Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers

vrijdag 28 september 2018

Herfst 2018.......Paddenstoelentijd deel 1

Hoewel het tot heden vanwege de droogte geen goed paddenstoelenjaar lijkt te worden, zie je natuurlijk toch interessante exemplaren. Alleen moet je wat beter kijken dan anders. Dat gold overigens niet voor onderstaande zwam, want die was al van ver te zien. Het is de Reuzenzwam (Meripilus giganteus).
Een prachtig exemplaar en al wat ouder. Jonge exemplaren zijn namelijk veel lichter van kleur.
Zoals de naam al aangeeft, kan deze zwam heel groot worden. Als hij volledig is uitgegroeid, kan hij wel een meter in doorsnede bereiken.


Deze algemeen voorkomende paddenstoel heeft een sterke voorkeur voor Amerikaanse eiken en beuken. Hoewel hij hier te zien is op een "begraven" boomstronk, ga ik er (gelet op de omgeving) van uit dat het op een Amerikaanse eik is. De zwam kan zowel verschijnen op dood organisch materiaal (saprofyt) als een verzwakte levende boom (parasiet).

Als de vruchtlichamen van de zwam boven de grond te zien zijn, is het voor de boom al te laat. Onder de grond en in de boom heeft de Reuzenzwam dan namelijk zijn verwoestende werk al verricht. Daar heeft de schimmel de houtvaten als het ware dicht geknepen en daardoor sterft de boom. Binnen een paar jaar is een boom met een Reuzenzwam als gast helemaal afgestorven.

 
Deze bijzonder uitziende Builenbrand of Maisbrand (Ustilago maydis) ontstaat door schimmelsporen die via wind en opspattend regenwater in de bladtrechter van mais terecht komen. "Een brandschimmel is een zogenaamd plantpathogeen; een ziekteverwekker van biologische oorsprong". Aldus Wikipedia.
Je vindt ze op de plaats waar eigenlijk een maïskolf zou moeten zitten. Het is een zwakteparasiet, dus die tast alleen beschadigde en/of verzwakte planten aan.

Tijdens warme zomers is Builenbrand tamelijk algemeen, maar gewoonlijk is het een vrij zeldzame schimmel. Dit jaar waren de hoge temperaturen en droogte weer ideale omstandigheden voor deze soort, dus je ziet ze best weer veel.Als je tenminste goed oplet..............

Op de plaats waar de schimmel binnendringt reageert de plant met een abnormale weefselvorming, waardoor er builen ontstaan van soms wel 20 cm. doorsnede. De builen zijn omgeven door een zilverkleurig vlies. In de builen ontstaan zwarte sporen die, als ze rijp zijn op de grond vallen en daar tenminste vier jaar kiemkrachtig kunnen blijven.

Builenbrand is met de maïs vanuit Centraal-Amerika de wereld over gereisd. De schade die het schimmel veroorzaakt is in Nederland beperkt, maar een grote aanwezigheid van deze schimmel zoals in dit jaar kan wel ten koste gaan van de opbrengst en kwaliteit. De boeren zijn er dan ook niet blij mee, ook al omdat een chemische bestrijding niet mogelijk blijkt te zijn. Daarom wordt vruchtwisseling of minder vatbare rassen aanbevolen. Het vee ondervindt er overigens geen nadelige gevolgen van.

In Mexico, waar de mais oorspronkelijk vandaan komt (8000 jaar geleden stond maïs al centraal in de Mexicaanse keuken en cultuur), is Builenbrand echter geen plaag, maar wordt er als lekkernij gegeten.
De onrijpe builen worden er al sinds mensenheugenis gegeten en gelden als heel voedzaam. Ze noemen het daar Cuitlacoche.
Sommigen noemen het ook wel de Mexicaanse- of maïstruffel, want veel boeren daar verdienen momen- teel meer aan de paddenstoelen dan aan de maïs zelf.
Een verwante soort (Ustilago esculenta) wordt in China ook al eeuwenlang voor de consumptie gecultiveerd op wilde rijst (Zizania latifolia). Wat de één dus ziet als een vervelende, onsmakelijke plantenziekte, is voor de ander juist een lekkernij.

