Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers

woensdag 5 augustus 2020

Allemaal beestjes #15

Dit is mijn 15e "allemaal beestjes" post. Als je op DEZE LINK klikt, kun je de andere "allemaal beestjes" bekijken en lezen. In de vorige post over beestjes ging het over (langharige) rupsen en in deze post wil ik er nog eens 2 laten zien. Deze zijn echter niet behaard. Vervolgens zie je een keur van andere kleine beestjes, die ik de afgelopen maanden gezien heb.

Spanrups
Deze rups wordt een Spanner genoemd. Spanners zijn een familie van vlinders, waarvan de rups vanwege het ontbreken van buikpootjes, eerst het achterlichaam tot aan de borst optrekt en daarna het voorlichaam vooruit schuift, zodat ze zich weer over de volle lengte uitSPANt. Het is net alsof ze een afstand afpast. Vroeger werden Spanners daarom ook wel Landmeters genoemd.

Grote wintervlinder
Deze Spanner is de tot 32 mm grote rups van de Grote wintervlinder. Ze kunnen nogal in kleur variëren. Ook de spanner op de vorige foto is namelijk de rups van de Grote wintervlinder. Deze spanrups veroorzaakt dan misschien geen fysieke klachten zoals sommige langharige rupsen, maar hij kan wel danig huishouden in de natuur. De beestjes kunnen bomen namelijk compleet kaalvreten, maar schadelijk voor de gezondheid van mensen zijn ze niet en omdat de vraat vroeg in het jaar plaatsvindt, lopen de bomen hetzelfde jaar nog uit. Voor koolmezen en andere insectenetende vogels zijn de rupsen van wintervlinders een belangrijke voedselbron.

    
Het bijzondere aan deze nachtvlinder is dat ie in november en december actief is en dan pas op zoek gaat naar het vleugelloze vrouwtje om die te bevruchten. De eitjes worden hoog in de toppen van bomen gelegd en overwinteren daar. In april/mei komen de rupsjes uit. Nadat ze zich volgevreten hebben met eiken- of ander loofboomblad, gaan ze naar beneden en verpoppen zich in het strooisel op de grond. In het late najaar verschijnen de vlinders en begint de cyclus weer opnieuw.

Sint Jacobskruiskruid
In een eerdere post heb ik eens geschreven dat het, momenteel overal in de natuurgebieden, bloeiende Sint Jacobskruiskruid voor veel dieren op een ramp kan uitlopen en dat ze er aan dood kunnen gaan. Hoewel de insecten de plant graag bezoeken vanwege het stuifmeel en de nectar, zijn alle delen van de plant zeer giftig. Zelfs dieren als onze melkkoeien en paarden kunnen er aan dood gaan als het in te grote hoeveelheden in het hooi terecht is gekomen. De boeren verwensen deze plant dan ook en bestrijden die, maar in de natuurgebieden kan het gewas ongestoord groeien. De koeien en paarden eten de plant niet vanwege de geur en de vieze smaak, maar als het gedroogd wordt, raakt het de geur en smaak kwijt en wordt het dus wel gegeten. Met soms fatale gevolgen.

Zebrarups
Toch zijn er dieren die wel pap lusten van deze plant. Een van die dieren is de rups van de Sint Jacobsvlinder. Een vlinder waarvan het voortbestaan zelfs afhankelijk is van deze plant. We noemen zo’n plant een waardplant. Vandaar ook de naam Jacobsvlinder. De rups van deze vlinder, die vanwege zijn uiterlijk Zebrarups wordt genoemd, heeft het Jacobskruiskruid nodig als voedselbron. Nou vraag je je natuurlijk af, waarom die rups dat sterke vergif wel kan verdragen?

