Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Translate

Volgers

woensdag 27 februari 2013

Buuëtjes Hei

De Stramprooierheide begint bij de Zevensprong. De plaatselijke naam voor de “Stramproysche Heide” is “Buuëtjes Hei”. Buuëtjeshei staat voor “ Bootjeshei “. Het heidegebied in Stramproy is namelijk heuvelachtig.

Stramprooierheide in de jaren '50. Geschilderd door Bèr Stals
Het terrein “golft” een beetje en het open landschap moet er vroeger met name bij zonsopkomst en -ondergang (en met de nodige fantasie) als een golvende zee hebben uit gezien. Met vliegdennen als bootjes.... En dat is volgens de overlevering de oorsprong van de naam “Buuëtjes Hei”.
Vanwege de aangeplante naaldbomen, is dat nu allemaal niet meer te zien.

Vroeger was de Stramprooierheide het gebied tussen globaal genomen de Ruytersbaan (huidige Grensweg),Scheidstraat (huidige Stramproyergrensweg), het Vosseven en Areven. Afgaande op de topografische militaire kaart van omstreeks 1850.
Het was een heide- en stuifzandgebied, waar rond 1800 maar liefst 6 schaapherders werkzaam waren.
Rond 1900 is dit gebied ook nog grotendeels heide, maar verschijnen er ook al bos- en landbouwperceeltjes zoals de Lieëg Hei, Siëndonk en Morrelke.

foto van februari 2013

Daarna is de verbossing van de heide snel gegaan door met name de aanplant van bomen voor mijnhout. Eind jaren tachtig waren er nog hier en daar wat plukjes heide over, maar anno 2013 is er helaas nog maar één heel klein stukje "echte Buuëtjes Hei”.


In 1985 kocht Natuurmonumenten haar eerste perceel op de Stramprooierheide. Dit perceel bestond uit 8.75 hectare bos. In de 90’er jaren van de twintigste eeuw werd het bos voor de eerste keer uitgedund. Rond het laatste stukje heide werden extra veel bomen weg gehaald, met het idee om de heide meer toekomstmoge-lijkheden te geven. Dit leverde resultaat op, want de eerste nieuwe heideplantjes staken al snel de kop op.


Men wilde graag een groter gebied, maar dat ging niet zo een, twee, drie en zeker niet vanzelf.
De natuur moest een handje geholpen worden. Een groep vrijwilligers uit Stramproy heeft het heidegebiedje in 2000 geadopteerd en zet er al jaren op een natuurvriendelijke wijze de schouders onder. Jaarlijks organiseren vrijwilligers Hilde en John van Dael een werkdag onder de naam “Stramproyer Natuurwerkdag”. Een lovenswaardig initiatief. De basisschooljeugd wordt er actief bij betrokken en ook andere vrijwilligers werken meerdere dagen per jaar aan het herstel van de heide. Om het heideareaal uit te breiden wordt er handgereedschap gebruikt; jonge dennetjes worden uitgetrokken, houtopslag wordt verwijderd, braamstruiken graaft men uit en kleine stukjes worden geplagd. Er zijn doorgangen gezaagd in de nabij gelegen bosrand om het lichter te maken en ook om zo betere migratieroutes voor vlinders te maken.

Omdat het nogal veel en zwaar werk was, heeft Natuurmonumenten er in 2009 een groen-aannemer aan het werk gezet. Met machines is toen een wat groter gebied vrijgesteld van bos en is de bosgrond deels afgeplagd en afgevoerd. De nog in de grond aanwezige heidezaden kregen zo weer een kans.
Nu is het voor de vrijwilligers ook gemakkelijker om het heidegebiedje te onderhouden. Het gaat (nog) om een heel klein gebiedje, dat echter gekoesterd wordt, want het is het enige dat er nog is in Stramproy.


De afgelopen maanden is er weer een houthandelaar aan de slag gegaan. Omdat het een 'einddunning' betreft, is het niet de bedoeling dat hierna nog meer bomen geveld worden.
Men is niet (hoewel je dat zou denken, als je ziet hoe ze hebben "huisgehouden") zo maar te werk gegaan, maar er zijn selectief bomen gerooid, om zo meer open plekken te creëren. Kaprijpe grove dennen zijn weggehaald en de mooiste dennen, loofhout en de struikbegroeiing zijn gespaard. Zo moet er geleidelijk een afwisselender bos ontstaan.


