Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Translate

Volgers

dinsdag 10 januari 2017

Delbroek

Al eerder heb ik in Weertnatuur over dit nieuw in ontwikkeling zijnd gebied in Altweerterheide geschreven. Een gebied, dat decennia lang een vuilstortplaats is geweest. Ik heb die post "Voormalige stortplaats Delbroek" genoemd. Over Delbroek is niet veel geschreven en wat bekend is, is meest "van horen zeggen".  
Hoog tijd dus om eens in de geschiedenis te duiken om er meer over te weet te komen. 

In: “De Nedermaas 4” (1926-1927) , schreef Willem Lenaers over de omgeving van Delbroek het volgende:
"Een groot gedeelte van Aovert is vroeger door overstroomingen geteisterd. Wijffelterbroek, Kalverpeel en Vetpeel waren één groote watermassa, ongeveer 400 H.A.  Het is haast onverklaarbaar dat de woudreuzen, die nog liggen in "het Blaak", door den stroom zijn omgespoeld. 
Aovert was vóór eeuwen het dorado van wolven, vossen, reeën, otters en andere dieren, geen hartstocht hebbend voor den kruitdamp. Een stukje grond heet nog Wolfskamer. Voor eenige jaren kwam, in de buurt
Jan de Wit jr. op  de tractor
van Lindenhof, een otter even poolshoogte nemen van het Blaak. Hoe schrok hij echter! Waarom?
Door 't schuchtere kraaien van een fazanthaan ?
Neen, een onnatuurlijke indringer deed de boorden van het voormalig rijk des otters daveren. Een glim- mend monster met ijselijke klauwen. De tractor; een jonger broertje van de auto! De otter ,,sloeg even aan" en stevende weer naar het buitenland!”


Het zou wel eens zo kunnen zijn dat Willem Lenaers de tractor bedoelde, die hier door Jan de Wit wordt bestuurd. Inderdaad een monster als je het zo ziet en dan horen we het geluid nog niet eens..

Lindenhof van vóór 1926
In het artikel van Willem Lenaers stond bij deze foto “Lindenhof te Alt-weert”. Dit is niet de Lindenhof zoals oudere inwoners van Altweerter- heide die kennen, maar die van 1926. De woning op deze foto is door de pastoor of de Duitser Delbrouck gebouwd en in 1905 opgeknapt. In dat jaar (zo staat geschreven in een mededeling in de “Nieuwe Koerier”) werd Delbroek namelijk gekocht door een zekere Dorst, die het huis dusdanig verbouwde dat het “waarlijk prachtig is geworden”. Dorst was ook degene die de omgeving heeft beplant met linde- bomen en de hoeve de naam “Lindenhof” gaf.
Vanwege een brand in 1931 hebben de toenmalige eigenaren, Curfs en Otten, de boerderij deels verbouwd en er een bovenverdieping op laten plaatsen. Dat is de boerderij zoals wij die tot 1977 zagen.

In de Nieuwe Koerier (de voorloper van de Maas- en Roerbode) van 20 september 1924 schreef een zekere F.H. van der Velden een interessant artikel met als titel "In en om Weert".
Hierin beschreef hij enkele gebieden in Altweerterheide. Over Delbroek zei hij het volgende:
  
Pastoorshuis, Delbrück, Lindenhof.
“Dit zijn drie benamingen waarmede eene op verren afstand zichtbaar schilderachtig gelegen landgoed wordt aangeduid, onder het gehucht Altweert, op 6½ km  van de stad, ruim 1 km van de Belgische grens en 3 km van de Zuid-Willemsvaart  gelegen aan de Bocholterbeek.

Dit flinke gebouw, inwendig goed ingericht en sterk gebouwd, is gesticht in het begin van de vorige eeuw(1) door een vreemden geestelijke, een pastoor. Het lag zeer eenzaam op een hoogte, omgeven door moeras en door heivelden. In de laatste jaren is het moeras door verbetering der afwatering der Tungelroysche beek  droog gekomen(2). De pastoor heeft zich een weinig op de ontginning toegelegd.
Zijn opvolger, zekere Delbrück, zou het ontginningswerk beter ter hand nemen. Hij liep met grootsche plannen rond. Voor den aanvoer van meststoffen zou hij een kanaaltje graven van af de Zuid-Willemsvaart tussen km paal 50 en 51 naar het landgoed. Inderdaad is hij hiermede aangevangen, het geen nog goed zichtbaar is, doch de enorme kosten hebben hem schijnbaar tot een ander inzicht gebracht. Het graven werd gestaakt en in plaats daarvan deed hij aanleggen een dijk recht van het kanaal naar de hoeve.
Deze dijk heet nog de Delbroekdijk(3).
Van de grootsche plannen tot ontginning is nooit veel terecht gekomen. Na eenige jaren is de heer Delbrück vertrokken. Nadat het een heelen tijd onbewoond is gebleven, werd het geruimen tijd bewoond door een  deftige weduwe(4).
In latere jaren, toen  de kunstmest meer bekend geraakte, is de ontginning met meer succes ter hand kunnen genomen worden. De laatste eigenaar, de heer Breedveld, heeft het landgoed in zeer goeden staat gebracht. 
Het bestaat thans uit 37 ha. weide, 18 ha. bouwland en 20 ha. onontgonnen grond, waarvan het overgroote deel nog geschikt is voor ontginning. Het is onlangs  voor 42 mille overgegaan in eigendom van twee  Zuid- Limburgsche landbouwers.”