Zebrarups
Daar heeft de natuur een schitterende oplossing voor. Als de rups van de plant eet, komt het gif namelijk niet in het spijsverteringskanaal terecht, maar wordt het door de huid opgenomen. Aangezien de huid van een rups niet meegroeit tijdens de groei, moet hij een aantal keren een groter “jasje” aan doen. Dat doet hij door te vervellen; door de oude huid dus af te werpen en een nieuwe huid te krijgen. Door het afwerpen van zijn velletje raakt ie meteen ook het dodelijke gif kwijt. En zeg nu maar eens dat de natuur niet schitterend in elkaar zit…………

Elzenhaantje
Bladhaantjes zijn kleurige kevertjes. In "Allemaal beestjes#10" heb ik daarover al een en ander verteld. Dat geldt onder andere voor dit Elzenhaantje. Dit slechts 6 tot 7 mm lange kevertje heeft een blauwzwarte kleur met een mooie glans. Het kevertje overwintert in de bodem onder bladeren en afgestorven plantenresten en komt in de periode april- juni tevoorschijn. Als het vrouwtje na de bevruchting tot wel 900 oranje eitjes aan de onderkant van het elzenblad heeft afgezet, sterft ze.

Larve van het Elzenhaantje
Binnen 2 weken komen uit de eitjes olijfgroene, later zwart wordende larven tevoorschijn. Die lijken sterk op rupsjes met 2 rijen behaarde wratten. Na ca. drie weken (vanaf juli) verpoppen die zich onder afgestorven plantenresten en na 8 tot 11 dagen komt al weer de nieuwe generatie kevertjes tevoorschijn. Zowel het kevertje als de larve vreten gaten in het blad van voornamelijk els, maar ook wel de populier en de wilg. Echt schadelijk zijn ze eigenlijk niet. Als de aantasting massaal is kunnen de bomen zeker in conditie achteruit gaan, maar ze zullen zelden hiervan afsterven.

Hennepnetelgoudhaantje
De mooiste bladhaantjes zijn toch wel de zogenaamde Goudhaantjes. Het zijn mooie glanzende kevertjes met iriserende kleuren., die je meestal op specifieke planten (hun waardplanten) vindt en daar ook vaak naar genoemd worden. Zoals dit Hennepnetelgoudhaantje. In "Allemaal beestjes#10" kun je hier meer overlezen.

Grote goudhaan
Zo'n soortnaam geldt niet voor deze Grote goudhaan. Je vindt hem vooral op composieten zoals boeren- wormkruid. Deze zat op een zuringblad. Waarom hij Groot wordt genoemd is me niet duidelijk, want hoewel hij wat groter is dan zijn soortgenoten, is hij nog altijd minder dan 10 mm.

In Nederland is het een vrij algemene soort. Het meest opvallende zijn natuurlijk de mooie iriserende groen - gouden dekschilden. Vooral als de zon er op schijnt. Felle, glinsterende kleuren als camouflage lijkt niet logisch, maar toch ontdekten biologen dat deze kevers er op deze manier gebruik van maken! De kleur van deze bladhaantjes heeft namelijk een waarschuwende functie; laat me maar met rust, want ik ben niet om te "vreten"..... Niet-iriserende kevers blijken vaker het slachtoffer te worden van vogels die op zoek zijn naar een maaltijd dan de iriserende soortgenoten, omdat ze die waarschuwing niet afgeven..

Zwarttip smalboktor
De Zwarttip smalboktor is een middelgrote (10 -15 mm) boktor, die opvalt door zijn geel/bruine kleur met een zwarte stip (vlek) aan de achterkant van de dekschilden. De kop, halsschild, poten en sprieten zijn zwart. Hij verschilt van de meeste andere overeenkomstig gekleurde boktorren door de gehéél zwarte poten en de overwegend gele (in tegenstelling tot zwarte) beharing op de dekschilden. Op de foto is dat niet zo goed te zien. Je treft deze kever meestal aan op schermbloemigen als fluitenkruid, peen en berenklauw. Deze zat echter op de witte bloempjes van het duizendblad.