Het wordt zeker geen “opgeruimd” bos, want zo’n bos “leeft” namelijk niet. Dode bomen en het kaphout laat men dus zoveel mogelijk liggen. Dit geldt niet voor het kleine heideveldje, waar het kaphout wél verwijderd moet worden om nieuwe hei de kans te geven te gaan/ blijven groeien. Van het afgekomen materiaal heeft men alvast een aantal zogenaamde “broedhopen” aan de bosrand gemaakt, als winterschuilplaats voor amfibieën en kleine zoogdieren, zoals bijvoorbeeld de egel. De terugkeer van dood hout in onze natuur levert nog meer op: er is niet alleen meer beschutting, maar ook spechten, kevers, mossen, schimmels en nog veel meer dieren en planten profiteren er van en vinden er voedsel.
Er is daardoor zo veel meer te zien om van te genieten en onze natuurbeleving neemt toe.

Het is interessant om de ontwikkelingen in dit kleine en kwetsbare heidegebied(je) te volgen. Vooral als de heide in bloei staat (vanaf half augustus tot midden september), zal ik er zeker nog eens een bezoekje brengen.

LAATSTE NIEUWS: werkgroep stopt er mee.............
Zie mijn blog van 3 september: Alles is maakbaar, zolang als het duurt......





Grotere kaart weergeven

dinsdag 26 februari 2013

Het Zevesprungkapelke

In 2011 werd, op verzoek van huisarts Gerard Kusters, die met pensioen ging, door de stichting Heyerkapel aan de “Zevesprung” een niskapelletje gebouwd. Kunstenares Els Maes-Verdonschot uit Stramproy maakte een mooie beeldengroep van de Heilige-Familie.


Het kapelletje ligt op de (in Stramproy “wereldberoemde”) Zevensprong. Een vreemde naam eigenlijk, want op die plek komen geen zeven, maar zes paden samen. Eén pad is dus verdwenen in de loop der tijd. "Waar lag vroeger dan die zevende?"  zo kun je je afvragen. De Zevensprong ligt in een voornamelijk met de grove den bebost gebied ten zuiden van de Stramproyergrensweg. Dit is de Stramprooise heide, oftewel de Buuëtjeshei. Deze weg is opgenomen in het fietsknooppunten netwerk.
Het kapelletje ligt in een gebied dat de “Boberden” wordt genoemd. De gelijknamige weg die naar de zevensprong gaat, was vroeger een belangrijke doorgaande weg naar Bocholt. Als je het pad door het bos nu ziet, is het bijna niet voor te stellen, dat hier bijvoorbeeld op 14 september 1794 Franse legertroepen voorbijtrokken. Volgens een overlevering was het toen kermis in Stramproy en zouden soldaten, die op doorreis waren, schalen met eten hebben meegenomen en de geroofde vlaaien op hun bajonetten hebben gestoken. Als je het pad door het bos blijft volgen kom je via de Napoleonsbrug (aan de grens) uit op de Napoleonsdijk. Op deze weg ligt de Napoleonshoeve. Ook deze namen zijn een herinnering aan die periode.

De naam Boberden is waarschijnlijk afkomstig van “bobeleerd”, wat "met biezen begroeid land" betekent. Ook kom je in oude geschriften namen als “Bobaerd” en “Boberd” tegen.
Een van de vroegere bewoners, Jaan Beeren, kreeg vlak na de Tweede Wereldoorlog tbc en werd ernstig ziek. Omdat zijn boerderij, “Bobberte” genaamd, in een bosrijke omgeving lag, mocht hij van de arts thuis revalideren. Bóbberte Jaan, zoals zijn bijnaam was, beloofde een kapelletje te laten bouwen als hij zou genezen. Toen Jaan beter werd, hield hij zich aan zijn belofte en in 1947 liet hij een heel eenvoudig kapelletje bouwen. Het raakte al snel in verval en omstreeks 1965 is het vernield.
In 2011 werd het door stichting Heyerkapel herbouwd op dezelfde plek. Het hele verhaal over het “kapelke” kun je vinden op de site van Stichting Heyerkapel.