(1) dat moet in de periode 1830-1850 zijn geweest.
(2) de beek bij de Kalverpeel is in 1914 vanwege de ontginning van Hollandia gegraven.
(3) over de Delbroekdijk heb ik niets kunnen vinden. Ook geen idee waar die lag.
(4) die deftige weduwe is, zoals we verderop zullen zien, Josephina Kürten-Delbrouck

Het verhaal wil inderdaad dat een Franse pastoor zich hier als eerste gevestigd zou hebben. Het ging om onrendabele grond die niemand wilde: moeras, hei en bos. In welk jaar hij het gebied heeft ge- en verkocht, heb ik niet kunnen achterhalen. Het verklaart in elk geval wel de naam Heipastoor en Pastoorshuis. Maar nogmaals:  dit is allemaal "van horen zeggen"........Dit krijgt zeker een vervolg
Het zou, zo wordt verteld, om een uitgetreden Franse priester (pastoor) gaan, die “de benen had genomen” om elders met vrouw en kinderen (?) een nieuwe toekomst te gaan opbouwen. De RK.- Kerk werd ten tijde van de Franse Revolutie door de revolutionairen beschouwd als vijandig en antirevolutionair. De geestelijken werden ambtenaren en moesten een eed van trouw afleggen. Wie dat niet deed was zijn leven niet veilig en kon beter maken dat ie weg kwam...
Om ongestoord aan zijn toekomst te kunnen bouwen, was deze nauwelijks toegankelijke plek (op 1 km. van de Belgische grens gelegen en te midden van moeras heide en bossen), natuurlijk een goede keuze. Natte voeten heeft hij er echter niet gekregen, want de plek waar de woning werd gebouwd, lag op een hoger deel. In de nabijheid van de boerderij lag omstreeks WO2 nog een “zandkuil” aldus Marietje Blok in “Altweerterheide, Namen en Bijnamen”).


F.H. van der Velden vergeet in “In en om Weert” een andere en niet onbelangrijke reden te noemen waarom de pastoor zich hier waarschijnlijk vestigde, namelijk vanwege de ligging aan de Weerter- of Bocholterbeek. Vooral aan de noordrand van de Altweertsche heide vonden al vroeg ontginningen plaats langs deze Weerterbeek. Ik denk bijvoorbeeld aan Vlaamse Wetering (Mariahoeve), Heigeurten met Heihuis (ontginning “Hoop op beter”), Stillenoord (kinderen Krops), de Weijers, Mon Repos (Toeta) en Figaro. Je ziet op deze kaart van 1894 dan ook talloze (welliswaar kleine) percelen langs de beek. En uiteraard mogen we de Boshoverbeek niet vergeten, dat toch zijn ontstaan grotendeels heeft te danken aan de Weerterbeek.

De voor de stad Weert ooit zo belangrijke beek, was namelijk niet alleen van belang om de stad van water te voorzien, maar werd ook gebruikt om het overtollige water in de ontginningsgebieden af te voeren en om bij droogte het water in te laten. Ook werden de aangelegde (vis)vijvers van voldoende water voorzien en was er doorstroming. In meerdere berichten uit die tijd, is te lezen dat stadsbewoners zich beklaagden over een te laag waterpeil van de beek. Dit had ongetwijfeld te maken met het aftappen van water door de boeren. Niet alleen hier, maar ook in Bree en Bocholt (B.) hadden boeren de neiging om in tijden van droogte (illegaal) stuwen in de beek te leggen om er water uit af te tappen.
In de Nieuwe Koerier vond ik o.a. bovenstaande verzoeken van de heer Dorst (of Drost) om er 2 duikers in te mogen aanleggen, voor de afwatering én bevloeiing van zijn land. Afgaande op de berichten van 1905 en 1909 waren de Gemeente en Waterschap "Het Land van Weert" niet erg meewerkend.
Ook Breedveld, de volgende eigenaar, ondervond die “passiviteit” bij de gemeente.


Van Peter Korten van Stg. de Aldenborgh heb ik een
melding gekregen van een "Akte transport onroerend goed" (een overdrachtsakte) en een "Akte van kwijting" (een verklaring dat de schuld is afgelost) voor Franz Delbrouck, die zijn opgemaakt door notaris Bloemarts op 16 juli 1863 en 3 augustus 1863.

Hoewel in die vermeldingen de naam Pastoorshuis helaas niet wordt genoemd, is het nagenoeg zeker dat Franz Delbrouck in 1863 al eigenaar van Pastoorshuis was.
Via wie en waarom hij hier in "the middle of nowhere " is terechtgekomen, blijft een vraagteken. Bij mijn zoektocht vond ik overigens meerdere Delbroucks in Limburg. Onder andere in Wessem en Maastricht. Allen afkomstig uit Geilenkirchen. Ik kunt je afvragen waarom deze Duitsers emigreerden, maar dat is hier verder niet van belang.

Dit uit 21 februari 1874 daterend krantenbericht, waarin gesproken wordt over “Pastoorshuis”, is het oudste bericht dat ik heb kunnen vinden. Hierin lezen we dat een zekere Delbrouck het landgoed ter grootte van 107 hectaren te koop aanbiedt. Het gaat dus over de hierboven genoemde Franz Joseph Hubert Delbrouck uit Geilenkirchen. Hij was getrouwd met Maria Gertrud Josephina Berghoff. Zij is op 3 oktober 1884 overleden in Weert. Door dit feit mag je aannemen dat ze ook op de hoeve hebben gewoond.

Ik ben er niet achter kunnen komen in welk jaar Franz Delbrouck is overleden.

Na het lezen van deze berichten uit 1888 en 1889 en het volgende bericht van 25 januari 1902 is in elk geval duidelijk dat de volgende eigenaar “Kürten-Delbrouck” is.
Ik heb niet kunnen achterhalen of 1874 het jaar is geworden dat Kürten- Delbrouck eigenaar werd en of ze het landgoed gekocht, dan wel geërfd hebben. Kürten was namelijk getrouwd met Josephina Delbrouck, een dochter van Franz Joseph Hubert Delbrouck.


Het gaat in deze 2 berichten dus over Josephina Delbrouck en Caspar Hubert Kürten. Tijd om eens in de geschiedenis van Kürten-Delbrouck te duiken om proberen te achterhalen hoe de vork nou precies in de steel zit. Hierbij heb ik gebruik gemaakt van loegiesen.nl, allelimburgers.nl, wiewaswie.nl en genealogieonline.nl

Stamboom gegevens Caspar Hubert Kürten - Delbrouck.
Caspar Hubert Kürten (roepnaam: Hubert) is in 1849 in Keulen geboren. Zijn ouders waren Johann Kürten (1818-1862) en Elisabeth Tehlen. Waarschijnlijk is zijn moeder in het kraambed overleden, want in dat zelfde jaar verhuisde Johann al naar Beesel (N.Limburg) en hertrouwde op 5-1-1850 met Maria Lorant. Uit dat huwelijk werden 2 kinderen geboren: Maria Catharina Kürten, geb. Beesel 24-4-1850 en een levenloos geboren kind. Ook dit huwelijk heeft maar kort geduurd, want Maria Lorant overleed op 22-11-1852. Johann trouwde op 9-1-1857 voor de derde keer met Antonia op den Camp (geb. Roggel 21-8-1815). Uit dat huwelijk werd op 13-1-1860 Anna Maria Kürten geboren.
Hoewel Johann Kürten niet erg gelukkig is geweest in zijn huwelijken, was hij als zakenman succesvol; hij wist zich van katoenwever op te werken tot katoenfabrikant. Hij overleed als 44 jarige op 21-6-1862 in Beesel. Je mag dus wel stellen dat ook zoon Hubert niet zo'n gelukkige jeugd heeft gekend.

