberg". Fors dus in de betekenis van furze=gaspeldoorn.


Het rechte pad dat je vanaf de toren goed kunt zien, wordt de Eeuwelsche Loop genoemd. Genoemd naar de Eeuwselse loop, het beekdal dat er oorspronkelijk langs liep (op deze foto rechts van het pad). Dit pad wordt ook wel het Evacuatiepad genoemd. Het is namelijk de historische route van Meijel naar Heusden, die werd gebruikt als ontsnappings- en evacuatieroute naar Noord-Brabant in de Tweede Wereldoorlog. Eeuwen daarvoor was het pad echter al essentieel voor de turfwinning in de Peel.


De Eeuwselse Loop was oorspronkelijk een breed en moerassig beekdal waar het water de vrije loop had. Geen kronkelende beek dus, maar een aantal waterloopjes in een moerassig gebied die samen kwamen. Het pad erlangs wordt Eeuwelsche loop genoemd. Na WO II werd het beekdal door de DUW (Dienst Uitvoering Werken) gekanaliseerd tot één loop, die in één lange rechte lijn door het gebied liep. Ook het (afval)water buiten de Peel loosde er op. Doel was om zo snel en zoveel mogelijk water af te voeren om het gebied te kunnen ontginnen.

Nu denkt men daar heel anders over. De stelregel van Staatsbosbeheer is nu; “Hoe natter hoe beter,want water is van levensbelang voor het gebied. Water is het bloed van de Peel!!!!" Daarom heeft men in 2017 dan ook de nutriëntrijke (voedselrijke) beek omgeleid. Deze loopt nu evenwijdig aan de provinciale weg Asten-Meyel en de oude beek is gedempt om zodoende het gebied te vernatten en het water langer vast te houden om het herstel van het hoogveen te kunnen herstellen. De Eeuwelse loop heeft nu dan ook geen drainerende werking meer op de omgeving. Oorspronkelijk liep de Eeuwselse Loop dus hier links van het pad en de omheining)

Het eeuwel of eeuwsel is een toponiem dat vroeger werd gebruikt om relatief arme of zure beekdalgraslanden aan te duiden. “Eeuwen” betekent oorspronkelijk voederen; het laten grazen op schraal grasland. Hoewel het woord eeuw, eeuwel en eeuwsel ook elders werd aangetroffen, is het toch vooral gebruikt op de zuidelijke zandgronden van Nederland en dan met name het midden en oosten van Noord-Brabant.

Er zijn meerdere plaatsen in Brabant die dit woord of een afgeleide daarvan gebruikten. In Asten en Heusden werden met eeuwsel (uitgesproken als een eu) de graslanden op de gemene gronden in de Peel bedoeld. In Uden noemde men dat de euwels en in Geldorp ’t eeuwel. In Heeswijk werden de lage weilanden langs de AA d’euzel genoemd. Ook op de Zeeuwse- en Zuid-Hollandse eilanden gebruikt men een afgeleide van die naam; de eeuwkant. Hiermee werden de lage drassige stroken langs de geulen aangeduid, die uitsluitend in gebruik waren als hooiland.


Met ‘t Eeuwig Leven wordt nu het gebied en het grote ven bedoeld dat westelijk van het pad de Eeuwelsche loop en de voormalige beek de Eeuwselse Loop ligt. Hier en daar lees ik dat de naam te danken zou zijn aan herberg “ ’t Eeuwig Leven". Dat is onjuist, want de herberg heette namelijk " Aan 't eeuwig leven". Genoemd naar het gebied met die naam en dus niet andersom…. Deze herberg lag in de tweede helft van de 19e eeuw ter hoogte van de huidige Tureluurweg en was een halte- en tolplaats aan de Meijelscheweg. Dat is de weg van Asten/Heusden naar Meijel (huidige N279) die ook midden door o.a. “Peel het eeuwig leven” werd aangelegd. 't Eeuwig Leven was dus oorspronkelijk veel groter dan het gebied nu.


De Astenaren bleven traditioneel hun turven steken, zij het buiten de veenderij van de Maatschappij Griendtsveen. Dat is nu nog te herkennen aan de kleinere turfputten die je hier en daar nog aan treft. De topografische kaart van 1892 laat ten noorden van het maatschappijgebied van van Grientsveen een stelsel van Peelbanen zien, waaraan de turfveldjes van de Astenaren lagen. In een register van de particuliere Peelveldjes uit 1897 kom je ook nog de naam “Nieuwe Eeuwiglevensche Baan”tegen en omstreeks 1911 zijn aan de de Meijelseweg en Goudplevierweg o.a. de Eeuwselsebossen aangeplant.