    
Hier zie je het mannetje van het Icarusblauwtje. De ene keer met dichtgeklapte- en de andere keer met open geklapte vleugels. Er zijn meerdere soorten blauwtjes. Ze zijn genoemd naar de blauwe kleur op de bovenkant van de vleugels. Die kleur zie je echter vaker niet dan wel. Als ze stilzitten hebben ze namelijk bijna altijd de vleugels dichtgeklapt. Je ziet het blauwe vaak dus pas als ze vliegen. Als het een vrouwtje is, is die bij sommige soorten ook nog eens bruin op de bovenkant en er is zelfs een bruin blauwtje!! Binnen de groep blauwtjes is determinatie dan ook soms lastig.

Boomblauwtje mnl.
Blauwtjes zijn relatief kleine vlinders (spanwijdte maximaal 30 mm.), die we overal in Europa kunnen aantreffen. Het Boomblauwtje is de kleinste. De voorvleugellengte is minder dan 20 mm. Het is me niet gelukt hem te fotograferen met open geklapte vleugels, maar de belangrijkste en gemakkelijkste kenmerken van blauwtje zijn te zien op de onderkant, dus als het met de vleugels dicht zit. Het is te herkennen aan de zilverwitte tot lichtblauwe onderzijde waarop zwarte stippen te zien zijn. Net inktspetters. De onderkant van de vleugels is bij mannetjes hetzelfde als de vrouwtjes, maar mannetjes hebben een smalle zwarte rand op de bovenkant van de vleugels, dus dit zou wel eens een mannetje kunnen zijn.

Boomblauwtje
Ook heeft dit vlindertje als enig blauwtje geen oranje in zijn vleugels en zoals de naam al doet vermoeden voelt het zich het beste thuis in en nabij bomen en struiken. Vandaar ook die naam. Dat ze meestal/vaak vrij hoog vliegen, is een belangrijke eigenschap waaraan je ze kunt herkennen. De andere blauwtjes vliegen meestal op bloemenhoogte. Het Boomblauwtje leeft van de honingdauw van onder andere Klimop en Vuilboom.

Boskrekel
De Boskrekel leeft in gebieden met een dikke strooisellaag waarin de krekel naar voedsel zoekt. Meestal wordt deze soort in bossen of bosranden aangetroffen, maar ook begroeide delen van heidevelden, spoorwegbermen, parken en tuinen zijn een geschikt habitat. Het is een bodembewonende soort die niet klimt en bij gevaar schuilt onder bladeren, takjes en allerlei andere objecten zoals houtsnippers. De krekel zoekt warmere en drogere delen op en kan na enige tijd in de zon gezeten te hebben razendsnel zijn. In Nederland is de soort plaatselijk algemeen, maar komt alleen in het zuidoosten van het land voor. De boskrekel is als volwassen dier te zien van juli tot oktober.

Boskrekel
De kleur van de Boskrekel is goudbruin tot bijna zwart en het halsschild is lichter van kleur. Kenmerkend is de omgekeerde Y- vormige vlek op de kop. De vleugels zijn zeer kort en de krekel kan er niet mee vliegen of zweven. Bij de mannetjes reiken de vleugels tot het midden van het achterlijf, die van vrouwtjes zijn korter. De achterpoten zijn niet veel groter dan de andere twee paar en vooral de dijen zijn verbreed. De antennes zijn iets langer dan het lichaam en beide seksen hebben twee duidelijk zichtbare, draadachtige achterlijfspunten (cerci) die dienen als tastorgaan. Het vrouwtje heeft in het midden ook een legbuis voor de eiafzet die donkerbruin tot zwart van kleur is. De legboor is relatief lang en heeft een verdikt uiteinde.

Mannetjes zijn ietsjes kleiner dan vrouwtjes en worden 7 tot 10 millimeter lang. Het verschil in grootte is eigenlijk amper te zien, maar omdat de legbuis bij deze krekel ontbreekt, weet je dat de krekel op deze foto een mannetje is.