Caspar Hubert Kürsten trouwde met Maria Gertrud Josefa Hubertina Delbrouck (roepnaam Josephina). Josephina is in 1857 in Geilenkirchen geboren en dochter van Frans Joseph Hubert Delbrouck en Maria Gertrud Josefina Berghoff. Hubert en Josephina kregen één zoon: Hubert Ernst Kürten (1896,Davos).
Wanneer Kürten-Delbrouck precies is getrouwd en zich met zijn Josephina in Altweert heeft gevestigd, heb ik niet kunnen ontdekken. Ergens in eindjaren ’70 lijkt me. Wel heb ik kunnen achterhalen dat hij op 52 jarige leeftijd (7 juni 1901) in Weert is overleden.

In “In en om Weert” lazen we: “Van de grootsche plannen tot ontginning is nooit veel terecht gekomen. Na eenige jaren is de heer Delbrück vertrokken en heeft het landgoed langen tijd onbewoond gelegen”.
Zo te lezen, had Kürten dus in eerste instantie grote plannen en had hij waarschijnlijk ook het geld ervoor, maar hij was niet iemand die zelf de handen uit de mouwen stak. Hij hield er liever een andere levensstijl op na en heeft in de loop der tijd ook veel grond verkocht, want bij de volgende eigenaar (Dorst) wordt slechts gesproken over de verkoop van 73,99 ha. Ruim  30 ha. minder dan bij de overname.
Delbroek was dus niet de plek waar hij graag vertoefde. In het krantenbericht van 1888 konden we dan ook al lezen dat “Pastoorshuis bij Crien” verpacht werd. Daarna is Kürten dus met zijn vrouw vertrokken. Dat zou wel eens naar Davos kunnen zijn geweest, want daar is zoon Hubert Ernst in 1896 geboren. Blijkbaar zijn ze toch weer naar Weert teruggekeerd, want Hubert is op daar 7 juni 1901 overleden.

Uit het krantenbericht van januari 1902 is af te leiden, dat het gerucht dat Josephina Delbrouck het landgoed heeft verkocht inderdaad (nog) niet klopt, maar ze heeft er in elk geval niet lang meer gewoond. Zij is namelijk op 12 juni 1902 met Frans Leonardus Coenders, een boomkweker uit Grubbenvorst, hertrouwd. Ze zijn gaan wonen in Echt, waar Coenders zijn beroep van boomkweker weer opnam. Na hun vertrek heeft het huis weer enkele jaren leeg gestaan. Josephina is 6 september 1918 op 61 jarige leeftijd te Echt overleden.

Het landgoed wordt dan toch in begin 1905 verkocht aan een zekere heer Dorst uit Zierikzee. Deze pakte de boel voortvarend aan het heeft het landgoed, zo staat in het artikel, mooi opgeknapt en de omgeving beplant met lindebomen. Pastoorshuis wordt nu “Lindenhof” genoemd.

Blijkbaar waren de verwachtingen van deze Dorst toch te hoog en viel het allemaal tegen, want hij heeft het landgoed al weer in 1910 verkocht aan een zekere Breedveld.

In de de Nieuwe Koerier van 27/08/1910  werd dat als volgt medegedeeld:
De Notaris Schillings te Weert, zal ten verzoeke van den weled. Heer H.J. Dorst, te Stavenisse, op Dinsdag 13 september 1910 provisioneel en op Dinsdag 20 September 1910, finaal telkens des namiddags om 4 uur in het café “ Het Bruine Paard” op de Markt te Weert publiek VERKOOPEN: De Boerderij genaamd “Lindenhof” gelegen te Altweert, Weert en bestaande uit: Huis, schuur, erf,stal, boomgaard en tuin met 500 vruchtboomen beplant, ca. 50 hectaren bouw-  en weiland en verder dennenbosch en heide samen groot 73 hectaren 99 aren en 45 centiaren. Nadere inlichtingen geeft den Notaris”

Over deze Breedveld heb ik helaas niet veel kunnen ontdekken. In “In en om Weert” (1924) wordt wel vermeld, dat hij het landgoed in ”zeer goeden staat” heeft gebracht. Er wordt gesproken over 37 ha. weide, 18 ha. bouwland en 20 ha. onontgonnen grond, waarvan het overgrote deel nog geschikt is voor ontginning. Ik zie echter weinig verschil met wat bij Dorst in 1910 staat vermeld.

Breedveld heeft er tot augustus 1924 gewoond en heeft (om een voor mij onduidelijke reden) het landgoed plotseling verkocht en al even snel vertrokken, getuige dit krantenartikel.

Gezien de correspondentie die hij voerde met de Gemeente Weert, heb ik de indruk dat het vooral de afgelegen ligging is geweest, die hij als problematisch ging ervaren, zoals het onderwijs aan zijn kinderen. Zo waren er enkele verzoeken om het vervoer naar de lagere school op Keent beter te regelen of een school in Altweert (in de omgeving van Hollandia!!) te vestigen. Hij vond dat een taak van de gemeente. En terecht..

Ook wilde hij een tegemoetkoming voor de extra kosten die hij moest maken vanwege het lage waterpeil van de Weerterbeek. In die periode was het belang van een goed functionerende Weerterbeek echter niet meer aan de orde, dus er was amper onderhoud en het werd niet meer als taak van de gemeente gezien.

In dit bericht in de Nieuwe Koerier van 19 augustus 1924 is te lezen dat Breedveld landgoed Lindenhof of het Pastoorshuis aan een zekere Curfs uit Voerendaal heeft verkocht voor een bedrag van fl. 42.000. Dit bericht is echter niet helemaal correct. In “In en om Weert” (de Nieuwe Koerier van 20 september 1924) wordt namelijk gesproken over twéé Zuid- Limburgse landbouwers.