De Vossenberg als startpunt is bij de doorsnee bezoeker minder bekend, maar als je werkelijk wil genieten van de "stilte" moet je hier zeker eens naar toe gaan. De paden, banen genaamd, zijn het het hele jaar goed begaanbaar. Die banen waren oorspronkelijk nodig om de turf te kunnen afvoeren. Ze liggen dan ook een stukje hoger dan het omringende gebied, waar de vervening plaatsvond.  Ze zijn genummerd, zodat men vroeger goed kon uitleggen waar een bepaald perceel lag en tegenwoordig is dat belangrijk voor bijvoorbeeld de brandweer als die moet uitrukken vanwege een calamiteit.
Zoals je ziet zijn grote gedeeltes van de Peel begroeid met voornamelijk berken, pijpenstrootje en varens. Als men niets zou doen, zou het gebied dichtgroeien.
Hier en daar zie je dat er gekapt is, maar dat blijft beperkt en is altijd op kleine schaal uitgevoerd. Om het ecosysteem niet te veel aan te tasten, wordt niet rigoureus ingegrepen.
 
Ook wordt het gebied begraasd door runderen. Niet door taurossen zoals in Kempen~Broek, maar door de Blonde d'Acquitane. Een rustig ras, dat hier jaarrond kan grazen. Er ontstaan meer en minder sterk begraasde plekken, waardoor de natuurlijke begroeiing gevarieerd blijft. Het gebied is echter dusdanig groot dat begrazing alleen niet voldoende is. Om het gebied echt open te houden zijn nog andere maatregelen nodig. Te denken valt aan bijvoorbeeld de kap van de bomen, maar dat zie je hier eigenlijk niet veel gebeuren. Men wil alles beheersbaar houden, maar toch ook weer niet te rigoureus ingrijpen. 
Door de dichte vegetatie en de dichte matten die de wortels van het pijpenstrootje op de bodem krijgen, krijgen andere planten geen of te weinig ruimte en krijgen andere zaden ook nauwelijks de gelegenheid om tot ontwikkeling te komen . Er moet dus tijdig begraasd en geplagd worden.

Op de Groote Peel wordt zo geprobeerd het pijpenstrootje te verdringen en wordt de heidegroei weer gestimuleerd en in stand gehouden door middel van kleinschalig plaggen. Men noemt dit plaggen chopperen. Dat wil zeggen dat er slechts op een smalle strook een dun laagje aarde, waar eerst bijvoorbeeld pijpenstrootje of varens stonden, wordt verwijderd. Dat is goed te zien aan de parallel lopende banen waar alle vegetatie wordt weggehaald. Grootschalig plaggen levert misschien meer heide op, maar is vanuit het oogpunt van toename van de biodiversiteit ook weer niet altijd gunstig. Herstel van de heide is echter alleen mogelijk als nog kiemkrachtig zaad aanwezig is, of als dat van elders aangevoerd wordt.


Als alles naar wens verloopt en de bodem voldoende vochtig blijft, is dit het resultaat.
Ik ben via de hoger gelegen Amsloberg terug gelopen naar het startpunt en daar kon je nog beter het resultaat van dit kleinschalig plaggen zien. Hier stond enkele jaren geleden nog het pijpenstrootje.

zaterdag 28 augustus 2021

Allemaal beestjes #20

In mijn vorige post die over de Gewone berenklauw ging, vertelde ik al dat schermbloemigen zoals de Berenklauw erg geliefd zijn bij insecten. Dat is niet alleen omdat er zoveel bloempjes bij elkaar staan, maar ook omdat de nectar in die bloempjes zo gemakkelijk bereikbaar is. In het Heijekersbroek zag ik daar op een zonnige dag een duidelijk bewijs van. Ik telde op een en hetzelfde moment op een Gewone Berenklauw liefst 13 verschillende soorten die ik op naam kon brengen en nog enkele onbekende kevertjes. Helaas waren ze vanwege hun formaat niet allemaal gemakkelijk te fotograferen, maar ik wil je er toch een aantal laten zien.
Over het Landkaartje hoef ik niets toe te voegen, aangezien ik daar al eens in de post "Vlinders in 2018" uitgebreid bij heb stil gestaan. Als je er toch wat over wil lezen, dan moet je HIER even klikken.
Dat geldt ook voor deze Varenrouwvlieg. Daarover kun je meer lezen in de post "Allemaal beestjes#18"
De Kleine rode WEEKSCHILDKEVER (Rhagonycha fulva), ook wel soldaatje of rode weekschild genoemd, is een kever uit de familie van de soldaatjes (Cantharidae). Er zijn verschillende soorten uit het geslacht Rhagonycha die nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. De Kleine rode weekschildkever is een van de meest algemene soorten.

