Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Translate

Volgers

zondag 24 september 2017

Herfst 2017.......Witte kluifzwam

Het hele jaar, ook in de winter, zijn er paddenstoelen, maar voor de paddenstoelenliefhebber is de herfst toch hét seizoen waarin je op ontdekking kunt gaan. In de vorige post schreef ik al dat er in de afgelopen maand nog niet echt veel te ontdekken was, maar in korte tijd is dat veranderd en nu zien we ze overal verschijnen.

In de vorige post heb ik deze foto van de Witte kluifzwam al geplaatst. Zonder verdere toelichting.
Ik beloofde dat ik de volgende post wat meer over deze bijzondere en soms bizarre "schimmelsculpturen" zou vertellen en zou laten zien.

Paddenstoelen zijn er in alle formaten, kleuren en vormen, maar de meest bizarre is toch wel een Kluifzwam.
In dit geval dus de Witte kluifzwam (Helvella crispa). Crispa betekent "krullend", “rimpelig” of “geplooid”. De dikke, holle en gegroefde steel gaat over in gebogen en omgeslagen lobben, die een vage en grillige "hoed" vormen.

Ik las eens een verhaal over een hond die in zo’n Witte kluifzwam beet. Zou hij hem echt aangezien hebben voor een bot? Ik betwijfel het, maar de geplooide en gegroefde steel heeft zeker enige gelijkenis met een afgekloven bot.

Het is een zogenaamde zakjeszwam of bekerzwam. Deze zwam heeft dus geen plaatjes of buisjes, maar heeft bovenop een lichtbruin- gelig kiemvlies met zakvormige cellen, waaruit de sporen kunnen wolken. Bij rijpheid worden die met kracht uit de cel weggeschoten. Het schijnt dat je dat zelfs kunt horen, maar dan moet het toch wel héél stil zijn.

Je vindt hem meest in houtsingels, onder heggen en langs bermen tussen bladeren en met een lichte onderbegroeiing. Als het maar een vochtige en lommerrijke omgeving is, waar licht de grond nog bereikt.

Men vermoed dat Kluifzwammen behalve afvalopruimers waarschijnlijk ook schimmels zijn die samenleven met bepaalde bomen (symbiose). De Witte kluifzwam wordt in elk geval vooral in de nabijheid van eiken aangetroffen.


Vroeger was deze paddenstoel bekend als een eetbare paddenstoel, maar uit onderzoek is gebleken dat hij spijsverteringsproblemen kan veroorzaken en bovendien kankerverwekkend is. "Gelukkig maar" !!!!!
Niet alleen omdat men dat ontdekt heeft, maar ook omdat men nu die prachtige exemplaren tenminste laat staan, zodat wij er ook van kunnen genieten.


vrijdag 22 september 2017

Herfst 2017.......Paddenstoelentijd deel 1

Op de site van "Nature today" schreef Martijn Oud, van de Nederlandse Mycologische Vereniging een paar dagen geleden: "Grillig weer van grote invloed op het verschijnen van paddenstoelen".
"Dit jaar was het tot en met augustus redelijk gunstig weer voor paddenstoelen. De afgelopen twee weken bepaalden wolkbreuken het weertype. Veel paddenstoelen hebben vocht nodig voor hun ontwikkeling, maar een teveel aan vocht is ook niet goed. Nu het wat droger wordt, krijgen paddenstoelen weer een kans."
Als je het hele artikel wil lezen, klik dan HIER.

Afgelopen weken ben ik al enkele keren op pad gegaan en ik denk dat Martijn Oud gelijk heeft.
In de Tungelroyse wallen was het 3 weken geleden nog lang geen hosanna. Weinig paddenstoelen te zien in het stuifzandgebied. In de  "wel" is het echter altijd wat later voor de paddenstoelen zich er goed laten zien. In het Munnichsbos in Pey-Echt viel het 2 weken geleden in de regen echter ook nog tegen.
Afgelopen woensdag was het dan eindelijk niet alleen een heerlijk temperatuurtje, maar konden we in het Leudal met de Paddenstoelenwerkgroep maar liefst 67 soorten inventariseren.!!!!!!!!!!!!!!!!

In deze 1e "Paddenstoelentijd" van 2017 laat ik een aantal exemplaren zien, die ik tijdens die bezoekjes zag.

Witte kluifzwam
De meest bijzondere voor mij is deze Witte kluifzwam (Helvella crispa)), waarvan ik meerdere exemplaren vond aan de rand van de Tungelroyse wallen. Gewoon langs de weg, een meter of 10 verder dan de plek waar ze vorig jaar stonden. Hoewel paddenstoelen er in alle formaten, kleuren en vormen zijn, vind ik de Witte kluifzwam toch wel de meest bizarre. In de volgende post wil ik er wat over vertellen en verschillende van deze "schimmelsculpturen" laten zien.