Ook in de Limburger Koerier van 3 mei 1930, zien we dat het gaat om 2 eigenaren: P. Curfs en J. Otten.

Dezen willen het landgoed al weer na 6 jaar verkopen, maar er is blijkbaar geen koper gevonden. Vandaar dat we in de volgende berichten kunnen zien, dat ze ieder apart hun deel te koop aanbieden; in een krantenbericht van 1932 staat vermeld dat Jozef Otten zijn 34,73 ha. aan J. de Wit verkocht en in 1942 verkocht P. Curfs zijn 39,25 ha. aan J. Boven- d’Eerdt uit Nederweert.

Het zat beide heren dus niet echt mee. Daar kwam nog bij dat de hoeve ook nog eens deels verwoest werd vanwege een brand, zodat die ook nog verbouwd moest worden. Dit vond, zoals ik eerder schreef, in 1931 plaats. Otten en Curfs hebben er toen ook een bovendek op laten plaatsen.
Dat werd dus de boerderij die we hier zien en die ik me als jochie uit de jaren ’50 nog goed kan herinneren en die in 1977 is afgebroken.


De verkoop van Delbroek die in Kanton Weert ook stond aangekondigd in april 1930 (althans een deel), wilde dus niet zo goed lukken. De verkoop aan J. J. de Wit vond namelijk pas plaats op 26 juli 1932. De boerderij maakte daar geen deel van uit, want Jan de Wit had er zelf al een gebouwd.

Van de huidige bewoner (bedankt Frans) heb ik een foto en enkele officiële stukken gekregen. Daar waren onder andere het ontwerp en de goedkeuring voor een te bouwen woonhuis bij. Die zijn gedateerd op 4 januari 1921 en de aanvrager is Jacobus Johannes de Wit.
Hij heeft die boerderij op perceel 2239 gebouwd. Op de foto verderop is het jaartal 1921 ook te zien.

Ik ga er dan ook van uit, dat Jan de Wit in 1921 al een aantal percelen van de vorige eigenaar Breedveld, of van de gemeente heeft gekocht en die grond ook zelf heeft ontgonnen. Dat hij al grond in bezit had, kun je o.a. zien in bovenstaand bericht van 25/4/1930, want bij punt 1 kom je zijn naam tegen als eigenaar van "belendende grond". De genoemde perceelnummers op de bouwtekening van 1921, worden in het krantenbericht van 25 april 1930 dan ook niet genoemd.

De jaren dertig staan bekend als “de crisisjaren”. Dat waren het zeker voor Jozef Otten en later ook voor Curfs. Hoewel Otten in 1930 zijn 34,73 ha. (zie: “de massa van de koopen 1-4”) te koop aanbood, heeft Jan de Wit die pas in juli 1932 gekocht en er fl. 11.000 voor betaald. Waarschijnlijk ver onder de vraagprijs. Curfs en Otten kochten het geheel in 1924 namelijk voor fl. 42.000

De in 1921 door Jan de Wit gebouwde boerderij, die overigens al in 1958 wordt afgebroken.

Jacobus Johannes de Wit(1877-1943) is geboren in Utrecht en werd koetsier bij een welgestelde familie in Maartensdijk, de familie Floor. Hij trouwde in 1918 (hij was toen 40 jaar oud), met hun 34 jarige dochter Johanna Floor (1884-1950).

Jan en Hansje trouwden nog in Maartensdijk, maar besloten al snel naar Altweert te verhuizen, omdat het (waarschijnlijk vanwege zijn eenvoudige afkomst en het was een "moetje"...) niet echt goed boterde tussen hem en zijn schoonvader Jogchem Floor en schoonmoeder Elisabeth Swaan.
Ze kregen in Altweert ondanks hun hogere leeftijd, toch nog 4 kinderen; 2 dochters en 2 zoons.

In de eerste jaren hebben ze in de “Peelwoning” (een boerderij van Hollandia) gewoond en zijn in 1921 in hun nieuw gebouwde boerderij gaan wonen. Dat is de boerderij die je hierboven ziet. Op 6 mei van dat zelfde jaar is de vader van Hansje overleden. Door diens overlijden hebben ze met het erfdeel van Hansje natuurlijk een goede start kunnen maken.

Ik heb nog een bouwtekening van de huidige bewoner gekregen van 16 juli 1958. Ook ondertekend door J. de Wit. Dit is echter niet dé Jan de Wit, aangezien die op 10 augustus 1943 is overleden, maar een van zijn zoons, die ook Jan heette en die de boerderij na het overlijden van vader samen met zijn zus Aagje bestierde.
Zoon Kobus verkocht zijn erfdeel en ging in Bocholt (B) aan de slag als fietsenmaker en zus Liesbeth trad in als kloosterzuster in Tilburg. De boerderij die door Jan sr. in 1921 is gebouwd, heeft er slechts 37 jaar gestaan. De boerderij die Jan jr. heeft gebouwd in 1958, staat er nu nog. Dit in tegenstelling tot de Lindenhof, die in 1977 na een jarenlange leegstand is gesloopt..


Het heeft daarna tot januari 1942 geduurd, voordat het andere deel van Delbroek te koop werd aangeboden. Ook de boerderij staat daar bij. In dit bericht in het Kanton Weert van januari 1942, is misschien niet meteen te zien om hoeveel grond het gaat, maar je moet letten op punt 5: “massa van het geheel, groot 39,25 ha.” In het volgende bericht wordt het aantal hectaren nog eens expliciet vermeld. Het gaat (zoveel is duidelijk) om het andere deel van Delbroek dat eigendom is van P. Curfs.

Opvallend is onder andere dat de “Vetpeel” van ruim 11 ha. tot najaar 1942 en de gebouwen tot Pasen 1943 aan een zekere Jac Rooseboom verpacht blijven. De Vetpeel ligt tussen Delbroek en Kettingdijk.
Jac Rooseboom (1909-1971) was een zoon van Pieter Bastiaan Rooseboom en Marrigje de Haan. Pieter Rooseboom was tot 1932 pachter van de nabijgelegen Bietwoning van Hollandia.
Nadat Boven- d’Eerdt Delbroek in de boerderij trok, raakten Jac en zijn gezin dakloos. Door de Duits gezinde burgemeester en NSB-er  Rösener Manz werd daarop de zaal van café de Paol (Creemers) ingevorderd en heeft hij daar gewoond tot de pachttermijn was verstreken. Daarna is het gezin vertrokken naar Deurne, waar Jac het bedrijf en ouderlijke woning van zijn vrouw Hendrikje Profijt kon overnemen.