Het kevertje is 7 tot 11 mm. groot en heeft net als alle soldaatjes zachte dekschilden en een langwerpig lichaam, sprieterige poten en lange, duidelijk gesegmenteerde antennes. Het is van het Rood soldaatje (Cantharis rufa) te onderscheiden door het donkere einde van de dekschilden.
Je treft ze vooral aan in graslanden en andere open landschappen, in de zomermaanden niet zelden al parend in grote aantallen te vinden op diverse soorten schermbloemigen, waar ze van nectar snoepen en ook bloembezoekende insecten grijpen, die een belangrijk deel van het menu uitmaken. Ook de larven zijn actieve jagers die op de bodem leven van prooien als insectenlarven.
Op deze foto zie je een BLOKHOOFDWESP (Ectemnius). Het wespje rechts er naast is een Argusbladwesp (Arge gracilicornis). Blokhoofdwespen zijn wespen die herkenbaar zijn aan de grote kop en een breed gezicht. In het midden van het gezicht is vaak een glanzende zwarte middenzoom zichtbaar met witte haartjes er omheen. Blokhoofdwespen jagen op zweefvliegen en andere vliegen. Bij voorkeur langs een bosrand.
De Blokhoofdwesp is een graafwesp. Graafwespen (Crabronidae) heten zo, omdat veel soorten van deze wespenfamilie een nest in de grond graven. Daarnaast zijn er echter ook enkele soorten, waaronder de Blokhoofdwespen, die hun nest in oud hout, ruimtes in muren of stenen of in holle stengels maken. De meeste Blokhoofdwespen gebruiken holten in vermolmd hout of knagen zelf een hol in dood hout. Zo’n hol kan allerlei zijholtes hebben, waarin de wesp dode vliegen stopt. Op elke dode vlieg legt ze één eitje. Soms bevat één blokhoofdwespennestje wel honderd dode vliegen.
Op deze foto zie je van links naar rechts een Snorzweefvlieg, een Wenkvliegje, een Blokhoofdwesp en het kevertje rechts is een Streepdijblindwants. Zweefvliegen zijn het mooist om te zien. Ze danken hun naam aan het typische stil hangen in de lucht, ofwel "zweven". Dat gebeurt vooral tijdens het handhaven van een territorium. Het zijn dus met name de mannetjes die zweven. Van zweven in de strikte zin van het woord is eigenlijk geen sprake, omdat hun vleugels in een razendsnel tempo van 200-300 slagen per seconde op en neer bewegen. Ze zijn in staat om zij- en achterwaarts te vliegen. Dit maakt dat ze eigenlijk meer op helikopters dan op zweefvliegtuigen lijken. Tijdens het zweven maken ze felle uitvallen naar vermeende concurrenten zoals andere mannetjes of andere vliegen.De algemeenste zweefvlieg van Nederland is deze SNORZWEEFVLIEG (Episyrphus balteatus). Ze dankt haar naam aan de smalle, zwarte bandjes onder de zwarte banden op zijn achterlijf: deze bandjes hebben de vorm van een snorretje (model Zorro). Het wespachtig uiterlijk is blijkbaar voldoende om sommige vogels (en mensen!) af te schrikken. De grootste aantallen worden doorgaans in open bloemrijke biotopen gezien. Vooral in de zomer zitten de bloemen er soms vol mee. Hoewel de snorzweefvlieg graag schermbloemigen bezoekt, is ze niet heel kieskeurig in haar bloembezoek.

Het snorzweefvliegenvrouwtje legt haar eitjes op een plant waar veel bladluizen op zitten. De larven van de snorzweefvlieg voeden zich namelijk met bladluizen. Ze zitten vooral onderop bladeren, waardoor ze minder zichtbaar zijn dan de lieveheersbeestjes die ook bladluizen eten. In vraatzucht doen ze echter niet voor elkaar onder.
Het vliegje op deze foto is de "SEPSIS SPEC." Er is geen Nederlandse naam voor. Het is een zogenaamde wenkvlieg. Wenkvliegen (Sepsidae) worden ook wel "wappervliegen" genoemd vanwege het wapperen van de vleugels en het op en neer bewegen van hun haltertjes. Dit wapperen komt zowel bij de mannetjes als vrouwtjes voor en de functie is niet bekend. Mogelijk is dat om geur te verspreiden uit hun geurklier. De wenkvliegen verspreiden namelijk een zoete geur die mogelijke predators op afstand houdt. Het voedsel van wenkvliegen bestaat uit rottend organisch materiaal, pollen, meeldauw, boomwondvocht, en vocht uit schimmels op grassen. Een groot aantal soorten kom je ook op bloemen tegen.