Grotere kaart weergeven

zondag 24 februari 2013

Roukespeel

Afgelopen nacht is er een flinke portie sneeuw gevallen. Waarschijnlijk zijn het de laatste stuiptrekkingen van Koning Winter, want het is tenslotte al bijna maart. Het sneeuwde nog de hele dag, maar het was niet koud omdat de koude wind was gaan liggen, dus een mooie gelegenheid voor een wandelingetje.

Ik heb vandaag een bezoekje gebracht aan de Roukespeel. Je vindt dit moerasgebied aan de rand van het kerkdorp Swartbroek. Het vormt samen met het Laagbroek het grotere natuurgebied de Krang. De naam Krang is afgeleid van krengen= keren of omdraaien. Er liep vroeger namelijk een weg tot aan boerderij de Krangerhof en dan zat er niks anders op dan om te keren, want het moerasgebied dat er achter lag was ontoegankelijk. Men moest daar krengen= omkeren.

Krang met Roukespeel rond 1890
Door wegstuivend zand waren er duizenden jaren geleden een soort kommen in de laag dekzand ontstaan, waarin zich deze moerasgebieden ontwikkelden. De kommen zijn gescheiden door een drogere en hoger gelegen dekzandrug waarop nu Swartbroek en ook buurtschap Castert liggen. Een buurtschap werd voorheen ook wel „boerschap" genoemd en bestond uit groepen hoeven en hoefjes, die ofwel in lange rijen met zekere tussenruimten, of geheel afgezonderd verspreid lagen.
De moerasgebieden en bossen werden aanvankelijk door de plaatselijke bevolking gemeden, want het zou er spoken..... De carnavalsvereniging van Swartbroek heeft zich niet voor niks "Spoeëkejaegers"genoemd.

De Roukespeel (vroeger ook "Swartbroeker- peel" genoemd) is nog een overblijfsel uit de tijd dat de mens de natuur daar zijn gang liet gaan en er niets mee deed. Dit is af te leiden aan de naam. Roukes is afgeleid van roekeloos. Nu betekent het: onbezonnen, maar vroeger had het een andere betekenis. In het Middelnederlands betekende het werkwoord "roecen": zorgen, zich bekom- meren om iets. Als een woord is verbonden met het achtervoegsel -loos betekent dat: zonder of niet.
Roekeloos betekende dus toen: zonder aandacht, zonder zorg, er niets mee doen, er zich niet om bekommeren.
En dat is dus wat men oorspronkelijk met de "Roukenpeel" deed: niets......

Uiteindelijk werden deze moerasgebieden ook ontgonnen en geschikt gemaakt als landbouwgrond. Na 1872 is begonnen met de verpachting en ontginning van de "woestliggende gemeentegronden". Na het graven van de Kranglossing, Noodbeek(1917) en vooral na de verbreding en het rechttrekken van de Leukerbeek (1931-1935) ging het heel snel met de verdere ontwikkeling van het gebied.

Roukespeelven

De Roukespeel bestaat nu uit een complex met broekbossen, nat grasland, populierenaanplant en een ven en wordt beheerd door Vereniging Natuurmonumenten.
Het aan de rand van het gebied gelegen ven is een moerassige laagte. Kort na de tweede wereldoorlog was het nog open water met een zandige bodem, maar nadien is dat nagenoeg verland, met in het midden een rietmoeras en wilgenstruweel, aan de randen een elzenbroek en hogerop een eiken-berkenbos. Om het ven waren populierenrijen aangeplant. Er is al veel geïnvesteerd in de inrichting van het hele gebied. In de nazomer van 1993 zijn met medewerking van waterschap Midden-Limburg de wilgen verwijderd, is het ven uitgebaggerd, het moerasbos in de omgeving gedund en zijn populieren gekapt. De populieren die zijn blijven staan, vallen na verloop van tijd vanzelf wel om in het drassige gebied.