De schrijver van dit bericht heeft blijkbaar niet in de gaten gehad, dat het niet om de oorspronkelijke 75 ha. ging die in 1924 waren gekocht door Curfs en Otten, maar om iets meer dan de helft. In dit bericht wordt echter duidelijk vermeld dat het om 39, 25 ha. gaat. Net als Otten, heeft ook Curfs er geld op toe moeten leggen, want de koper, J. Boven- d’Eerdt uit Nederweert, betaalde er fl. 19.000 voor. Dit was met inbegrip van hoeve de Lindenhof.

Boven- d'Eerdt kocht Delbroek (in tegenstelling tot wat in de krant staat) overigens ook niet alleen, maar deed dat samen met zijn zwager Piet Adams uit Hunsel. Heet dat niet een maatschap? Deze Piet Adams boerde daar tot ongeveer 1949 en keerde toen terug naar zijn ouderlijke boerderij in Hunsel. Hij hield daarbij zijn gronden van Delbroek in eigendom en gebruik, die later (rond 1970-1980) door zijn kinderen zijn verkocht aan de Gemeente (bedankt voor de aanvulling Wiel).

Opvallend in het bericht in de Nieuwe Koerier van 1942 vind ik ook, dat weer gesproken wordt over “Heipastoor”. In de Nieuwe Koerier van 27/06/1941, vond ik een nagenoeg zelfde artikel van een zekere Ef. Ha. dan in “In en om Weert” van september 1924. Over plagiaat gesproken!! In dit bericht werd ook de naam “Heipastoor” genoemd.

Toen de gemeen-telijke stortplaats aan de Kootspeel begin jaren ’50 van de vorige eeuw vol raakte, werd een nieuwe plek gezocht. Dat werd dus in de omgeving van Delbroek. In eerste instan-tie was dat een perceel aan de noordkant van de tegenwoordige Hazenweg

Bertus Stienen, bij de oudere inwoners van Altweerterheide bekend als “Bertus de Zwunger”, woonde samen met zijn Marieke in een eenvoudig huisje aan de Hoogbeemdenweg en verdiende de kost als scharenslijper en venter. Hij was een vaste bezoeker van de stortplaats. Voor hem viel er blijkbaar op de stortplaats genoeg te vinden waar wat aan te verdienen was. In 1965 werd het recht om daar afvalstoffen te verzamelen toegekend aan de familie Pruijmboom.

Toen er steeds meer ruimte voor de stortplaats nodig was, werd begin jaren ’60 aan de zuidkant van de Hazenweg een begin gemaakt voor een grotere stortplaats . In de daaropvolgende jaren kocht de gemeente Weert het een na het andere perceel van Boven-d’Eerdt en werd het gebied ingericht als Gemeentelijke- later Regionale Stortplaats. Ik neem aan dat ook de Wit grond verkocht aan de gemeente.

De eens zo statige hoeve Lindenhof heeft helaas moeten wijken voor de “vooruitgang”; een uitdijende vuilnishoop. Na jaren van leegstand is de boerderij uiteindelijk afgebroken in 1977. De boerderij van de Wit staat er nog steeds, maar is niet in bedrijf.

De Wit en Boven- d’Eerdt/Adams  zijn zodoende de laatste eigenaren van Delbroek geworden.

Na decennia van overlast, stank en vuil, is de Regionale stortplaats ruim 10 jaar geleden gesloten.
Het gaat om een gebied met een lengte van 750 m. en breedte van 300 m.

De meest logische naam voor dit nieuw ontwikkeld gebied is voor mij “Delbroek”. Zowel vanwege de Delbroucks als vanwege de ligging. Met de afwerking en landschappelijke inpassing van de "berg" is in 2005 een aanvang gemaakt. En het mag gezegd worden: het is een schitterend gebied geworden, waar we hopelijk in de toekomst meer van kunnen genieten. Het nieuwe natuurgebied is nog in ontwikkeling en daarom nog afgesloten.

In plaats van de vroegere “del” (natuurlijke laagte) en een “broek” is er nu sprake van “de duinen van Altweerterheide”. Vanaf het hoogste punt (25 m.) heb je nu een schitterend uitzicht op de omgeving. Bij helder weer zie je zelfs de Clauscentrale in Maasbracht en de drie turbinewindmolens bij het Belgische Opoeteren.

Deze bijna 200 jaar oude Robinia of Valse acacia aan de rand van de voormalige stortplaats is de laatste herinnering aan het oude Delbroek.

Hoewel deze site Weert en natuur heet, gaat het in deze post meer over de geschiedenis dan de natuur. Deze 2 zijn echter onlosmakelijk met elkaar verbonden; wat in het verleden is gebeurd, heeft dit gebied doen ontstaan. Ik besef terdege dat het een erg uitgebreide post is geworden, maar hoop dat je het desondanks met plezier hebt gelezen.

Wil je nog wat meer weten over het “Nieuwe Delbroek”, bezoek dan eens mijn post:
“Voormalige stortplaats Delbroek.“

woensdag 28 december 2016

Karelke

De ontwikkeling en bewoning van Altweerterheide is vanwege zijn moerassen,vennen, hei, bossen en zand anders en later begonnen dan in de andere kerkdorpen en gehuchten. Pas toen de ontginningen eind 19e - begin 20e eeuw startten, begon Altweerterheide aan een nieuw tijdperk. Zonder de noeste werkers van ontginningen als Wijffelterbroek, Delbroek, Achterbroek, Hollandia, Eigen Erf en Kettingdijk tekort te doen, mag je toch wel stellen dat de ontginning van Karelke het meest tot onze verbeelding spreekt.
Met graanhandelaar Jan Hendriks, beter bekend als “Bolle Jan”, uiteraard als hoofdrolspeler.

Door de centrale ligging van “Ontginning Karelke” en de schenking van grond door Jan Hendriks voor de bouw van de kerk (1924) en de lagere school (1928), heeft het gehucht Altweert zich kunnen ontwikkelen tot het huidige kerkdorp Altweerterheide.