Sepsidae hebben kenmerkende ronde kopjes. In Nederland zijn de meeste Sepsidae van het geslacht Sepsis. De meeste zijn zwart en klein 2,5-3.5 mm en hebben altijd een zwart vlekje op de vleugel. Wat ook opvalt aan deze vliegjes zijn de sterk vervormde voorpoten. Ze doen door dit uiterlijk wat aan een mier denken.
Die grote vervormde voorpoten zijn er niet voor niks. De mannetjes gebruiken die namelijk als "vleugelklem" door de dij en scheen om de vleugelbasis van een vrouwtje te klemmen bij de penetratie, zodat zij niet weg kan vliegen.
Dit is een MINEERVLIEG(Agromyzidae). Mineren is het aanleggen van mijnstelsels. Militairen van de genietroepen doen dat o.a. met explosieven. De larven van de Mineervliegjes vreten gangetjes uit in bladeren en stelen van kruidachtige planten. Vandaar de naam. Ze kunnen ook in wortels en zaden voorkomen. Daarom kunnen ze in de kassen grote schade aanrichten aan groente- en sierteeltgewassen. De meest voorkomende soorten zijn de tomatenmineervlieg, de floridamineervlieg en de nerfmineervlieg. Ik weet niet welke soort ik op de bloem zag, dus hou het maar op Mineervlieg onbekend.

De vrouwtjes boren met hun legboor gaatjes in het blad om zich te voeden met plantensappen. In sommige van deze “voedingsstippen” wordt een eitje gelegd. De mannelijke mineervliegen hebben geen legboor en maken gebruik van de door de vrouwtjes gemaakte voedingsstippen om zich te voeden. Direct nadat de eitjes uitkomen beginnen de larven te vreten en eten al het weefsel tussen opper- onderhuid van het blad weg. Hierdoor ontstaan gangetjes. Bij een ernstige aantasting heeft dit een verminderde productie tot gevolg en vermindert de sierwaarde van een plant.
De fotokwaliteit van deze mug is helaas niet denderend, maar ik wil je deze muggen toch laten zien vanwege de opvallende antennes en hun manier van vliegen. Hier zien we enkele mannetjes van een DANSMUG (Chironomidae). Welke? Dat kan ik niet zeggen, want in Nederland en België zijn ruim 175 verschillende soorten!!! Dat het een dansmug is, is wél duidelijk: ze vliegen namelijk recht op en neer, zodat het een beetje op dansen lijkt en omdat de voorste poten bij het zitten ook niet stevig op de grond worden geplaatst, worden ze door ieder zuchtje wind opgetild en in beweging gebracht. Ze worden ook wel wintermuggen, vedermuggen of pluimmuggen genoemd.

Dansmuggen zijn er het hele jaar door, maar bij koel en koud weer voelen ze zich op hun best. Omdat volwassen dansmuggen actief zijn vanaf de herfst tot het voorjaar, vallen ze vaak op in de winter. Ze kunnen dan reusachtige zwermen vormen. Dansmuggen zijn eenvoudig van steekmuggen te onderscheiden; vanwege hun manier van vliegen, ze zijn slechts 6 tot 10 mm. lang, hebben grote witte half doorzichtige vleugels, die als een afdakje op de rug worden gevouwen. En ........ ook goed om te weten: dansmuggen hebben geen zuigsnuit en steken dus niet. De meeste dansmuggen eten zelfs niet eens als ze volwassen zijn.
Een steekmug daarentegen heeft een naar voren wijzende zuigsnuit, die ongeveer half zo lang is als het lijf van de mug en de helder doorzichtige vleugels van steekmuggen zijn langer dan het achterlijf.
De mannetjes van de Dansmug hebben grote pluimvormige antennen, de vrouwtjes hebben weinig behaarde antennen. Ze zijn niet schadelijk en vormen een voedselbron voor een heleboel andere insecten, vogels en zoogdieren. De wormachtige bloedrode larven van de meeste soorten leven in het water, op vochtige grond of rottend organisch materiaal (bijvoorbeeld in de rottingslaag op de bodem van stilstaand water). De rode larfjes zijn ideaal visvoer en visaas. Bij de vissers zijn ze bekend als "vers de vase".

zondag 15 augustus 2021

Gewone berenklauw

Als het Fluitenkruid in juli is uitgebloeid, zien we de Wilde peen en Berenklauw verschijnen. Ze bloeien tot in oktober. De naam berenklauw verwijst naar de bladeren, die diepe veervormige insnijdingen hebben en lijken op een klauw. Er zijn 2 soorten: de inheemse Gewone berenklauw en de Reuzenberenklauw .