Hoewel ik deze Toefige labyrintzwam (Abortiporus biennis) nooit eerder gezien heb, is het in Nederland een vrij algemene soort die verspreid over het hele land kan worden waargenomen. Het is een schimmelsoort uit de familie Meruliaceae. Andere soorten die bij deze familie horen, zijn bijvoorbeeld spekzwoerdzwam, donzige korstzwam, paarse korstzwam , grijze buisjeszwam en stekelkorstzwam.

Het vruchtlichaam ziet er uit als een waaier- met een rozetachtige vorm. De toefen zijn gesteeld en de diameter is ongeveer 8 tot 20 cm. De hoed heeft meestal een dunne golvende rand en is 3 tot 9 cm lang.
Als de paddenstoel jong is,  is de hoedkleur lichter (loodwit-achtig), later wordt hij wat donkerder (lichtroze) van kleur.De bovenzijde van de hoed is fluweelachtig en voelt wat viltig aan.

Deze paddenstoel heeft poriën van ongeveer 1 tot 3 per milimeter. Ze zien er vaak niet uit als ronde gaatjes, maar als een onregelmatig netwerk van hoekige of kronkelige gangetjes. Vandaar de naam "labyrintzwam". De labyrintvormige onderkant heeft dezelfde functie als de plaatjes bij een gewone paddestoel, namelijk, het oppervlak waarop de sporen gevormd worden, flink te vergroten.

De paddenstoel veroorzaakt witrot als hij dood hout aantast (saprofyt), maar ook stamrot bij levende bomen zoals populier, iep, eik en beuk.veroorzaken (parasiet). Hij zit dan stevig verankerd in een wortel. Ik kon slechts met moeite een exemplaar los trekken. Hij brak niet af, want het vlees kan zeer taai zijn.

De zwam komt voornamelijk in parken en plantsoenen voor. De soort voedt zich met stoffen van de gastheer. Hierbij kan de paddenstoel veel vocht opnemen, daar staat tegenover dat het vocht moet worden afgevoerd. Dit vindt plaatst door middel van een vorm van "zweten". Dit worden ook wel gutatiedruppels genoemd. De gutatiedruppels smaken behoorlijk zuur en bitter. Je ziet die vooral bij oudere exemplaren.
Sommige insecten die van de tranen snoepen, lijken er dronken van te worden.

Het is een paddenstoel die groeit op "begraven" hout en op wortels van levende bomen, bij houtopslagplaatsen, op gedeeltelijk verkoold hout bij brandplekken, en op houtsnippers in parken en plantsoenen. De steel is meestal verzonken in de bodem en met aarde bedekt. Hij kan net als de Reuzenzwam in groepjes rond een stobbe of stamvoet verschijnen, maar het vruchtlichaam wordt minder groot (maximaal 15 a 20 cm).

De rozetvorm die je op de eerste foto's ziet, komt het meest voor, maar de verschijningsvorm van de paddenstoel is enorm variabel zoals je hier ziet. Deze "onvolledige" vormen (Ceriomyces terrestris )bestaat overwegend uit labyrint poriën en heeft slechts een beginnende hoed of steel. Deze doen me aan kippenboutjes denken, maar let op, de soort is niet eetbaar. Hij is ook erg taai en de geur is onaangenaam; hij verspreidt soms een geur die doet denken aan gas.

Knolvormige of bloemkoolachtige vruchtlichamen, alleenstaand of in een groep, zijn ook mogelijk en kunnen in combinatie met de rozetvorm te voorschijn komen. De bovenzijde heeft een enigszins fluwelig oppervlak. Ook hier zien we goed dat de poriën een onregelmatige vorm hebben.

De soortnaam biennis betekent "tweejarig". De reden voor deze naamgeving ontgaat mij, want de vruchtlichamen zijn in werkelijkheid éénjarig. Abortiporus betekent "met afgebroken (of onderbroken) poriën". Omdat het vlees de neiging heeft om roodachtig te verkleuren wordt de zwam in Engeland "Blushing Rosette" genoemd. Vanwege de rood/ oranje gutatiedruppels wordt hij hier ook wel Bloeddruppelzwam genoemd.

vrijdag 21 september 2018

Allemaal beestjes #11

Ik heb de (soms vervelende) eigenschap dat ik alleen een foto plaats als ik weet wat het is. Meestal lukt dat gelukkig, hoewel ik altijd moeite heb met bijvoorbeeld blauwe waterjuffers. Daar zijn er veel van en ze lijken allemaal op elkaar.