Oudste bericht waarin ik "Karelke" tegen kwam.
Meestal wordt aangenomen, dat het wel zal kloppen wat geschreven staat in bijvoorbeeld “Altweerterheide 1937-1987” en “Altweerterheide, Namen en bijnamen”. Ook ik ben daar vaak van uit gegaan.

Zo wordt o.a. vermeld dat “Bolle Jan” met de ontginningen in 1911 is begonnen en er de naam “Ontginning Karelke” aan heeft gegeven. Dit is echter niet juist, zo blijkt uit mededelingen, die ik onlangs vond in de Nieuwe Koerier (dit was de voorloper van de Maas- en Roerbode, nu De Limburger).

Hij heeft de ontginning inderdaad op grootse wijze succesvol aangepakt, maar om hem nu de pionier van “Ontginning Karelke” te noemen, gaat toch wat te ver. Uit een mededeling in de Nieuwe Koerier van 30 maart 1893, blijkt namelijk dat er toen al sprake was van “Karelke”.

Het betreft een “Overzicht van Openbare Verkoopingen”. Hierin wordt onder andere medegedeeld, dat op 4 april 1893 10.000 dennenschansen te koop worden aangeboden “Aan Karelke” te Altweert.
Dat moeten veel hectaren bos zijn geweest…. De dennen zouden afkomstig kunnen zijn van de zandrug ten noorden van de Grotesteeg, maar ik vermoed dat ze uit het Mastenbroek komen. Mast heeft namelijk niet alleen de betekenis van varkensvoer (oorspronkelijk de oogst van eikels), maar “mastboom” is ook een oude naam voor den. Wie die 10.000 bomen te koop aanbood, heb ik helaas niet kunnen achterhalen. Jan Hendriks heeft daar, naar ik aanneem, in elk geval nog niets mee te maken, want die was toen pas 17…..

De naam "Karelke" bestond dus al vóór Jan Hendriks er grond ging kopen en was genoemd naar de plaatselijke inwoner Karelke Schaeken, die daar grond en een boerderijtje had. Hij heeft zijn grond en boerderijtje later aan Bolle Jan verkocht en werd door hem in dienst genomen.

Request om de toe- en afvoerweg te verbeteren, maart en december 1906
Eind 1905, zo is uit mede-delingen van 8 maart 1906 en 15 december 1906 af te leiden, is bos en heidegrond gekocht, maar om die te kunnen ontginnen en dit goed te kunnen uitvoeren, moest men de weg hoog- nodig verbeteren.
De wegen in Altweert waren rond 1900 zo slecht dat de afstanden te voet werden afgelegd. De afstanden werden toen ook niet in kilometers, maar in looptijd uitgedrukt. Zo lag Karelke op ruim 5 kwartier afstand van de stad. Kunstmest en kalk werden dan ook per tram aangevoerd tot in Tungelroy, vanwaar men het dan met paard en kar naar de Hei vervoerde. Dat ging blijkbaar sneller!!!

Vandaar dus het request van bewoners van Altweert c.s. en belanghebbenden uit de stad bij de gemeente, om de weg vanaf den Dries richting Altweert te verbeteren. Dit vanwege de aan- en afvoer van goederen (o.a. zand) bestemd voor- en komende van het Wijfelterbroek en “Karelke” (In een later bericht is te lezen dat Karelke op 450 m. van de splitsing Bocholterweg- Heltenboschdijk ligt. Karelke begint dus waar de Meilossing de Bocholterweg kruist.

Jan Hendriks is dan 30 jaar en is nagenoeg zeker zo’n “belanghebbende uit de stad”, hoewel zijn naam niet wordt genoemd. Uit onderstaand artikel van 1907 is dat echter wel af te leiden. Daarin wordt zijn naam namelijk wél genoemd in verband met “Ontginning Karelke”.

In het bericht in de Nieuwe Koerier van 10 augustus 1907 staat o.a. het volgende:
“Een half uur meer stadwaarts vinden wij de “ontginning Karelke” eigendom van den heer J. Hendriks- Meewis: “Waar twee jaar terug (*1905) niets dan slechte heide stond, vindt men thans de beste klaverweiden, prachtige rogge en haver. ’t Is een lust om te zien”. Tusschen Wijfelterbroek en Karelke ligt nog eens uitgestrekte heide waarvan dezer dagen door den heer J. Hendriks, circa 50 hectaren werd aangekocht, met het doel ook deze in cultuur te brengen . Het betreft dus vooral de Heerenvennen, ruwweg gelegen tussen huidige meilossing, Bocholterweg en Herenvennen- weg en Grote Steeg.

“Ook deze” suggereert dat hij al eerder grond had aangekocht. Met de Lossing wordt de Karelkeslossing bedoeld. Deze bevindt zich nu nog steeds op voornamelijk Schrams grond- gebied. In de Nieuwe Koerier van augustus 1907 vond ik nog een bericht waarin staat dat hij werk heeft voor 20 grond-arbeiders voor ontginnerswerk. Loon is 20 ct. per vierkante roede (21 m2)…

"Altweertsche Heide" omstreeks 1880-1900
Zoals je op de kaart van ongeveer 1880-1900 kunt zien, werd de “Altweertsche heide” vroeger begrensd door de gehuchten Aovert met Dijkerstraat, Heltenboschdijk, dan richting Kalverpeel, naar Heihuisweg en Diesterbaan. Door dit grote gebied liep van oudsher een zandweg: de Groote steeg.
Later is dat teruggebracht tot één strook van Altweerterkapel tot Heihuis (de zandrug tussen Diesterbaan en Grotesteeg).