Oranje aaskever
De Oranje aaskever is een soort aaskever die amper 1 tot 2 centimeter groot wordt. Hun dekschild is zeer donkerbruin tot zelfs zwart, waardoor ze zeker op het zwarte zand moeilijk te vinden zijn. Het enige opvallende is het schild om de hals dat lichtbruin tot oranje van kleur is. De antennes eindigen in een mooie waaier. Het lijfje is ovaal van vorm en het kevertje kan de zes pootjes volledig intrekken in het schild.

Oranje aaskever
Zoals de naam het zegt, leven deze diertjes van aas, maar ook van mest, rotte bladeren en paddenstoelen. Zo lusten ze ook de grote stinkzwam en helpen mee om de sporen van deze paddenstoel te verspreiden. Ze worden daarom ook wel Stinkzwamaaskever genoemd.

Schuimcicade
Ongetwijfeld heb je wel ooit de slijmerige schuimhoopjes gezien die aan planten kleven. Vaak zijn dat wilgen. Als je goed kijkt zie je dat daar een klein beestje in zit. Dat is het schuimbeestje, dat ook wel spuugbeestje of schuimcicade (Philaenus spumarius) wordt genoemd. Het is de meest algemene en bekendste cicade.

Schuimcicade
De lichaamslengte is ongeveer 5 millimeter, de kleur is bruin tot bruingrijs met soms lichtere vlekken. De larven zijn bleekgroen tot -geel . Ze verschijnen in mei, maar we zien ze ook nog in de vroege zomer. Ze vormen het schuim door lucht uit te ademen in vocht dat via de anus wordt uitgescheiden. Dit schuim maken ze om hun tere huid te beschermen tegen uitdroging van de zon alsook tegen mogelijke belagers zoals spinnen, vogels en wespen.

Schuimnest of Koekoeksspuug met schuimcicade
Het schuimnest is bij het grote publiek beter bekend als koekoeksspuug. Het volwassen diertje is een klein springertje van 7 mm dat plotseling van een plant wegspringt als het opgeschrikt wordt. Het bijzondere daarvan is dat het wel 70 cm ver kan springen, wat ruim honderd maal zijn eigen lengte is.

Smalle randwants
Er zijn in Nederland circa 1000 soorten wantsen in Nederland. Een veel voorkomende soort is deze Smalle randwants. Deze is gemakkelijk te herkennen aan de hoekige schouders en de egaal gekleurde oranjebruine poten (de dijen en schenen hebben dezelfde kleur). Deze soort heeft in vergelijking met bijvoorbeeld de zuringrandwants een smaller achterlijf en aan de voorkant van de kop tussen de antennen heeft ie geen stekels. De meeste waarnemingen zijn in de periode april tot september met pieken in juni en augustus. Je kunt ze vinden in zonbeschenen struwelen en bosranden met loofhout, met een voorkeur voor besdragende struiken zoals meidoorn, lijsterbes, vogelkers en vuilboom.

(Veelkleurige?) kielspriet
Dit is een loopkever, die bij het geslacht van de kielsprieten hoort. Als je hem op zijn rug weet te leggen, zie je waarom hij kielspriet wordt genoemd. Je ziet dan namelijk een opstaande rand (de kiel) tussen de poten. Vergelijkbaar met de plank midden onder de boot, die bedoeld is om hem stabiel te houden. Wat de functie van deze kiel is, is mij niet duidelijk. Het is een ca. 20 mm grote kever met een rugschild met smalle nerven, die een koperen, groene of violette weerschijn heeft. In het felle zonlicht lijkt het net een koper-gouden kever.