Er wordt nu heel anders over waterbeheer gedacht. Belangrijkste thema's zijn: zo lang mogelijk vasthouden van water en de scheiding van water uit landbouwgebieden en kwelwater uit de peelvenen. In 2007 besloot de Tweede Kamer tot het oplossen van de verdrogingproblematiek en heeft een prioriteitenlijst gemaakt. De zogeheten TOP-gebieden. De Krang, met Laagbroek en Roukespeel, is er hier één van. Het ligt in het stroomgebied van twee beken, de Tungelroysche Beek en de Leukerbeek. De Tungelroyse beek is al enige jaren geleden heringericht en ook de Leukerbeek is de afgelopen jaren al op diverse plaatsen heringericht; de beek is langs de natuurgebieden Roeventerpeel en Kootspeel geleid en stroomt (nog)door de Roukespeel langs Swartbroek, om bij de A2 uit te monden in de Tungelroyse beek. Via de Houtstraatlossing en de Kuppenlossing, die uitmonden in de Leukerbeek, is er verbinding met de Moeselpeel.

De Leukerbeek zal binnenkort ook bij de Roukespeel worden omgeleid en het gebiedseigen (kwel)water zal worden afgekoppeld. Waar nu nog paarden en galloways lopen, zal straks de nieuwe beek stromen. Ook de Dijkerpeelbeek, die uitmondt in de Leukerbeek, zal om het gebied geleid worden.
Eigenaar Natuurmonumenten zal hiermee, met medewerking van het Waterschap, in het voorjaar (april) beginnen. In een volgende blog zal ik hier iets over vertellen.

knuppelbruggetje

bruggetje over Dijkerpeelbeek
Door het venherstel, bosrandenbeheer en het aanleggen van wandelpaden en knuppelbruggetjes, is het Roukespeelgebied al rijk aan planten en dieren en erg in trek bij wandelaars. Het gebied is o.a. opgenomen in het "Graaf van Hornepad", een 95 km lange OLAT-wandelweg door de Weerter natuurgebieden. Het ven is goed bereikbaar via knuppelbruggetjes en er is een vogelkijkscherm van waaruit je kunt genieten van watervogels zoals wilde eenden, blauwe- en zilverreigers, dodaars, futen, meerkoeten en aalscholvers. Aan vraatsporen op de oevers is te zien dat er bevers zijn. Afgaande op de hoeveelheid vraat, is er waarschijnlijk sprake van meer dan 1 dier.

Het inrichtingsproject dat in april 2013 begint is er op gericht om de natuurwaarden in en langs de beek te verhogen, een gezond, schoon en ecologisch goed functionerend beeksysteem te creëren en om het water langer in het gebied vast te houden. Het gebied wordt als het ware in tweeën gedeeld: een deel waar geen beekwater kan komen, ook niet bij hoog water, en een deel dat verbonden blijft met de Leukerbeek. Het vendeel dat met de beek verbonden is, noemt men het "Beekven", het niet-verbonden deel het "Kwelven".

Leukerbeek

Noodbeek (rechts) komt uit in de Dijkerpeelbeek

Dijkerpeelbeek komt uit in de Leukerbeek

vernatting van het gebied

paddenpoel langs Grotekouseykweg

konikpaarden

galloway runderen zorgen voor de begrazing



Grotere kaart weergeven

dinsdag 19 februari 2013

Exmoorpony op de Loozerheide

In mijn vorige blog over de laatste ontwikkelingen op de Loozerheide, heb ik al vermeld dat er sinds 8 februari, 6 Exmoorpony’s rond lopen. De Exmoorpony behoort naast het przewalskipaard tot de laatste rassen van wilde oerpony's.



In het afgerasterde gedeelte van de voormalige Nyrstargrond lopen al Maremmana runderen. Begrazing wordt door Ark namelijk gezien als een sleutelproces voor “zelfredzame” natuur in Kempen-Broek.
Stichting Taurus, de eigenaar van deze paarden, en Ark hebben bewust voor Exmoorpony’s gekozen, omdat deze paarden vooral jonge boompjes en pijpenstrootje eten. Deze Exmoorpony’s vormen een ideale aanvulling op het graasgedrag van de runderen, want een groot deel van het gebied is begroeid met dit pijpenstrootje. Met de komst van deze kleine kudde Exmoorpony’s zullen weer open plekken ontstaan, die weer kans bieden aan de heide en andere verdwenen of zeldzame planten als galigaan, klokjesgentiaan en snavelbies, of insecten zoals de veldkrekel.
In april zal bij de Grashut in het Weerterbos ook een kleine kudde Exmoorpony’s losgelaten worden. In deze blog wil ik aandacht schenken aan dit prachtige dier.