In “Wat is er een (straat) naam” schrijft *mr. Stan Smeets in 1956 in het Kanton Weert het volgende over deze ontginning: “De grote stoot tot de ontginning van de * Altweertsche Heide en daarmede tot de stichting van het kerkdorp Altweerterheide is in het begin van deze eeuw gegeven door de ondernemende Weerter koopman Jan Hendriks met zijn boerderij Karelke, waarin oa de Herenvennen gevallen zijn, vroeger wellicht eigendom van de Heer van Weert, of van een “heer” uit de stad. Hier liggen of lagen nog de kleine vennetjes, de Peelkes, het * Breijven (breed ven), de Meij (van mede of made: weiland), de *Smallepeel, *Gebergweyers (zandbergen die daar liggen en waar een aangelegde leefvijver voor vis lag), het Grootven, het * Henkesven (van de familienaam Henkens =Heintjeszoon), *Mastenbroek (masten= dennenbomen)

* Stan Smeets is een zoon van drukker Emmanuel Smeets, die (met familie en personen uit de hogere kringen uit de stad) vaste bezoeker van de uitspanning Karelke was.
* Smallepeelweg is het vroegere paadje achter Klein Karelke richting Bocholterweg/Mastenbroekweg. (Tot bij “Cor van Toeta Toeën" bij het kruis).
* Breijvensweg en Gebergsweyersweg zijn de zandpaadjes achter café Schuttershoeve.
* Henkens is bij de oudere Altweertenaren bekend als “Sjaak van Mooder Kaat” aan de Grotesteeg.
* Ik ga er van uit dat Mastenbroek niet bij Ontginning Karelke hoorde......
* "Heer" zou ook afkomstig kunnen zijn van “haru” = een zandige hoogte. Heeren-ven = een ven op een zandige hoogte. Dat zou inderdaad kloppen voor het Breijven en Gebergsweyers, maar de verklaring van Stan Smeets lijkt me waarschijnlijker.

Uit bovenstaande krantenartikelen van 1907 en 1909 blijkt dat de ontginning hem geen wind-eieren legde. Bedenk maar eens dat de gewone man in die tijd al blij was met één koe…
Er wordt nu ook gesproken over “Café Karelke”. De verkoop van klaver, rogge en vee vond daar plaats.

Uit bovenstaande advertenties is af te leiden dat de ontginning moet dateren van 1907 of waarschijnlijk zelfs van daarvoor. Nadat in 1910 ontginning Groot Karelke werd opgestart, werd de ontginning van 1907  "Oud-Karelke" genoemd.  Het boerderijtje  van Karelke Schaeken, "Klein Karelke" genaamd,  is door Bolle Jan vervangen door een solider onderkomen. Het materiaal dat hij voor de bouw nodig had, was afkomstig van een sloopwijk in Antwerpen en is per schip aangevoerd. Het werd een uitspanning, annex kantoortje van Bolle Jan. Hier vond ook de openbare verkoop van vee, hout en landbouwgewassen plaats.

Karelke was behalve boerderij dus ook een café, zoals je toen in onze omgeving wel vaker zag. Meestal was dat gewoon in de woonkamer of keuken. Ik denk bijvoorbeeld aan Daal Truke, de Deijel, Körvers Tieske, Toeta Driekske en Vestjens. Dit was niet alleen om een centje bij te verdienen, maar ook voor de gezelligheid.
De klanten waren meest de eigen inwoners, als die zin hadden in een praatje en een borrel of biertje.
Vrouwen kwamen er meestal niet. Dit in tegenstelling tot café Karelke zoals uit de foto's blijkt.
Deze uitspanning was dan ook niet bedoeld voor de “gewone man”, maar werd vooral bezocht door de “beter gesitueerden” uit de stad en klanten die een band hadden met bijvoorbeeld drukkerij Smeets. Die waren daar vaste klant. Henri Emmanuel Smeets (de oudste zoon van Joseph) trouwde in 1933 met Alice, de jongste dochter van Jan Hendriks.


In augustus 1910 staat in de Nieuwe Koerier dat Jan Hendriks weer grond heeft gekocht in Altweert:
“De heer J. Hendriks-Meewis, de eigenaar van de uitgestrekte ontginningen bij Karelke onder Altweert, is thans bezig met het bouwen aldaar van eene groote modelboerderij, volgens plannen van de Nederlandsche Heidemaatschappij”. Hiermee wordt dus “Groot Karelke” bedoeld, het gebied gelegen tussen de huidige Bocholterweg, Herenvennenweg, Grotesteeg en Heihuisweg. Dit is de ongeveer 80 ha waar steeds sprake van is. De 10 gulden die hij per ha. betaalde, waren natuurlijk “peanuts” voor deze succesvolle (graan)handelaar, die alles aanpakte waar wat aan te verdienen viel. In 1911 werd met de ontginning van Groot Karelke begonnen.

* Er is in deze periode overigens nog geen sprake van Altweerterheide, maar van het gehucht Altweert.

Op deze militaire kaart van 1939 is o.a. te zien dat de Herenvennenweg nog niet was aangelegd en dat er een zandweg liep van Groot Karelke naar Klein Karelke. Het besluit om grond aan te kopen voor de aanleg daarvan viel pas in mei 1953 (bron: Kanton Weert). Dat had tot gevolg dat een weiland van de familie Schram aan de andere kant van de Herenvennenweg kwam te liggen, wat natuurlijk niet ideaal was. Hoewel het dan ook op veel weerstand stuitte bij de eigenaren van Groot Karelke, ging dit plan toch door.

Dit is een foto uit de beginjaren van “Groot Karelke”. Bolle Jan omgaf zich graag met lui “uit de stad”. Hier zit hij met een gezelschap voor de boerderij. Bolle Jan (met bolhoed) is de vierde persoon van rechts gezien.
Het gezin Schram uit Balk (Friesland) was toen nog niet de bewoner van de boerderij. Die kwam hier namelijk pas wonen in 1928.

Hoewel je in deze berichten leest dat er ook tegenslagen waren, blijkt uit de advertenties dat alles toch eigenlijk op rolletjes liep voor Bolle Jan. Toch onvoorstelbaar, dat in die periode zoveel vee door één persoon verkocht kon worden. De zaken liepen in elk geval zo goed, dat hij nadien ook nog vele honderden hectaren grond heeft gekocht in Laar en Nederweert e.o. om die vervolgens te gaan ontginnen.

Deze foto is van omstreeks 1930. "Groot Karelke" werd toen bewoond door het gezin Schram.

De ontginning van Jan Hendriks had tot gevolg dat het aanzien van Altweert veranderde en dat steeds meer mensen (ook niet-agrariërs) er zich vestigden. De bevolking groeide dan ook in rap tempo. In de jaren die volgden, ging men toch iets missen: een eigen kerk en school. Daarvoor moest men zich nog steeds elders begeven en dat viel niet altijd mee.
"Op 29 augustus 1917 geeft de bisschop op verzoek opdracht één nieuwe parochie op te richten, omvattende Altweert, Keent en Moesel. Op 22 november wordt een vergadering gehouden met de kapelmeesters van die gehuchten en de voornaamste bewoners. De meeste aanwezigen zijn voorstander van het plan en de nieuwe parochie zou komen op Keent, omdat daar de school voor de drie gehuchten was gelegen".
(in: Libri memoriales; Cor Tubee).