Er zijn meerdere soorten die erg op elkaar lijken, dus ik ben niet zeker of het inderdaad de Veelkleurige kielspriet is. Het zou ook de Heidekielspriet kunnen zijn, of de Koperen kielspriet, hoewel de laatste op kleigrond wordt gevonden. De Veelkleurige- en de Heidekielspriet vind je op zandgrond en heide.

woensdag 29 juli 2020

Lepelaars op de Kettingdijk

Als je tegenwoordig aan de Kettingdijk gaat wandelen, is het is eigenlijk niet voor te stellen dat er op het huidige broekbos en moerasgebied tot de jaren 70 van de vorige eeuw volop graan en andere landbouw- producten werden verbouwd. De jaren daarna lag het accent meer op de veeteelt en dan met name melkkoeien.

    
Wat ooit (met veel inspanning) ontgonnen werd in midden 30-er jaren van de vorige eeuw, is nu weer omgevormd tot één groot moerassig natuurgebied. In januari 2015 schreef ik een post over de Kettingdijk, waarin ik vertelde dat het natuurherstelproject aldaar afgerond was. Hoe het voormalige grasland aan de oostkant er toen uit zag, is op bovenstaande 2 foto's te zien.

voormalige grasland aan de Kettingdijk in juli 2020
De opzet van dit project was het afvoeren van de voedselrijke landbouwgrond en aanpassing van de waterhuishouding, zodat kwelwater en regenwater langer worden vasthouden. En het mag gezegd worden dat deze opzet geslaagd is....

voormalige grasland aan de Kettingdijk in juli 2020
voormalige grasland aan de Kettingdijk in juli 2020
De Kettingdijk is in 5 jaar tijd onherkenbaar veranderd. Wat media 2014 aan de oostkant van de Kettingdijkweg nog weiland was, is nu één groot nat gebied. Het voormalige landbouwgebied is veranderd in heischraal grasland, nat schraalgrasland en een plas,die in de wintermaanden één groot waterreservoir wordt. En dat was ook de opzet van dit project: nieuwe gecreëerde natte natuur. Er zijn talloze afwateringssloten gedicht en met wandafsluiters, duikerbuizen en kantelstuwen worden de nieuwe waterstromen gereguleerd. Wat mij betreft is de Kettingdijk onherkenbaar en vooral ten goede, veranderd. Tenminste aan de oostzijde.

Grasland aan de Kettingdijk in juli 2020
Over het verruigde grasland aan de zuid-westkant (aan de Bocholterweg) ben ik niet zo te spreken. De pitrus en akkerdistel overheersen daar en dat gaat ten koste van de biodiversiteit. Het gebied wordt niet begraasd en zal in de loop van de tijd dichtgroeien.

Grasland aan de Kettingdijk in april 2013
Ik zie toch liever de foto van het grasland zoals dat in april 2013 was. Het zou beter zijn geweest als men het zo gelaten had en dat is niet alleen vanwege die biodiversiteit. Het "wildernisdenken" mag dan wel het de voorkeur hebben, maar je mag niet vergeten dat een cultuurlandschap ook een gemeenschappelijk erfgoed is dat een plaatsje verdiend in het totaalplaatje. Cultuurhistorie moet ook een rol spelen bij de inrichting van de ruimte. In 2017 heb ik een post gewijd aan die zuid-westkant met als titel: "dit wil toch niemand.....".

Lepelaars vliegen met gestrekte hals. Zilverreigers trekken hun hals in
Ondanks dat minpunt, is het gebied dusdanig veranderd, dat al snel nadat het project afgerond was de eerste (zwarte) ooievaars en lepelaars, en zelfs een enkele kraanvogel verschenen. De eerste bijzondere melding op waarneming.nl betrof de zwarte ooievaar in augustus 2015 en in april 2016 werd de eerste lepelaar waargenomen. Andere waarnemingen waren onder andere de grote zilverreiger, de koereiger, het ijsvogeltje en oeverlopers.