Blauwe breedscheenjuffer (vrl)
Gelukkig geldt dat niet voor deze. Vanwege de opvallend grote schenen (tibia), met zwarte middenstreep, de afstaande haren en de brede kop, weet ik dat dit een Breedscheenjuffer is. In ons landje is er daar maar één van: de Blauwe breedscheenjuffer. In België is ze algemeen, in Nederland vind je ze op de hoge zandgronden en in Zuid-Limburg. Nou is deze toevallig niet blauw, maar dat komt weer omdat het een vrouwtje is. Mannetjes zijn vaalblauw en de vrouwtjes zijn wit, beige of lichtgroen.

Bruinrode heidelibel (mnl)
De Bruinrode heidelibel is een veel voorkomende libel. Ze is nog wel even te zien. De piek is in augustus, maar je kunt ze nog aantreffen in oktober en november. De soort kan zelfs lichte nachtvorst overleven, maar je zult ze alleen zien als de zon schijnt, want die is nodig om de gewenste temperatuur te bereiken en actief te kunnen zijn.

Bruinrode heidelibel
Hij lijkt sterk op de Steenrode heidelibel, die ook zeer algemeen is en vaak op dezelfde plaats voorkomt. Ze (de uitgekleurde mannetjes) zijn op het eerste gezicht van Steenrode te onderscheiden door de minder dieper rode kleur op het achterlijf en een minder egaal bruin borststuk. Bij de oudere mannetjes neemt die kleur nog meer af. Het beste onderscheidende kenmerk is echter de “hangsnor”. Dat is het zwarte streepje, dat bij de Bruinrode heidelibel stopt bij de oogranden, of hooguit een kleine beetje naar beneden loopt. Bij de Steenrode heidelibel loopt dat tussen de ogen langs de oogranden naar beneden. Je kunt dat hier op de foto niet zo goed zien. Dit is het beste zichtbaar als de foto schuin van voren is genomen. Een ander verschil is dat de dijen van de voorste poten bij Bruinrode heidelibel zwart-geel-zwart zijn en bij de Steenrode heidelibel zijn die zwart-geel.

Woeste sluipvlieg
Woeste sluipvlieg
Dit is een Woeste sluipvlieg (Tachina fera). De meeste sluipvliegen (Tachinidea) zijn te herkennen aan de niet erg dichte, maar wel lange haarborstels op borststuk en achterlijf en de witte schildjes achteraan het borststuk. De Woeste sluipvlieg is toch wel het behaardst van alle en daar dankt ze dus ook haar naam aan. Het is één van de ruim 300 soorten sluipvliegen in Nederland en België.

Woeste sluipvlieg
De vlieg wordt ongeveer 9 tot 16 millimeter lang en is behalve de weelderige beharing vooral nog te herkennen aan het geeloranje achterlijf met in het midden een brede, zwarte streep. Volwassen sluipvliegen leven van nectar en stuifmeel, maar hun larven parasiteren op rupsen en poppen van insecten zoals vlinders en kevers. De ontwikkeling gaat razend snel: 10 dagen nadat het ei is gelegd, kan er al een nieuwe vlieg verschijnen!

Dambordvlieg
Er zijn 3 soorten vleesvliegen: de Blauwe - en Grauwe vleesvlieg, en de Groene aasvlieg. Dit is de Grauwe vleesvlieg. Vanwege het zwart-wit patroon wordt ze ook Dambordvlieg genoemd. De volwassen vlieg leeft van nectar en bezoekt bloemen, maar zuigt ook aan uitwerpselen. In tegenstelling tot de meeste andere vliegen is deze soort eierlevendbarend; er worden wel eitjes geproduceerd, maar die komen in het vrouwtje al uit. De larven worden afgezet op aas, zodat ze meteen kunnen beginnen met eten en zich verder kunnen ontwikkelen.