Ze zijn nogal mensenschuw en erg op zichzelf. Dat moet je echter als een pluspunt opvatten; er hebben zich namelijk met Exmoorpony's (in tegenstelling tot bijvoorbeeld Konikpaarden) waarschijnlijk daardoor nog geen incidenten voorgedaan in terreinen die zijn opengesteld voor het publiek. Het dier is levenslustig, intelligent, vriendelijk en vlug. Een genot om te zien en een verrijking voor Kempen-Broek.

Deze ‘oerpony’ is vernoemd naar het in het zuidwesten van Engeland gelegen “Exmoor”, waar hij de laatste eeuwen in het (half)wild heeft overleefd. Het Nationale Park Exmoor werd al in 1954 gesticht en is vernoemd naar de rivier Exe die door het park stroomt. Het gebied Exmoor is zeer heuvelachtig en bestaat voor het grootste deel uit heide en moerassen.

De Exmoorpony wordt gekenmerkt door een elegant hoofd met wijde neusgaten, sprekende ogen en kleine oren. De hals is kort en sterk, geplaatst op een stevig, middellang lichaam. De vacht heeft ’s zomers een koperglans en is ’s winters mat en ruw. De haarkleur varieert van donkerbruin tot lichtbruin, met zwarte punten rond de ogen, op de neus en op de flanken. De buik en de binnenkant van de dijen zijn lichter van kleur. Rondom de neusgaten heeft de pony een grijsbruine kleur dat op meel lijkt, de meelsnuit. De schofthoogte is gemiddeld 1,23m. De pony's zijn erg taai en sterk en ze hoeven niet beslagen te worden. De pony is goed winterhard en kan zich zelfs in strenge winters redden zonder beschutting of extra voedsel.

De Exmoorpony is geen door de mens geschapen ras, maar een wilde diersoort. Vroeger waren er nog echt wilde kuddes, maar na de Tweede Wereldoorlog was het ras bijna geheel verdwenen.
Na een fokprogramma lopen er nu wereldwijd gelukkig weer zo’n 2000 raszuivere Exmoors rond, waarvan circa 200 in Nederland. Samenwerkingsverband Exmoorpony is in 2007 opgericht om vanuit Nederland en Vlaanderen een bijdrage te leveren aan het behoud van de wilde West-Europese oerpony. Inmiddels is zo'n 90% van alle Exmoorpony's in Nederland en Vlaanderen opgenomen in hun stamboek.
Door het onderling uitwisselen en nauwe samenwerking met de Engelse Exmoor Pony Society, wordt de genetische diversiteit zo groot mogelijk gehouden en de raszuiverheid behouden.

Hans Hovens, van ecologisch advies- en onderzoeks- bureau Fauna Consult, is in 2009 nagegaan welke bewijzen er zijn, die aantonen dat we inderdaad te maken hebben met een nog niet uitgestorven “oerpony”.

In zijn artikel laat hij zien dat er meerdere bewijzen zijn voor de rechtstreekse afstamming van de Exmoorpony uit het kleinere type oerpony, dat in het Laat- Pleistoceen in Noordwest- Europa voorkwam. (ongeveer 100.000 tot 10.000 jaar geleden). De meeste Europese oerpony's hadden een bruine grondkleur, meelsnuit, lichte buik en donkere onderbenen. Dit zien we bij zowel de Exmoorpony als de oerpony's op rotstekeningen in Frankrijk (Lascaux) en Spanje. Hij haalt nog meer bewijsmateriaal aan, zoals overeenkomsten van botten en gebit. Maar de doorslaggevende bewijzen zijn de unieke bloedeiwitten van de Exmoors en het DNA dat op heel veel punten overeen komt met gevonden paardenfossielen uit het Laat-Pleistoceen.