Sindsdien verschijnen jaarlijks lepelaars om er te foerageren. De eerste waarneming van de lepelaar dit jaar was op 5 april en het hoogste aantal dat dit jaar tot nu toe werd aangetroffen was 30 exemplaren. Op 17 juli trof ik er 17 exemplaren aan. Dat was de eerste keer dat ik ze in werkelijkheid zag. Heel bijzonder.

Voor lepelaars zijn de omstandigheden in Nederland de laatste decennia dus flink verbeterd. Dit is o.a. het gevolg van een veranderde publieke opinie over de waarde van natuur en de daaruit voortvloeiende beschermingsacties en natuurherstelprojecten. Dit zag je de afgelopen jaren ook volop gebeuren in het grensoverschrijdende Kempen~Broek.

   
In de 19e eeuw waren er kolonies tot 1000 paren, die echter intensief geëxploiteerd werden (eieren rapen) en te lijden hadden onder drooglegging van broed- en voedselgebieden. Rond 1900 was de stand teruggevallen tot rond 300 paren. Door bescherming groeide dat uit naar 400-500 paren in de jaren vijftig, om daarna met name door watervervuiling opnieuw terug te vallen tot 150 paren eind jaren 60.

Daarna begon een opmars waarbij de grens van 1000 paren in 1997 bereikt werd. Die van 2000 paren werd overschreden werd in 2009 en vorig jaar werden er maar liefst 3800 broedparen geteld. (bron: Sovon vogelonderzoek)

De lepelaars in Nederland broeden van eind maart tot en met eind juli. Ze leggen 3-4 eieren, maar van de kuikens die daar uit voortkomen wordt er meestal maar 1 groot. Vanaf eind juli, begin augustus verspreiden ze zich over Nederland en eind september, begin oktober zijn ze allemaal wel zo’n beetje naar het zuiden vertrokken. Het grootste deel trekt naar west Afrika.

     
De lepelaar wordt vooral geassocieerd met de kust. Op alle Waddeneilanden zijn inderdaad de meeste kolonies te vinden, maar ook in Zuid-Hollandse en Zeeuwse delta en in de Flevopolder broeden ze in de grote moerassen. De laatste decennia zien we ook een sterke toename van kleine kolonies op het vasteland.

Het is een vogelsoort die al lang uit Limburg verdwenen was. De laatste jaren zijn er echter steeds meer waarnemingen van deze bijzondere soort in Limburg. Dit is te danken aan de natuurherstelprojecten; er zijn steeds meer herstelde vennen en oude rivierlopen. Ook zijn er op diverse plekken, zoals in het grensoverschrijdende Kempen~Broek, steeds meer moerassige gebieden aangelegd. Uitgestrekte, ondiepe, drassige gebieden met een bodem bedekt met modder, klei of fijn zand en met veel riet. Juist deze plekken trekken vele steltlopers aan, maar ook grotere vogelsoorten als (zwarte) ooievaar en sinds een paar jaar dus ook de lepelaar.

De lepelaar vindt zijn voedsel in ondiep water, waarbij hij zijn snavel op en neer beweegt. De snavel is erg gevoelig, hierdoor is voedsel onder water opsporen een eitje voor de lepelaar. Ze eten graag visjes, zoals stekelbaarsjes, kikkervisjes, slakken, larven van waterinsecten en wormen. Ze kunnen elk type moeras, rivier, meer, overstroomd gebied en mangrove moeras bewonen, of het water nu zoet, brak of zout is. Maar om te broeden geven ze de voorkeur aan gebieden met eilanden, moerassen met rietkragen en andere slecht bereikbare plaatsen met dichte begroeiing en verspreid voorkomende bomen of struikgewas.Plekken waar hun grootste vijand, de vos, moeilijk kan komen. Ze bouwen hun nest bij voorkeur op de grond, maar je ziet ze op steeds meer plaatsen ook in de bomen hun nest bouwen.