Dambordvlieg
De dambordvlieg is dan ook een vlieg waar we vies van zijn en eigenlijk is dat wel terecht. In lang vervlogen tijden, nog voordat maanden naar bijvoorbeeld Romeinse keizers werden genoemd, werd de maand juli wormenmaand genoemd. De wormen waaraan daarbij werd gedacht, waren echter geen wormen, maar de maden van vleesvliegen. Dit geeft aan wat het toen een probleem moet zijn geweest om in deze warme zomermaand vlees te bewaren. Ondanks dat we het een vies beestje vinden, speelt ze een grote rol in de voedselketen, want ze is voedsel voor veel insecteneters.

Zuringuil
De familie van de uilen is ingedeeld in 26 onderfamilies en met meer dan 350 soorten de grootste familie van de nachtvlinders. De meeste hebben grauwe voorvleugels, waardoor ze een goede schutkleur hebben en moeilijk te zien zijn. Ze zijn vooral herkenbaar aan twee “uilvlekken” die op de voorvleugel zitten en ook wel "ringvlek" en "niervlek" worden genoemd.

rups van de Zuringuil
De rupsen van de meeste soorten uilen zijn onbehaard, maar uitzondering hierop zijn de kleurige en harige rupsen van de Acronicta-familie, zoals deze Zuringuil. Het is een veel voorkomende soort, die verspreid over heel Nederland en België voorkomt. De waardplant is uiteraard de zuring, maar je vindt hem ook op weegbree, duinroos, hop, braam en ( zoals hier op de foto) de wilg.

Blauwvleugelsprinkhaan (zoekplaatje.....)
De Blauwvleugelsprinkhaan is een grijs/ grijsbruine (mannetje), tot rossige (vrouwtje) veldsprinkhaan met donkerdere dwarsbanden over de voorvleugel. Ze hebben verder een opvallend halsschild. Tenminste voor zover je van opvallend kunt spreken, want deze veldsprinkhaan is super goed gecamoufleerd. Probeer hem maar eens te vinden op deze foto.............. Je ziet hem pas als ie wegvliegt.

Blauwvleugelsprinkhaan (mnl)
Saai bruin dus, tot hij zijn vleugels spreidt als hij opvliegt en in een flits die mooie blauwe achtervleugels tevoorschijn komen. Of eigenlijk moet ik zeggen: als hij zweeft. Hij springt namelijk. Omdat hij daarbij zijn vleugels uitslaat, kan hij wel tientallen meters zweven. Dan pas zie je dus de opvallend fel blauw gekleurde achtervleugels, waaraan hij zijn naam dankt.

Blauwvleugelsprinkhaan (foto wikipedia)
De felle kleur dient om vijanden als vogels op afstand te houden. Om dat goed te kunnen bekijken moet je hem eigenlijk vangen om vervolgens de vleugeltjes te spreiden, met het risico dat je hem verwond of je vingers dan gelijk onder een bruin goedje komen te zitten dat hij uitscheidt....Deze foto heb ik overgenomen uit Wikipedia.

Blauwvleugelsprinkhaan (vrl)
Dat kun je dus beter achterwege laten. Ook omdat we zuinig moeten zijn op deze sprinkhaan. Het is in Nederland en België namelijk een zeldzame soort. De soort komt in Nederland alleen in stukken met kaal of schaars begroeid zand voor; aan de kust in de duinen en in het binnenland op heidevelden , open droge graslanden en zandverstuivingen. Ik zag meerdere exemplaren op de Boshoverheide. Door een gewijzigd natuurbeleid zien we gelukkig een toename van deze bijzondere soort.

Witte halvemaanzweefvlieg
Er zijn twee vrij algemene soorten Halvemaanzweefvliegen; de Witte halvemaanzweefvlieg (Scaeva pyrastri), omdat de vlekken bij deze soort witter zijn, en de Gele halvemaanzweefvlieg (Scaeva selenitica), die meer gele vlekken heeft. Dit verschil in kleur is het belangrijkste verschil tussen de soorten, maar is in het veld niet altijd duidelijk te zien vanwege een lichte overlap. Dit is een Witte Halvemaanzweefvlieg.
Ik vond het opvallend dat deze zweefvlieg haar vleugels op de rug had liggen. Dat zie je eigenlijk bij wespen en bijen, maar het zal waarschijnlijk met het minder goede weer te maken hebben gehad toen ik de foto nam. Vanwege de tekening doet deze zweefvlieg misschien denken aan een wesp, maar het lichaam is veel kleiner en platter. Het duidelijkst waaraan je kunt zien dat het een vlieg is, zijn de grote ogen en de korte voelsprietjes.