Geschubde inktzwam
Hij stond er maar zielig bij, deze Geschubde inktzwam (Coprinus comatus). Langs een omgewoeld bospad aan de rand van de Tungelroyse wallen stond ie in de nattigheid te verpieteren. Aan de vorm van de hoed, verkleuring en de zwarte rand was te zien dat hij al danig aan het "aftakelen" is.
Samen met de grote kale inktzwam is hij de meest bekende en talrijkste van de 100 inktzwammen in ons land. In de "jeugd" is de 5-15 cm hoge hoed ei- tot klokvormig, wit met een lichtbruin, glad centrum en bedekt met licht omgekrulde schubben. De hoed scheurt later vanaf de rand in en vervloeit tot zwart. Ook de lamellen zijn wit in de jeugd, maar verkleuren later vanaf de rand via roze naar zwart.
Als langs de randen scheurtjes ontstaan, komen er grote zwarte kleverige druppels uit.
Elke (inkt)druppel bevat sporen en trekt vliegen aan, die voor de verspreiding zorgen.
De naam inktzwam komt nog uit de tijd dat er met een ganzenveer geschreven werd en het zwarte goedje, na een bepaalde behandeling met bijvoorbeeld kruidnagels, als inkt gebruikt werd.

Parelamaniet
De Parelamaniet is een zeer algemene Amaniet die in allerlei soorten bossen en op allerlei soorten bodems gevonden kan worden. De hoed van de Parelamaniet is grijsbruin tot donkerbruin gekleurd en bevat lichtgrijze tot bruinrode "wratjes". De steel is wit tot roodbruin gekleurd en is vaak kaal, maar kan ook met fijne schubben bezet zijn. Verder bevat de steel een vliezige witte ring welke verticaal gestreept is.

Parelamaniet
De Parelamaniet (Amanita rubescens) kan gemakkelijk verward worden met 2 andere soorten namelijk de Grauwe Amaniet (Amanita excelsa) en de Panteramaniet (Amanita pantherina).Het belangrijkste verschil is dat de Parelamaniet roze tot rood verkleurt als deze beschadigd wordt. Het kan enkele uren duren voordat die verkleuring ook daadwerkelijk zichtbaar wordt. Het is soms al duidelijk te zien bij vraatplekken van maden of slakken. Een ander verschil is, dat de Parelamaniet geen spierwitte vlokken op de hoed heeft zitten.

Parelamaniet
Soms is er ook al een duidelijke roze tot rode waas zichtbaar over de hoed of steel, zonder dat er een beschadiging aanwezig is. De plakjes op de hoed kunnen er door regen vanaf spoelen, waardoor hij soms lastiger te herkennen is. Dat is volgens mij ook het geval bij deze paddenstoel.

Echte tolzwam
De Echte tolzwam (Coltricia perennis) is een vaak geziene paddenstoel in naald- en loofbos (bij voorkeur dennen) en op heidevelden op droge, voedselarme zandgrond. De tot 8 centimeter grote hoed is kaneelachtig of roestbruin gekleurd en heeft concentrische ringen. Het centrum is meestal verdiept en het oppervlak ziet er fluwelig uit. Aan de onderzijde bevinden zich opvallend korte buisjes, lichtgrijs tot bruin van kleur. De kaneelkleurige steel is vrij kort en fluwelig. Vaak zijn stelen ook met elkaar vergroeid. De sporen zijn bruin.

oude Grofplaatrussula
Russula is een geslacht van paddenstoelen met meer dan 750 soorten. De soorten komen algemeen voor en zijn meestal felgekleurd, met een doorgaans witte stevige steel. Verder zijn ze herkenbaar aan een broos vruchtlichaam,ze verbrokkelen gemakkelijk (ook de lamellen), de steel is gemakkelijk breekbaar en ze hebben geen melksap. Door deze kenmerken zijn het best herkenbare soorten.
Soorten uit het verwante geslacht melkzwam (Lactarius) hebben dezelfde kenmerken, maar die scheiden een melkachtig latex af bij kneuzing van de plaatjes. Het is dus tamelijk gemakkelijk een paddenstoel uit dit geslacht herkennen, maar veel moeilijker wordt het om de juiste soort te bepalen.

Plaatjes van de Grofplaatrussula
Dat geldt niet voor deze algemeen in Nederland voorkomende Grofplaatrussula (Russula nigricans). Het is een forse paddenstoelensoort en de hoed kan wel tot 20 cm. in doorsnede worden. De zwam is niet kieskeurig, maar je ziet ze toch vooral bij eiken en beuken. Het Latijnse “nigricans” betekent "zwart wordend". De Nederlandse naam "grofplaat" verwijst naar de zeer grove lamelstructuur, een duidelijk kenmerk voor deze soort. De hoed en lamellen zijn in het begin nog vuilwit, maar worden al snel grijsbruin en later zwart. Dat is op de foto goed te zien. De stevige, vrij dikke steel blijft lang wit, maar wordt op den duur ook bruin of zwart.

Poederzwamgast
Op de vorige foto heb je misschien gezien dat op deze Grofplaatrussula een paar "gasten" op de hoed zitten (linksboven). Om precies te zijn de Poederzwamgast (Nyctalis asterophora). Ik heb van de kleintjes een foto gemaakt, die helaas niet echt scherp is. Dat geldt ook voor de close-up van de grotere exemplaren, maar dat zag ik pas bij thuiskomst. Dus ik moet het er mee doen.

Poederzwamgast
Het is een klein parasitair zwammetje, dat leeft ten koste van de nog levende Grofplaatrussula. Je ziet ze dus op Russula's, maar ook op melkzwammen tref je ze aan. De Poederzwamgast groeit als kleine vruchtlichamen op de hoed van de gastheer. Het is dan wel een plaatjeszwam, maar echte lamellen vormt deze zwam geen of nauwelijks. De hoed is één tot twee centimeter in doorsnee, is halfbolvormig tot kussenvormig. Het witte poeder dat bij de jonge zwam op de hoed zit, zijn sporen (ongeslachtelijke chlamydosporen). Bij het ouder worden kleuren die bruin en verstuiven dan.