Nog niet zo lang geleden gold de Lepelaar in Limburg nog als een dwaalgast. In 2006 werden 25 meldingen tot en met 2005 gedaan. Sindsdien gaat het hard wat waarnemingen betreft, maar hoewel steeds meer lepelaars in Nederlands- en Belgisch Limburg worden waargenomen, gebeurt broeden nog maar sporadisch. Op landgoed Arcen heeft in 2015 voor het eerst een paartje succesvol gebroed en zijn 4 jongen uitgekomen. Twee jaar geleden was er in het Belgische Lozen een succesvol paartje met 3 jonkies aan het Klotven op de Lozerheide en 2 paartjes in Mariapeel. Of dat ooit gaat gebeuren op de Kettingdijk lijkt me onwaarschijnlijk, maar je weet maar nooit.

Hoewel de foto’s best goed gelukt zijn, zijn ze van grote afstand genomen en zie je dus geen details. Om ze beter te kunnen fotograferen, heb je andere apparatuur nodig. Ik heb geprobeerd dichterbij te komen, maar ze hielden de omgeving goed in de gaten en vlogen op, omdat ze mij blijkbaar als een mogelijke “dreiging” zagen. En dat terwijl mijn enige "wapen"  mijn cameraatje  was, maar dat wisten ze niet natuurlijk, dus ik gaf ze geen ongelijk........

Op weblog “Natuur, cultuur en alles wat boeit ... ” vind je een aantal goed geslaagde foto’s met meer details van lepelaars, die daar op 3 juli foerageerden. Aan de kleur van de snavels (geel/oranje) kun je zien dat het toen vooral juvenielen (jonge vogels) waren. De volwassen vogels hebben een zwarte snavel.

vrijdag 24 juli 2020

Stierenkuil

In het grensoverschrijdende Kempen~Broek kom je in enkele natuurgebieden taurossen tegen; oude imposante runderrassen uit met name Spanje, Italië en Portugal, waarmee men het oerrund probeert terug te fokken. Ze zouden, zo wordt beweerd, door hun graasgedrag voor diversiteit in de vegetatie zorgen. Ik heb daar echter mijn twijfels over. Zeker als er overbegrazing is, want dan vreten ze alles weg wat ze maar tegen komen en bij voorkeur de sappige kruidige gewassen, zodat kwetsbare planten vaak niet de kans krijgen om tot groei en bloei te komen en dus uit het landschap dreigen te verdwijnen.

Stierenkuil op Kettingdijk/Vetpeel
De stierenkuilen die je er aantreft, zijn echter een uitzondering en kunnen belangrijk zijn voor met name pionierplanten en ze kunnen als nestplaats of jachtterrein dienen voor graafwespen, zandbijtjes en andere insecten zoals zandloopkevers en de blauwvleugelsprinkhaan.

Zoekkaart gepubliceerd door Stichting Ark.
ARK publiceerde een berichtenserie over de diverse soortgroepen die van stierenkuilen profiteren. Die kun je HIER lezen. Je kunt daar ook bovenstaande zoekkaart downloaden.

Zo’n stierenkuil is een fenomeen dat je alleen bij natuurlijke sociale kuddes vindt. Die kuddes zijn eeuwen- lang weggeweest in de Nederlandse natuur, maar zien we nu met de komst van de taurossen weer terug.

Kuddegedrag op de Kettingdijk
Een natuurlijke kudde runderen bestaat uit melkgevende koeien en hun kalveren, jongvee, droge koeien, "oppastantes" en een aantal stieren. In tegenstelling tot wat veel mensen denken, heeft de stier weinig te vertellen; het is een koe die de dienst uit maakt. Dit noemt men “matriarchaat”. Kuddegedrag bij de runderen is te herkennen als zogenaamd synchroon gedrag: ze blijven in elkaars nabijheid, grazen, herkauwen, schuilen, rusten en “vluchten” gelijktijdig.