Deze zweefvlieg wordt 11 tot 13 millimeter lang en dankt de naam aan de kenmerkende, halve maanvormige vlekken op het achterlijf, in twee rijen van drie aan weerszijden van het achterlijf. Opvallend is dat deze vlieg ook zo dicht behaard is. Vooral bij de ogen valt dat op. Het voedsel van deze vlieg bestaat uit nectar en stuifmeel, dus deze soort speelt een rol in de bestuiving. De larve is ook nuttig vanwege het voedsel; deze eet namelijk enorme hoeveelheden bladluizen.

Rups van de Witte tijger
Tot slot wil ik nog een opvallend harige rups met kleine zwarte kop laten zien. Het is de rups van de Witte tijger. Dat is een wit met zwart gespikkelde nachtvlinder. Deze vlinder kreeg ooit de naam Tienuursvlinder, omdat hij pas na 10 uur 's avonds wordt gezien. Dat is dus ook de reden dat ik die, hoewel het een zeer algemene soort schijnt te zijn, nog nooit gezien en gefotografeerd heb!
Rups van de witte tijger
Anders is dat voor de rups, die dus wel overdag actief is. Ze is tot 40 mm lang, heeft een donker bruinachtig grijs lijf, dat bekleed is met zwarte haarborstels op een soort zwarte wratjes. Kenmerkend is de rode of oranje lengtestreep die over het midden van de rug loopt en het glimmend zwarte kopje. De wetenschappelijke naam van de vlinder is "Spilosoma lubricipeda". Spilosoma betekent stippen op het lijf en verwijst dus naar de vlinder. Lubricipeda betekent snelvoetig, rap. Deze naam slaat op de snelle manier van voortbewegen van de rups. Die kan inderdaad in korte tijd een flinke afstand afleggen en aangezien ze het ook nog vertikte om even te stoppen, viel het niet mee er een geslaagde foto van te maken.

dinsdag 11 september 2018

Allemaal beestjes #10

Het is herfst en menig echtgenoot zal de komende tijd opschrikken vanwege een ijselijke gil vanuit de slaapkamer: “Een spin !!!!!!” Vreemd eigenlijk dat een spin ons zo de stuipen op het lijf kan jagen, want een huisspin is volstrekt ongevaarlijk. Voer voor psychologen dus…..

Gewone huisspin
Er zijn meerdere soorten huisspin, zoals de Grote huisspin, de Gewone huisspin en de Grijze huisspin. Als ik het goed heb, moet dit de meest voorkomende zijn, namelijk de Gewone huisspin (Tegenaria atrica). In tegenstelling tot wat gedacht wordt, is deze spin bruin in plaats van zwart. Dat zie je pas als je ze van dichtbij bekijkt. Maar wie neemt ooit de moeite, of durft dat?
Het vrouwtje van deze huisspin heeft (éxclusief de poten) een lichaamslengte van ongeveer 7-11 mm. Vanwege die poten krijgt ze haar imposant uiterlijk. Het mannetje is iets kleiner en is te herkennen aan een langwerpiger achterlijf en langere poten.

Gewone huisspin
Ze kunnen agressief over komen als ze worden uitgedaagd, of in het nauw worden gedreven, maar hun gifkaken kunnen onze huid niet doorboren.Toch is men uit een soort aangeboren angst geneigd zo’n spin te doden. Eigenlijk jammer, want voor ons is het (als puntje bij paaltje komt), een nuttig dier. Deze spin eet voornamelijk insecten en in haar trechtervormig web wordt menig prooidier gevangen. Mocht het vangen in het web niet lukken en is zij erg hongerig, dan zal de spin meestal ’s avonds het web verlaten om zelf op jacht te gaan naar een prooidier. En dan kunnen we haar wel eens tegen komen in de gang of slaapkamer.