Gewoon varkensoor
Gewoon varkensoor (Otidea onoticais), ook wel varkensoortje genoemd is een zakjeszwam, die voorkomt in loofbossen en gemengde bossen. De vruchtlichamen verschijnen meestal in groepjes, maar kunnen ook alleen staan. De soort is in Nederland matig algemeen en staat op de Rode Lijst als "kwetsbaar".
Jonge vruchtlichamen beginnen schotelvormig, maar de ene kant ontwikkelt zich sneller dan de andere, waardoor het langwerpig wordt, splijt, en naar binnen krult. Zo'n opgericht staand Gewoon varkensoor is tot 10 centimeter hoog, heeft dus inderdaad de vorm van een varkensoor en is vaal oranjegeel tot roze van kleur. De latijnse naam Otidea betekent "als een oor" en onoticais betekent "ezelachtig". In Duitsland heet de paddenstoel dan ook "Eselsohr".

Het Gewoon varkensoor lijkt sterk op het Zeemkleurig hazenoor. Dus verwisseling ligt op de loer. Ik heb dan ook mijn twijfels of dit een "varkensoor" is, maar de leden van de Paddenstoelenwerkgroep waren eensgezind.

Oorlepelzwammetje
De Oorlepelzwam (Auriscalpium vulgare) is een leuk paddenstoeltje. Het groeit alleen op niet- of ondiep begraven dennenappels en sparrenkegels. Het wijkt af van wat we normaal bij een paddenstoel zien, namelijk het steeltje zit niet in het midden, maar is zijdelings aan de hoed gehecht, waardoor het die typische vorm heeft van een lepel. Het oor tot niervormige hoedje is 0,5 - 2 cm breed, dun maar stevig en viltig behaard. De steel is roodbruin tot donkerbruin en ook viltig behaard.
Aan de onderkant van de hoed tref je geen plaatjes of buisjes aan, maar dicht opeen geplaatste stekels. Op deze stekeltjes worden de sporen gevormd. Bij het ouder worden verkleuren zowel hoed, steel en stekels donkerder.Van bovenaf worden de donker gekleurde hoedjes dan ook gemakkelijk over het hoofd gezien.

Roodbruine slanke amaniet
De Roodbruine slanke amaniet (Amanita fulva) is zeer algemene paddenstoelensoort. Hij wordt vooral onder eiken, beuken en berken op zure grond gevonden, maar af en toe ook onder naaldbomen. Deze soort is niet giftig en na goed verhitten ook eetbaar, maar niet echt aan te bevelen. Er zijn meer niet-giftige amanieten. Ze onderscheiden zich dan wel van de giftige knolamanieten door het ontbreken van de ring en de geribde hoedrand, maar wees voorzichtig.

 
Als het vruchtlichaam boven de grond komt, scheurt het velum al vrij snel open. Het velum is het vlies, dat de hoed en de steel tot aan de basis oorspronkelijk omkapselt en zich dan ontwikkelt tot een witte, duidelijk zichtbare beurs aan de steelvoet. Daarom heeft deze zwam in tegenstelling tot andere amanieten ook geen manchet en geen velumresten (de stippen) op de hoed.

Roodbruine slanke amaniet
De hoed is aanvankelijk ei-vormig tot halfbolvormig. In dit stadium vind ik hem op zijn mooist.
Later spreidt hij zich uit tot een diameter van 10 tot 15 cm.

Roodbruine slanke amaniet
Zo wordt het een min of meer vlakke (of schotelvormig verdiepte) schijf met een umbo (knobbel) in het midden. Het oppervlak is glad en licht oranje- tot roodbruin gekleurd, in het midden ook iets donkerder.
Later wordt ie aan de rand lichter van kleur. Die rand is duidelijk kamvormig geribd.
De holle, gladde en licht gekleurde steel is relatief lang in vergelijking met de diameter van de hoed. Vandaar de naam "slanke amaniet". De witte lamellen zijn vrij van de steel.

maandag 4 september 2017

Allemaal beestjes #9

Een nieuw rondje "allemaal beestjes". De negende al weer. Ook nu weer, net zoals de vorige post, van alles wat.

Bruine veldsprinkhaan

Sprinkhanen worden in 2 groepen verdeeld: veldsprinkhanen en sabelsprinkhanen. Veldsprinkhanen zijn de lawaaierige, vegetarische springwondertjes met tamelijke korte en dikke antennes.Sabelsprinkhanen, die zowel planten als insecten eten, hebben lange en heel dunne antennes.
Veel soorten veldsprinkhanen lijken op elkaar, vooral omdat een soort zo veel verschillende kleuren kan hebben, en zijn dan ook moeilijk uit elkaar te houden. De echte kenners herkennen ze ook niet aan het uiterlijk, maar aan het geluid. Zo hebben ze vaak ook hun naam gekregen. Ik denk bijvoorbeeld aan het Zoemertje,de Snortikker, de Krasser, de Ratelaar en het Locomotiefje.