Op de foto hierboven zie je de Reuzeberenklauw. Het is een soort die van oorsprong uit de Kaukasus komt en ooit vanwege zijn sierwaarde in ons land terecht is gekomen. We noemen het een invasieve exoot; hij hoort hier namelijk eigenlijk niet thuis en wordt door menigeen verwenst, omdat hij zich steeds meer en tot wanhoop van onze natuurbeheerders, in onze natuurgebieden verspreidt, onze inheemse plantensoorten verdringt en onuitroeibaar lijkt.

Deze plant kan wel tot 4 m. hoog worden en is vooral te herkennen aan de grote geveerde bladeren, de rode vlekken op de stengel en de zeer sterke borstelige beharing. Het sap (furocumarine) dat vrijkomt bij aanraking via de haren kan, in combinatie met zonlicht, zeer vervelende gevolgen hebben; rode jeukende vlakken die overgaan in een ontsteking van de huid met zwellingen en zelfs blaren. De huid kan eruit zien als een brandwond en het duurt ruim 2 weken tot de wond is genezen. In de ogen kan het sap zelfs tot blindheid leiden. Vermijd dus contact. In juli 2014 heb ik hier al ooit over geschreven.
Meer weten over deze exoot? Klik dan HIER.

Gewone berenklauw
Gewone berenklauw
Ik wil het in deze post hebben over de Gewone berenklauw (Heracleum sphondylium). Een soort dus die hier van oorsprong thuishoort en geen bedreiging is voor onze biodiversiteit. Hoewel kleiner dan zijn soortgenoot, is het ook een grote en stevige plant van 90 – 150 cm ( met uitschieters tot wel 2.00 m.).
Gewone berenklauw is gevoelig voor schermbloemmeeldauw
Blad van de Gewone berenklauw is meer gelobd dan bij de Reuzenberenklauw
Hoewel minder opvallend, is de Gewone berenklauw net zoals de Reuzenberenklauw geheel ruw behaard. De plant kan ook (maar in mindere mate dan de Reuzenberenklauw), voor gevoelige mensen lastig zijn; na aanraking met de haren kan hinderlijke jeuk en irritatie ontstaan.
Het is een zeer algemeen voorkomend kruid, dat  vooral voor komt op stikstofrijke, vochtig grasland en bermen, bosschages, in bossen en in onkruidvegetaties, zowel in de volle zon als in halfschaduw.
De bloempjes van deze plant zijn zeer klein en staan in groepjes bijeen. Die groepjes staan op hun beurt ook weer gegroepeerd in een groot scherm.
Zaden van de Gewone berenklauw
De gevleugelde vrucht is een tweedelige splitvrucht met eenzadige deelvruchten. Een eigenschap van schermbloemigen is dat er zeer veel zaad wordt geproduceerd, zodat ze zich gemakkelijk verspreiden. Voor de Gewone berenklauw is dat geen probleem. Anders is dat bij de Reuzeberenklauw. Wil je verspreiding daarvan voorkomen dan zouden de bloemen, meteen nadat die zijn uitgebloeid, verwijderd moeten worden. In je tuin kan dat natuurlijk, maar in de vrije natuur is dat uiteraard onmogelijk. Vandaar dat die soort een steeds grotere bedreiging is voor onze inheemse vegetatie.
De Gewone berenklauw is een geliefde plant voor talloze insecten
De bloemschermen trekken heel veel insecten aan. De nectar is in deze kleine bloempjes namelijk gemakkelijk bereikbaar. Op de bloemschermen van één Gewone Berenklauw trof ik onlangs in het Heijkersbroek maar liefst 13 verschillende insectensoorten aan. Daaronder vooral zweef- en andere vliegen, maar ook een Landkaartje (Araschnia levana) en de Kleine rode weekschild (Rhagonycha fulva), een kevertje uit de familie van de Soldaatjes dat hier voor de nectar komt, maar als roofkever vangt hij er ook kleine spinnetjes en insecten.

In "Allemaal beestjes#20",de volgende post, wil ik over deze insecten wat meer vertellen.

Blogarchief