Gewone huisspin
Nu het herfst is en de paartijd voor deze spinnensoort begint, gaan de mannetjes massaal op zoek naar een partner, waardoor wij ze nu vaker zien. Hun aanwezigheid is echter niet seizoensgebonden en zolang in het leefgebied iets te halen valt, loop je de kans er een aan te treffen.

Hoewel deze spin ook een loopspin is, zul je die niet binnen aantreffen. Het is de Gewone wolfspin.

Gewone wolfspin
Het viel niet mee voor haar om er op het kurkdroge gras snel vandoor te gaan met dat witte bolletje onder haar lijf. Het is dan wel een loopspin, maar met een eicocon ( want dat is het), tussen je poten valt dat even niet mee.

Gewone wolfspin
Moeder Wolfspin is een toegewijde moeder. Als ze de eitjes in haar zelf gesponnen eierzakje heeft gestopt, neemt ze dit zakje, dat bevestigd is aan haar spintepels, gedurende 2 tot 3 weken overal mee naar toe. Na het uitkomen houdt de zorg nog niet op, want de jonge spinnetjes klimmen meteen op de rug van hun moeder, die ze vervolgens tot aan de eerste vervelling mee draagt.

Gewone wolfspin
Gewone wolfspin
Deze spinnen wachten niet tot een prooi in hun buurt komt, maar gaan er zeer actief naar op zoek. Met hun forse poten en scherpe kaken zijn het gevreesde jagers. Deze lichtgrijze tot geelachtige, donkerbruine spinnen doen hun naam dus eer aan.

De naam Wolfspin komt echter niet vanwege de ruige beharing, of de wolfachtige wijze waarop ze hun prooi besluipen, of de snelheid waarmee ze aanvallen, maar is afgeleid van het feit dat het dier andere spinnen binnen haar territorium accepteert. Bij een roedel wolven mag dat gewoon zijn, maar binnen de orde der spinnen is dat iets unieks.

Kraamwebspin
In Nederland en België komen meerdere (voor mensen weliswaar onschuldige) soorten wolfspinnen voor. Deze wordt Grote wolfspin of Kraamwebspin genoemd. De spin is de ene keer wat lichter van kleur dan de andere keer, maar het ovale achterlijf en het streepje dat van de kop naar het achterlichaam loopt is er altijd. Ze houdt het cocon in tegenstelling tot de Gewone wolfspin vast met haar kaken. Ook hier kun je aan de grote poten zien dat we te maken hebben met een loopspin.

Kraamwebspin
Net zoals bij de Gewone Wolfspin is ook de broedzorg van een Kraamwebspin opvallend. Ook zij loopt namelijk een hele tijd met haar eicocon rond. In tegenstelling tot de Gewone Wolfspin, legt ze het eicocon in een tentvormig spinsel van zijde dat zij kort voordat de spinnetjes geboren worden, weeft. Als een soort kraamkamer. Het web dat ze maakt is dus niet bedoeld om een prooi mee te vangen, maar dient als bescherming voor haar kroost. Hieraan dankt zij ook haar naam. Als de spinnetjes uit de eicocon kruipen, blijven ze nog tot hun eerste vervelling in dat beschermende spinsel. Moeder blijft al die tijd in de buurt om een oogje in het zeil te houden.

Groot populierenhaantje
Bladhaantjes zijn prachtig gekleurd, maar smaken vies en zijn meestal giftig. Vooral de rode soorten vallen erg op. Dit is het Groot Populierenhaantje (10-12 mm). Het lijkt bijna in alles op het Kleine Populierenhaantje (6-10mm), maar heeft een zwart vlekje op het einde van de dekschildnaad (op zijn "kontje") en is zo goed herkenbaar. Ze hebben een voorkeur voor ratelpopulieren en wilgen, hoewel het meestal de larven zijn die je daar op vindt. Als je het kevertje een beetje "pest" door bijvoorbeeld zachtjes op hem te drukken, produceert hij een gele vloeistof. Dit gedrag heet "reflexbloeden". De vloeistof die tevoorschijn komt bij het gewricht van de pootjes, heeft een kwalijk geurtje en smaakt erg bitter. Vogels die een zo’n beestje oppakken, proeven dit ‘bloed” en laten hem dan meestal snel vallen. Het rood moet je dan ook beschouwen als een waarschuwing.