Bruine veldsprinkhaan
Hier zie je de Bruine veldsprinkhaan. Hij wordt vanwege zijn “zang” ook wel Tandrandje genoemd. Deze liet zich nogal gemakkelijk oppakken en fotograferen. Pas bij thuiskomst zag ik op de pc. waarom; hij had namelijk maar één achterpoot. Net een van de poten die hij hard nodig heeft om weg te springen. Eerlijk gezegd weet ik niet of die tzt weer zal aangroeien. Het lijkt me van niet.

Grote groene sabelsprinkhaan
Sabelsprinkhanen danken hun naam aan de “sabel” die het vrouwtje heeft. Dit is de legbuis die ze gebruikt om de eitjes in de bodem af te zetten. Ondanks het vervaarlijke uiterlijk kan de legboor niet gebruikt worden om te steken. Omdat je bij deze sprinkhaan geen sabel ziet, weet je dat het een mannetje is.
De soort die je hier ziet is de grootste in ons land: de Grote Groene Sabelsprinkhaan. Het lijf (dus exclusief de lange vleugels) is ruim 30 mm. Het vrouwtje kan zelfs 38 mm. worden. De achterpoten zijn ongeveer twee keer zo lang als de andere twee paar. Ook heeft deze soort opvallend lange en zeer beweeglijke voelsprieten. Die zijn bijna even lang als het lichaam.

Heidesabelsprinkhaan vrl.
In Europa zijn 22 verschillende soorten sabelsprinkhanen. De soort die je hier ziet is de Heidesabelsprinkhaan. Je ziet dat de lichaamskleur overwegend bruin is, maar de bovenzijde van zijn kop, het halsschild en de voorvleugels zijn grasgroen. Dit is overduidelijk een vrouwtje. Zij is namelijk te herkennen aan de vrij lange en sterk omhoog gekromde sabel of legboor die aan het einde zeer donker tot zwart gekleurd is. Op de volgende foto zie je het mannetje. Wat ook op valt bij deze soort, zijn de korte vleugels, die niet verder dan het midden van het achterlijf komen.

Heidesabelsprinkhaan mnl
Vanwege die sterk gereduceerde vleugels kan hij niet vliegen. Aan de grote achterpoten is te zien, dat hij zich vooral springend verplaatst.
De Heidesabelsprinkhaan komt in grote delen van Europa voor. Het is opvallend dat deze soort langs de kust en op de Waddeneilanden ontbreekt. Hier in het zuiden des lands wordt hij echter overal op de zandgronden aangetroffen. Zijn habitat is vooral vochtige heidevelden en gebieden met hoogveen. Hoewel hij ook wel in drogere gebieden wordt gevonden, heeft hij toch een voorkeur voor vochtige biotopen. Ik zag deze langs de Noordervaart op de Grote Moost (gemeente Nederweert).

Koninginnenpage
Van de Koninginnenpage heb ik al eerder een foto geplaatst. Het is echter zo'n mooie soort, dat ik deze wel móest plaatsen. Het is met zijn spanwijdte van ca. 75 mm. een van de grootste vlinders die in België en Nederland wordt gevonden. De page heeft een voorkeur voor open, bloemrijke landschappen.
Hij kan door het gehele land worden gevonden, maar is in het zuiden algemener dan in het noorden. De temperatuur is namelijk een belangrijke factor voor het voortplantingssucces van de vlinder. In warme jaren zijn er ook meer generaties dan in koele jaren.

Koninginnenpage
Zoals je ziet is zijn hele lijf behaard; grotendeels een zwarte beharing, maar aan weerszijden van de kop en de zijkanten van het borststuk heeft hij een meer gele beharing. De antennes zijn lang en dun en eindigen in een ei-vormige knop, zodat het geheel wat weg heeft van een golfclub.

Koraaljuffer
De libellen worden in 2 groepen ingedeeld: juffertjes en “echte” libellen.
Hoewel het niet altijd meevalt , vind ik het vooral leuk om de kleine en vaak oh zo tengere juffers te fotograferen. Juffers hebben vleugels waarbij de voor- en achtervleugels ongelijk van vorm zijn en minder stevig, waardoor ze langzamer en minder wendbaar zijn, wat het fotograferen gelukkig weer wat gemakkelijker maakt.
De vleugels worden in rust langs het lichaam gehouden, terwijl de veel snellere “echte” libellen de vleugels horizontaal uitspreiden. Ook zijn de ogen van de juffer kleiner en duidelijk van elkaar verwijderd. Hun kop heeft daardoor wel iets weg van een hamertje.

Paringswiel Koraaljuffers
Deze kleine tot middelgrote Koraaljuffer, met een lengte van slechts 35 mm, is één van de weinige bijna volledig rode juffers. Vandaar ook de naam. Hij wordt nogal eens verward met de Vuurjuffer, maar die heeft zwarte pootjes, terwijl die van de koraaljuffer donkergeel tot rood zijn.
Het is eigenlijk een soort van het Middellands Zeegebied. Nederland en België liggen bijna op de noordelijke grens van het verspreidingsgebied, daarom is ze hier vrij zeldzaam tot zeldzaam. In België staat ze zelfs op de Rode lijst. Ze komt in Nederland vooral voor in de omgeving van stilstaand water op de Drentse, N. Brabantse en Limburgse zandgronden.