Het idee om op Keent een nieuwe kerk te bouwen, laat men echter varen als Jan Hendriks in 1923 bijna 3 ha. grond in de nabijheid van het “Oude Karelke” gratis ter beschikking stelt voor de bouw van een (nood)kerk en pastorie . “Gelegen aan den nieuwen door den heer Hendriks aangelegden breeden dijk, daar waar de wegen loopen naar Heigeurten en naar het Wijfelterbroek.” De ligging aldaar is het centrum van de bewoners van het Wijfelterbroek, Eigen Erf, Karelke en Hiltenbosch". (de latere Bocholterweg dus…..)

  
Op 19 september 1923 besluit de gemeenteraad voor de bouw van een noodkerk op Altweert het op de Vogelsbleek geborgen hout af te staan en gedurende tien jaar een jaarlijkse toelage van ƒ 800,-- te verlenen aan de pastoor of rector van Altweert. Op 22 september wordt de bouw van de kerk aangenomen door Hubert Adriaens voor de som van ƒ 6.260,--. In het algemeen werd het plan van de noodkerk in Grashoek-Helden overgenomen. Het kerkje werd 27 m. lang en 12 m. breed. Kapelaan Frantzen werd tot rector benoemd.

- De inzegening van de houten noodkerk was op 24 februari 1925. De parochie had toen al 700 inwoners. Op de foto staat Bolle Jan (als enige niet in het zwart) 3e van links. Zittend van li. naar re. Hupperetz-locoburgemeester, deken Haenen en kapelaan Frantzen. De anderen zijn bewoners en leden van het zangkoor uit de stad.. 

In Kanton Weert van 26/6/1925 wordt de ligging van de kerk beschreven: “Reeds van verre is het noodkerkje zichtbaar; het roode dak met de witte wanden steken lief af op de groene omgeving. Stille vrede over gansch ’t landschap en temidden daarvan de woning van de Koning van den vrede. Waarlijk een wandeling naar dit oord van stillen vrede is genot voor de ziel en voor het lichaam”. . Mooier kun je het toch niet zeggen.....

- In 1928 besloot het kerkbestuur op verzoek van de bisschop tot stichting van een school.
- In 1933 gaf de bisschop opdracht om de oprichting van een afzonderlijke parochie voor te bereiden.

- De eerste steenlegging van de huidige parochiekerk van het H. Hart van Jezus (naar een ontwerp van J.Th.J. Cuypers en zijn zoon P. Cuypers Jr) vond plaats op 5 juli 1936. Als rector werd H. Schippers aangewezen. De inzegening vond plaats op 25 april 1937.

Voor de verdere ontwikkeling van Altweerterheide waren de kerk en de school, zeker in die tijd, van groot belang.

Jan Hendriks, die is geboren op 30 juli 1876, sterft op 12 juli 1942. Hij is dan bijna 66 jaar. Hij was getrouwd met Maria (Mieke)  Meewis, geboren op 16 juli 1874 en gestorven op 28 juli 1947.
Jan Hendriks en Mieke kregen 5 kinderen. De oudste 2 stierven echter op zeer jonge leeftijd.

Vanwege zijn grote betekenis voor de ontwikkeling van het dorp Altweerterheide, is op het kerkhof een grote grafkelder voor Bolle Jan en zijn familie aangelegd. Aan het graf zijn eeuwige grafrechten verbonden. De laatste die in dit graf is bijgelegd is zijn zoon Pierre, P.H.A.M. Hendriks (1905-1970).

Klein Karelke, eind jaren '60 van de vorige eeuw
“Klein Karelke” in 1990
Voor wie zich afvraagt hoe het sindsdien is gegaan met de 2 boerderijen:
"Klein Karelke" is in 1930 verkocht aan Zjaak Meeuwissen en is later door zijn zoon Wiel (1925-1975) overgenomen. Omdat de boerderij al vrij snel te klein bleek voor bewoning, zijn  de er naast gelegen stal en schuur afgebroken en een woning met stallen gebouwd. Het fraaie gebouw van weleer is nadien gebruikt als opslagplaats. Daarna is het bergafwaarts gegaan, zoals je op deze foto van 1990 ziet.

Uitzicht op weilanden van het “Oud Karelke" gezien vanaf Grotesteeg. Op de achtergrond ligt links van de 2 huizen boerderij Klein Karelke (niet zichtbaar vanwege de struiken). Rechts op de foto zie je de nieuwste uitbreiding van Altweerterheide met de naam Lindenhof.
Eigenlijk een foute naamgeving, want Lindenhof moet je toch echt ergens anders gaan zoeken, namelijk op de voormalige stortplaats, voorheen Delbroek.


"Klein Karelke" in 2016
Het eens zo fraaie gebouw verkeert al jaren in een deplorabele staat. Zelfs de naam Karelke op de voorgevel is niet meer zichtbaar vanwege struiken en welig tierend klimop. Deze foto is van 2016. Dit cultureel erfgoed mag toch eigenlijk niet verloren gaan, maar wie voelt zich geroepen…

Hoe anders is het gesteld met "Groot Karelke". Het functioneert nog steeds als woonhuis en ziet er keurig onderhouden uit. De familie Schram uit het Friese Balk, kwam in 1928 naar Groot Karelke en woont hier nog steeds. Momenteel woont hier de 4e generatie,die er een bloeiend veeteeltbedrijf heeft.
Ik schat dat deze foto van eind jaren ‘60 begin ‘70 is. Opvallend is dat de voordeur aan de voorgevel verdwenen is, evenals de balustrade. Ook de naam "Groot Karelke" ontbreekt nog op de voorgevel.

Foto van “Groot Karelke” van september 2016

De uitgestrekte weilanden van “Groot Karelke”. Op de achtergrond de boerderij met de nieuwe stal. De foto is genomen vanaf de Heihuisweg.

Bij de knotwilgen vind je nu nog steeds de Karelkeslossing.