Elzenhaantje
Dat geldt ook voor het oneetbare Elzenhaantje. Dit slechts 6 tot 7 mm lange kevertje heeft een blauw tot blauwzwarte kleur met een mooie glans. Het overwintert in de bodem onder bladeren en afgestorven plantenresten en komt in de periode april- juni tevoorschijn. Als het vrouwtje na de bevruchting wel 900 oranje eitjes aan de onderkant van het elzenblad heeft afgezet, sterft ze.

larven van het Elzenhaantje
Binnen 2 weken komen uit de eitjes olijfgroene later zwart wordende larven tevoorschijn. Ze lijken sterk op rupsjes met 2 rijen behaarde wratten.

larve van het Elzenhaantje na vervelling
Na ca. drie weken (vanaf juli) verpoppen ze zich onder afgestorven plantenresten en na 8 tot 11 dagen komt al weer de nieuwe generatie kevertjes tevoorschijn. Zowel het kevertje als de larve vreten gaten in het blad van els, populier en wilg, maar echt schadelijk zijn ze eigenlijk niet. Als de aantasting massaal is kunnen de bomen zeker in conditie achteruit gaan, maar ze zullen zelden hiervan afsterven.

Blauwe muntgoudhaan
De soort die je hier ziet is een onderfamilie van de bladhaantjes. Ze zijn herkenbaar aan hun mooie glanzende kleur en worden Goudhaantjes genoemd. Ze vormen een van de grootste keverfamilies. In ons land komen bijna driehonderd soorten voor. Alle Goudhanen zijn gebonden aan een of één of een paar plantensoorten; de waardplant. Daar zijn ze meestal ook naar genoemd.

Wil je deze Blauwe muntgoudhaan vinden, dan is het zaak op zoek te gaan naar Watermunt. Die vind je vooral aan de waterkant. Voor de Blauwe muntgoudhaan is de waardplant dus de Watermunt. Daar vind je ook de larven. Er zijn niet veel dieren die de menthol in de Watermunt kunnen verdragen, maar het Blauwe muntgoudhaantje is er ongevoelig voor. Door de grote hoeveelheden menthol die het al etende in het lichaam krijgt, is dit kevertje oneetbaar voor vogels.
Mochten wij echter ooit nog eens vertrouwd raken met het eten van insecten, dan zal het Blauwe muntgoudhaantje ongetwijfeld het pepermuntje na de maaltijd vervangen……………………
Hoewel ze er hier in close-up groot uit zien, zijn ze slechts 6,5 tot 9 millimeter. Kenmerkend voor deze soort zijn de putjes op hun schild. Ze bewegen zich langzaam voort, zodat je meestal alle kans krijgt ze te fotograferen . Dat geldt zeker voor deze 2, want die bewogen helemaal niet (|-;)..............
Ook leuk om uitvergroot die blauwe pootjes te zien trouwens.

Hennepnetelgoudhaantje
Het Hennepnetelgoudhaantje slaat alles wat betreft de kleur. De sterk glanzende dekschilden zijn metaalachtig blauw, groen, rood en goudkleurig. De kleur verschilt per kever, maar de meeste kevers hebben blauwe lengtestrepen op de dekschilden en blauwe vlekken op het borststuk. Er wordt wel eens beweerd, dat vogels de weerspiegeling gebruiken om hun veren te fatsoeneren…..........
Je loopt er gauw aan voorbij, want het kevertje wordt slechts 5 tot 7 mm lang. Maar als je ziet dat de Hennepnetel bloeit, is de kans dat je dit Hennepnetelgoudhaantje ontdekt groot. Dat is namelijk zijn waardplant. Wees wel voorzichtig, want als het blad maar ietsje trilt, laat ie zich meteen vallen en ben je hem kwijt. Deze twee hadden het gelukkig zo druk met elkaar dat ze zich nergens iets van aantrokken....

Blogarchief