Paringswiel Vuurjuffer
Juffers paren op een bijzondere manier. Hier zie je het paringswiel van Vuurjuffers (let op de zwarte pootjes!)
Het mannetje brengt voor de "daad" zijn zaad over uit zijn achterlijfspunt naar een holte net achter zijn borststuk. Vervolgens grijpt hij met z'n achterlijf 't eerste 't beste vrouwtje dat zijn territorium binnenvliegt, letterlijk bij de nek.
Omdat veel waterjuffers op elkaar lijken (niet alleen voor ons mensen, maar ook voor de waterjuffers zelf), heeft het uiteinde van het achterlijf van het mannetje de vorm van een tangetje, dat als een soort sleutel alleen past in het "slot" in de nek van een vrouwtje van dezelfde soort. Daardoor worden vergissingen voorkomen.
Vervolgens brengt het vrouwtje de punt van haar achterlijf naar de voorste achterlijfsleden van het mannetje en neemt daar het sperma over. Zo vormen ze samen een “paringswiel”. De eitjes worden in het lijf van het vrouwtje bevrucht op het moment dat ze op waterplantjes worden afgezet. Tijdens de ei-afzetting houdt het mannetje “de sleutel nog in het slot” om zo te verhinderen dat andere mannetjes met “zijn” vrouwtje paren.

Icarusblauwtje mnl.
De groep blauwtjes is genoemd naar de blauwe kleur op de bovenkant van de vleugels. Het zijn relatief kleine beweeglijke vlindertjes (spanwijdte van ca. 30 mm.), die we overal in Europa kunnen aantreffen. Niet alle blauwtjes zijn overigens blauw: van de meeste soorten heeft het vrouwtje namelijk een bruine bovenkant en er is zelfs een Bruin blauwtje….
Bij het mannetje van bijvoorbeeld het Icarusblauwtje is het wat gemakkelijker, want dat is opvallend helder en egaal blauw van kleur. Het vlindertje heeft een voorliefde voor bloemrijke graslanden en ruigtes. Hier zit het mannetje op de bloem van een kamilleplant.

Icarusblauwtje vrl.
Omdat met name die bruine vrouwtjes, erg op elkaar lijken, is determinatie binnen deze groep soms lastig. De vrouwtjes van het Icarusblauwtje zijn op de bovenvleugel bruin gekleurd met oranje vlekjes. Maar dat geldt ook voor het Bruine blauwtje, waardoor deze 2 nogal eens verward worden. Uiteindelijk is de onderkant van de vleugels bepalend voor de soort.

Stadsreus
De Stadsreus of Hoornaarzweefvlieg, is een insect uit de familie zweefvliegen. Vroeger een zeldzaamheid, maar de laatste jaren wordt ie steeds vaker gezien. Het is (zoals alle zweefvliegen trouwens) een onschuldig insect dat leeft van nectar en stuifmeel. Een "schaap in wolfskleren", want vanwege de grootte en de oranjebruine kleuren lijkt hij sprekend op een Hoornaar, een wespensoort die heel pijnlijk kan steken. Zweefvliegeters (en ook veel mensen) zijn dan ook geneigd te denken: “Oei, gevaarlijk beest, met rust laten!”

De bolle Stadsreus heeft de naam Reus niet voor niets; hij is veel groter dan de meeste andere soorten zweefvliegen en kan een lichaamslengte van meer dan 2 centimeter bereiken. Hij komt veel voor in stedelijk gebied, vandaar de Nederlandse naam. Aan de opvallend roestrode borststukrug is te zien dat dit een vrouwtje is. Bij het mannetje is het meer zwartig.
Ook bijzonder aan deze vlieg is dat ze haar eitjes in een wespennest legt. Hoe ze dat voor elkaar krijgt is nog steeds onduidelijk. De larven eten de dode wespenlarven en afval in het nest op en worden ook met rust gelaten.

Zwarte wegslak
De kans is groot dat we nu, vanwege de dauw in de ochtend en het warme vochtige weer, een naaktslak aantreffen. Op de foto zie je de Zwarte Wegslak. De meest voorkomende soort is de Gewone Wegslak (Arion rufus), ook wel Grote of Rode Wegslak genoemd. Inderdaad vaak rood, maar de kleur van deze slak is heel variabel; van oranje tot knalrood, maar ook bruine, groengrijze en geheel zwarte exemplaren komen voor. Altijd hebben ze echter een oranje rand rond de voet. Dit in tegenstelling tot de Zwarte wegslak, die als volwassen slak gewoonlijk zwart is, maar die ook steenrood, oranjeachtig, grijs tot zelfs wit kan zijn. Bij deze slak ontbreekt echter altijd die oranje voet.
Steeds meer biologen zijn geneigd deze twee als één soort te beschouwen.

Gewone Wegslak
Dat je uitkomt bij een vrijend paartje Gewone wegslakken is natuurlijk mazzel hebben. Om dat paringsritueel van begin tot eind te volgen, heb je wel even nodig, want het duurt meerdere uren. Met een slakkengangetje dus.... Dat duurde zelfs mij te lang......
In principe kan een naaktslak zichzelf bevruchten, maar als hij de kans krijgt doet hij het liever met een ander exemplaar. De “penis” (of iets wat daarop lijkt), komt uit de zijkant van zijn lichaam, dat zich onder die opening aan de rechterkant van zijn kop bevindt(de ademopening). Zijn “ding” komt uit een geslachtsopening, waarin ook het vrouwelijk geslachtsorgaan zit. De mannelijke geslachtsorganen van beiden is dat in elkaar gedraaid "kloddertje kit" tussen hen in. De "penissen" krullen dan als het ware om elkaar heen en tijdens dat draaien wisselen ze een zaadpakketje met elkaar uit. Om dat te verwezenlijken is standje 69 nodig!!
Raar? Natuurlijk is dat raar, maar niet voor naaktslakken. Die zijn namelijk hermafrodiet; ze hebben zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen. Het zaadpakketje wordt in de geslachtsopening gestopt, waar zich dus ook het vrouwelijk orgaan bevindt. Beide partners kunnen na het paren al meteen eitjes leggen, maar ze wachten hier vaak mee en slaan het zaad van de ander soms wekenlang op. Zo kunnen ze de eitjes die tijdens het paren nog niet rijp waren, namelijk later bevruchten.