Kuddegedrag op de Vetpeel
Dat versterkt de onderlinge band en biedt bescherming tegen roofdieren of ander “gevaar” van buitenaf. Over zo'n natuurlijke kudde heb ik eerder al iets geschreven in de post "Taurossen op Siëndonk en Lieëg hei 2015".

Op de voorgrond de grijze Maremmana leidkoe
Op de Kettingdijk lopen 2 natuurlijke kuddes rond voor zover ik kan beoordelen. Bij de grootste kudde van ongeveer 30 dieren is de grijze Maremmana koe de leidkoe.

 Dit voorjaar  zijn veel kalfjes geboren.
Het is altijd leuk om dit kuddegedrag eens in de gaten te houden. Het zorgt altijd voor verrassende gebeurtenissen. Zo worden bijvoorbeeld tijdens de stierenbronst de rangordes bepaald tussen de stieren. De bronstperiode is vooral in juni, juli en begin augustus te merken. De koeien zijn dan weer tochtig. Een koe draagt ruim 9 maanden, dus dit is een goed tijdstip om drachtig te raken. De kalfjes worden dan in het vroege voorjaar geboren. Dat is ook overal goed te zien aan de vele kalfjes die  een tijdje geleden zijn geboren. Maar zelfs nu worden er nog kalfjes geboren, zo zag ik op Kwaoj Gaat/Wisseblök.

Pasgeboren heckrundkalfje op Kwaoj Gaat/ Wisseblök

Taura, het eerst geboren tauroskalfje
Er zijn natuurlijk nog grotere uitzonderingen. Zo is bijvoorbeeld "Taura",,het eerste (Heckrund) tauroskalfje, op 12 februari 2012, geboren op 't Luuëke. Het was toen een ijsdag met een gemiddelde temperatuur van -7,3 °C en een gevoelstemperatuur van -11,7 °C vanwege de ijzige wind. De minimum temperatuur was 's nachts -11,9 °C.

De stierenbronst is de periode waarin volwassen stieren de andere stieren in de kudde uitdagen om te bepalen wie de sterkste is. De hormonen gieren door hun lijven en om hun opwinding te koelen en door "machogedrag" de anderen proberen te imponeren, woelen ze met hun kop en horens in de grond, schrapen met hun poten over de grond en gooien het vrijgekomen zand omhoog en over hun rug. Zo van “kijk eens hoe sterk ik ben”….. Tussendoor maken ze een vreemd brullend geluid dat niet echt op loeien lijkt, maar bronstloeien wordt genoemd. Een enkele keer leidt deze bronst tot een stierengevecht, maar meestal is voor de dieren al snel duidelijk die het meeste recht van spreken heeft.

Bij het bronstgedrag spelen geuren ook een belangrijke rol. Je ziet dan ook dat de stieren hun kop in de lucht omhoog houden en de bovenlip krullen ("flemen") om de aantrekkelijke geurtjes van de tochtige koe goed op te kunnen snuiven.

Daar dat gewoel en geschraap ontstaan de zogenaamde stierenkuilen. Dat schrapen gebeurt meestal op dezelfde plekken. Daardoor ontstaan er (asymmetrische) kuilen met een steile rand in een halve cirkel. De stier bewerkt deze steile rand regelmatig met zijn flanken en zijn poten, maar vooral met zijn kop.
Als hij na verloop van tijd niet meer terug gaat naar de kuil (als de bronstijd dus voorbij is),dan raken de steile randen in verval, de kuil raakt begroeid en verdwijnt. Dan breekt de tijd aan dat de eerder genoemde insecten en planten er gebruik van kunnen gaan maken.

Dit stierengedrag is een spectaculair gezicht en het kan er heftig aan toe gaan, maar het gedrag is puur op de soortgenoten gericht en niet op mensen. Uiteraard doe je er echter goed aan om dit op gepaste afstand te aanschouwen.

Blogarchief