Wespspin of Tijgerspin
Het valt me op dat ik steeds vaker de Wespenspin of Tijgerspin zie tijdens mijn struintochten. Het is een mediterrane spin, die nog niet zo lang voor komt in Nederland. Het eerste exemplaar werd in 1980 aangetroffen in Zuid-Limburg en in 2008 werd ze voor het eerst waargenomen in Groningen. Vooral de laatste 10 jaar is de soort aan een opmars bezig. Ze is zo uiteraard genoemd vanwege haar zwart-gele strepen. De spin leeft in open grasland en maakt haar web tussen de grashalmen of in laag struikgewas. Ze hangt altijd op haar kop aan de onderkant van het web, wat het er niet gemakkelijker op maakt er een geslaagde foto van te maken. Vooral haar kop is eigenlijk nooit te zien. Vrouwtjes zijn groter dan de mannetjes. Ze worden ongeveer 15 millimeter lang, gemeten van de kaken tot aan de punt van het achterlijf. Door de grote dikke poten lijkt de spin echter aanzienlijk groter.
Hier zien we hoe ze net haar meest voorkomende prooi heeft gevangen; een sprinkhaan. Interessant om van dit "drama" getuige van te zijn. In een mum van tijd was ze bij hem, verdoofde hem met een beet en voordat ie daar van bekomen was, had ze hem al ingekapseld tot een pakketje.
De spin kan niet steken en de beet is ongevaarlijk voor mensen.

Omdat de spin altijd op zijn kop hangt, krijg je alle gelegenheid om de spintepels goed te bekijken. De spintepels waaruit de spindraden komen om webdraad en cocons te maken en waarmee de spin haar prooi verpakt.

Cocon Wespspin
Tijdens een inventarisatie van plantjes in de Grote Moost vond ik een cocon van deze Wespenspin. Een soort urntje met een doorsnede van ongeveer twee tot drie centimeter en donkere strepen. Het was puur toeval dat ik daar bij uit kwam, want ze zijn best moeilijk te vinden. Ik vond deze ook niet naast het web. Er zat wel een meter afstand tussen web en cocon. Het cocon zat op ongeveer 50 cm. boven de grond en was stevig verankerd aan planten, met vele spinseldraden er omheen ter bescherming.
Ik heb de nodige grasstengels voorzichtig moeten verwijderen om het cocon wat vrij te maken en goed te kunnen fotograferen.

Oud cocon Wespspin
Iets verderop vond ik nog een oud cocon. Er zat een gat aan de zijkant en de cocon was geheel leeg. Er waren geen spinseldraden meer omheen, en ook zaten er geen eitjes of jonge spinnetjes (meer) in. Waarschijnlijk is dit cocon leeggegeten door insectenlarven of een of andere wespensoort.
Als je meer over dit cocon en het voortplantingsproces wil lezen, moet je eens het interessante artikel lezen op de site van Jan van Duinen.

vrijdag 25 augustus 2017

Allemaal beestjes #8

Het is al weer een tijd geleden dat ik een post plaatste met beestjes, plantjes of  ontwikkelingen in de Weerter natuurgebieden. Te druk geweest met het uitpluizen van de ontginningen, die eind 19e begin 20 eeuw in mijn geboorteplaats plaatsvonden.

Hoog tijd dus om te laten zien wat ik de afgelopen maanden zoal voor klein grut voor mijn lens heb gehad.

Maartse vlieg
Het is al even geleden dat ik deze foto maakte van de Maartse vlieg, namelijk in april.
Niet in maart dus..... De naam Maartse vlieg is namelijk misleidend. In dubbel opzicht zelfs.
1.) De naam Maartse heeft niets met de maand maart te maken, want dit ongeveer 1 cm groot insect verschijnt pas eind april. De Maartse vlieg is genoemd naar de evangelist Marcus. Ze wordt ook Sint Marcus-vlieg genoemd. Op 25 april is het de naamdag van de evangelist Marcus en rond deze datum zijn ze dan ook te zien.
2.) Hoewel ze vanwege de sterke beharing en de grote ogen (alleen de mannetjes dan) "vliegachtig" aandoen, het is en blijft een mug. De kenners kunnen je waarschijnlijk wel uitleggen waarom dit een mug is, maar ik heb het nergens kunnen lezen. Het is overigens een mug die niet steekt.

Ik zag ze afgelopen week met hun hangende poten boven het gras en langs de bosrand vliegen en “helikopteren”, of trof ze aan in een copulatie, die wel enkele uren schijnt te duren. Dat lijkt ook het enige te zijn waarvoor ze op de wereld zijn gekomen.
Enkele dagen na de mannetjes komen ook de vrouwtjes uit, deze cirkelen rond de mannetjes, worden bevrucht, leggen hun eitjes in de grond en meteen daarna sterven beiden.
Opmerkelijk is dat deze muggen niet erg schuw lijken, want zelfs bij aanraking blijven ze gewoon zitten. Een dankbaar foto-object dus.

Bosrandroofvlieg vrl.
De 12-17 mm grote Bosrandroofvlieg is een algemene soort op zandgronden en in de duinen. De vlieg op deze foto is een vrouwtje. Dat is te zien aan de laatste twee zwart glimmende “gelakte” lichaamsegmenten en de derde, de genitaliën.
Je ziet ze in bossen en aan bosranden, maar ook in tuinen. Deze roofvlieg heeft (zoals alle vliegen) één paar vleugels. Net onder het borststuk, zie je aan elke zijde een klein geelachtig bolletje op een steeltje. Dat zijn de twee niet ontwikkelde tweede vleugels. Zoals de naam aangeeft zijn het echte jagers. De prooien bestaan uit andere vliegen, wespjes, vlinders, kevers, sprinkhanen en zelfs libellen. Ze schuwen prooien groter dan zijzelf dus niet en ook kannibalisme komt voor.

De jacht wordt gewoonlijk altijd ingezet vanaf een uitkijkpost. Hoewel ze zelfs mensen soms als uitkijkpost kiezen, doen ze ons geheel geen kwaad. De prooi wordt vrijwel altijd na een korte achtervolging in de vlucht gegrepen. Hierbij komen de stekelige poten uitstekend van pas. Het slachtoffer wordt vrijwel onmiddellijk gedood door met de steeksnuit geïnjecteerde verlammende en verterende enzymen.


Halvemaanzweefvlieg
Ik vond het opvallend dat deze zweefvlieg haar vleugels op de rug had liggen. Dat zie je eigenlijk bij wespen en bijen, maar het zal waarschijnlijk met het minder goede weer te maken hebben gehad. Vanwege de tekening doet deze zweefvlieg misschien denken aan een wesp, maar het lichaam is veel kleiner en platter. Het duidelijkst waaraan je kunt zien dat het een vlieg is, zijn de grote ogen en de korte voelsprietjes.

Het is een Halvemaanzweefvlieg.  Deze zweefvlieg wordt 11 tot 13 millimeter lang en dankt de naam aan de kenmerkende, halve maanvormige vlekken op het achterlijf, in twee rijen van drie aan weerszijden van het achterlijf. Opvallend is dat deze vlieg ook zo dicht behaard is. Vooral bij de ogen valt dat op.
Het voedsel bestaat uit nectar en stuifmeel, dus deze soort speelt een rol in de bestuiving. De larve is ook nuttig vanwege het voedsel; deze eet namelijk enorme hoeveelheden bladluizen.

Schorpioenvlieg mnl.
Dit is een Schorpioenvlieg. In Nederland komen 5 soorten voor. Het is een aparte insectenorde Ze worden zo genoemd omdat het verdikte uiteinde met kleine tangetjes, dat mannetjes aan het achterlijf hebben, omhoog gekruld wordt gedragen en daarom enigszins doet denken aan de staart van een schorpioen. Jammer dat je dat op de foto niet kunt zien. Eigenlijk had ik liever een zijaanzicht gehad, maar ze poseren nou eenmaal niet echt voor je…

Schorpioenvlieg vrl.
Het achterlijf van de vrouwtjes loopt in een punt uit, zodat ze gemakkelijk te onderscheiden zijn.
Er is geen gevaar te duchten voor dit insect, want de tangetjes bij de mannetjes zijn geen angel, maar worden gebruikt om het wijfje vast te houden tijdens de paring. Ook hun puntige bek lijkt gemaakt om mee te steken, maar ook die is ongevaarlijk. Schorpioenvliegen zijn roofinsecten, die naast dode insecten en ander aas, ook worden aangetrokken door plantenresten en honingdauw (de zoete uitscheiding van bladluizen).

Berkenkielwants
De Berkenkielwants is een wants uit de familie kielwantsen. Met kiel bedoelt men een soort naar voren gericht wigvormig pennetje (doorn) aan de onderkant van hun lichaam. Het beestje is niet schadelijk.
Zoals de naam al aangeeft, zul je hem vooral aantreffen bij berkensoorten, maar ook bij bijvoorbeeld de els vind je hem. Hij wordt vaak verward met de grotere meidoornkielwants (ca. 2 cm). Belangrijkste kenmerken zijn verder de spitsere snuit, de lichtgroene poten en de kleur van zijn ogen. Die kleur is zwart en bij de meidoornkielwants is die rood van kleur.

Net als veel andere wantsensoorten hebben wantsen uit de familie kielwantsen ook stinkklieren.
Ze kunnen een onaangename geur verspreiden als je ze “verveelt”, door een oranje vloeistof af te scheiden uit speciale openingen in het borststuk. Ook als je een wants doodslaat, komt er een onaangename geur vrij.
Advies: niet doodslaan dus………….

Onechte Paardenbloedzuiger
Als kind overkwam het me regelmatig dat zich tijdens pootjebaden of "zwemmen" in een slootje een bloedzuiger op mijn voet of been had vastgezogen. Als zo'n beestje dan niet snel genoeg verwijderd werd, kon dat soms vervelend zijn, want dan bleef het best lang nabloeden als je ze verwijderde, maar verder bleef dat zonder gevolgen. Meestal lieten ze gemakkelijk los, maar als ze zich al goed hadden vastgezogen was het wat moeilijker. We gebruikten dan een stevig blaadje van een boom of struik, dat je langzaam tussen je huid en het beestje schoof en dan liet ie wel los.
Ik had ze al lang niet meer gezien, tot ik ze onlangs zag in een nog niet zo lang geleden hersteld vennetje.
Het is bekend dat in dit ven tot eind 19e eeuw nog medicinale bloedzuigers werden gevonden die voor aderlatingen werden gebruikt. In een krantenartikel van 1895, las ik dat  je bij “Bloedzuiger- exploitatie Weert”  voor 3 cent in een kuil met bloedzuigers kon gaan staan of zitten en je zoveel kon laten bijten als je maar wou. Als je ze maar niet mee nam, want dat kostte je 10 cent extra.

Ik kon niet beoordelen welke soort dit was. Ik neem aan dat het de algemene en ongevaarlijke “Onechte paardenbloedzuiger” is. Deze voedt zich dus niet met bloed, maar met slakken of rottend vlees. Het weerkaatsend zonlicht op het water maakte het er ook niet gemakkelijker op om een geslaagde foto te maken.

Groot Dikkopje
Het Groot Dikkopje heeft toch iets aandoenlijks, met zijn (letterlijk) dikke kopje. Hier zit hij te snoepen van een gevlekte orchis. De lange tong is goed te zien.

Groot Dikkopje

Ondanks zijn naam is het een kleine vlinder. De vleugel varieert in lengte slechts tussen de 12 en 15 millimeter en is aan de bovenkant oranje/bruin en aan de onderkant geel/bruin met lichte vlekken. Bij verse exemplaren zijn die vlekken niet altijd zichtbaar. De sprietknopjes van het Groot Dikkopje hebben een haakje, waardoor ze duidelijk afwijken van de andere twee soortgenoten. Het is een vlinder die vrij algemeen is bij graslanden en bosranden, want de rupsen leven van allerlei, ook heel gewone, grassoorten. De vliegtijd is in juni en juli.

Pyjamawants
De Pyjamawants, werd pas voor het eerst in Vlaanderen gesignaleerd in 1975, maar wordt tegenwoordig steeds vaker gezien. Vooral zonnige plekjes hebben de voorkeur. De Pyjamaschildwants wordt ook Gevangeniswants genoemd. Die naam heeft ze te danken aan de knalrode basiskleur met brede zwarte lengtestrepen over de gehele bovenzijde van het lichaam.

Pyjamawants
De pootjes en antennes zijn zwart, de buik is rood met vele kleine zwarte vlekjes. Het lichaam is erg rond en de lengte is ongeveer 10 mm. De soort heeft een voorkeur voor droge, zanderige plaatsen, zoals droge wegbermen en spoorwegbermen. Ze leven van schermbloemigen als Gewone Berenklauw, Fluitenkruid, Zevenblad en Wilde peen. Daar zuigen ze sappen uit de plant of de zaden.

Pyjamawants en Bessenschildwants
De Pyjamawants, die uiteraard ook in Nederland voorkomt, kreeg gezelschap van een andere wantsensoort; de Bessen(schild)wants.
Dit is een van de meest algemene grote (10 tot 14 mm.) wantsen die in geheel Nederland en België voor komt, maar zeldzaam is in kleigebieden. Je vindt hem in allerlei kruidenrijke biotopen, vooral in bloemrijke graslanden. De meeste waarnemingen komen uit de periode april tot november.

Bessenschildwants
Hoewel er enige variatie is, zijn het halsschild en het middelste deel van de voorvleugel (corium) wijnrood en het schildje (het driehoekje) is groenig tot bruin met een lichte punt. De “randjes” (connexivum) steken wat uit en zijn zwart-wit gebandeerd. Dat zie je ook bij de voelsprieten. Het is één van de weinige schildwantsen met zulke witte ringels aan de antennes.
Hoewel het op deze foto niet te zien is, is het halsschild ietsjes behaard. Het is de enige schildwants die dat heeft.

Gewone doodgraver met parasitaire mijten
De vrij grote (10-35 mm) Gewone Doodgraver is een aaskever, een rover dus. Hoewel ze algemeen voorkomen, zul je ze niet vaak te zien krijgen, dus dit was wel een treffer. Hij eet als volwassen dier vooral vliegenmaden op een dood dier. Het kadaver zelf wordt ook wel als voedsel gebruikt, maar is vooral voor hun nageslacht bedoeld.

Het bijzondere op deze foto vind ik echter de ca. 1-2 mm. grote stipjes die je op zijn kop ziet zitten. Dat zijn parasitaire mijten, met de naam Poecilochirus Carabi. Er is geen Nederlandse naam voor deze soort.
Ze leven van vliegeneitjes en larven.
Om te overleven zijn ze helemaal afhankelijk van deze doodgraver (dat heet symbiose). Het probleem voor deze mijten is om bij een kadaver te komen, waar hun voedsel te vinden is. Ze kunnen zich namelijk amper verplaatsen. Daar hebben ze een praktische oplossing voor; gewoon meeliften met een doodgraver als die naar een nieuw kadaver vliegt.