Ik ga  er in deze blog niet verder over uitwijden, maar mocht je interesse hebben, dan kun je het artikel van Hans Bovens hier lezen.

Tot slot wil ik je nog attenderen op een uitzending van "Vroege Vogels" (een uitzending van april 2011).
 



Grotere kaart weergeven

zaterdag 16 februari 2013

Nyrstargebied een half jaartje later

Aan de Limburgse kant van de natuurgronden van zinkfabriek Nyrstar in Budel-Dorplein, ligt de Loozerheide. Nyrstar, de eigenaar sinds 2007, heeft een natuur- compensatieverplichting opgelegd gekregen in ruil voor de ontwikkeling van het Duurzaam Industrieterrein Cranendonck (DIC).
Het gebied dat Nyrstar daar in bezit had, is op 27 september 2012 aan Ark en Natuurmonumenten overgedragen. Op de site van Ark wordt hier meer over verteld.


Zowel Loozerheide als Ringselven zijn een onmisbare schakel in het streven om van het grensoverschrijdende Kempen~Broek één aaneengesloten gebied te maken. Men wil de heide terug, het waterpeil herstellen en een waterbuffer creëren. Zodoende vernat het gebied, krijgt bomengroei minder kans en kan de natuur zich weer ontwikkelen tot een prachtig nat en robuust natuurgebied.

Hoewel het Nyrstargebied oorspronkelijk een groot nat heide- terrein was, is er nagenoeg geen hei meer te zien en is het gebied voor een groot gedeelte begroeid met pijpenstrootje; Nyrstar heeft hier gedurende ongeveer 100 jaar niets aan natuurbeheer gedaan.
Doordat in het verleden greppels voor ontwatering zijn gegraven is het gebied sterk verdroogd. Een centraal in het gebied gelegen vennetje is helaas ook nagenoeg dichtgegroeid. De greppels gaat men dichtgooien, zodat het water langer vastgehouden wordt en waarschijnlijk gaat men de populieren rooien, of misschien laat men de natuur gewoon zijn gangetje gaan en verdwijnen de populieren vanzelf. Een sparrenbos, dat hier van oorsprong ook niet thuis hoort, is al gerooid.
De particuliere akkers, weilanden en bospercelen die eigendom waren van een paar agrariërs, zijn inmiddels ook het eigendom van Ark door grondruil of aankoop. Er is dus in korte tijd al heel wat werk verzet, maar het zal nog een hele tijd duren voor het naar ieders tevredenheid is.

Het gebied is omrasterd door Ark en sinds half november 2012 lopen er een aantal Maremmana runderen, die zorgen voor de begrazing. In mijn blog "Maremmana runderen op de Loozerheide" heb ik al een en ander over deze dieren verteld.
Na enig zoeken vond ik deze prachtige dieren bij een afgelegen groepje bomen. Er zijn 2 kalfjes geboren in de winter en om die reden ben ik op afstand gebleven. De koeien hebben ook een tijdje op de Stramprooise Heide gelopen, samen met een Pajuna stier. Ik vraag me af die de vader is. De kalfjes waren trouwens niet te zien vanwege het hoog groeiende pijpenstrootje. Het rund wordt gekenmerkt door een volgzaam karakter en sterk wijkgedrag, maar je weet niet hoe ze nu vanwege hun kalfjes zullen reageren en wat er gebeurt als je te dicht bij komt.
Er wordt sowieso geadviseerd minstens 25 meter afstand te bewaren en dat is nu zeker van belang.



Sinds vrijdag 8 februari lopen er 6 Exmoorpony’s rond. Het zijn 4 merries, een hengst en een veulen.
Ark heeft bewust voor Exmoorpony’s gekozen, omdat deze paarden vooral jonge boompjes en pijpenstrootje eten. Zo kan mogelijk de heide weer in dit gebied terug keren.




Grotere kaart weergeven

vrijdag 15 februari 2013

Judasoren trillen niet in de kou

In december heb ik een foto geplaatst van de gele trilzwam die ik langs de Lossing bij de Kettingdijk in Altweerterheide had gezien. Ik schreef dat het vruchtlichaam van deze zwam bestaat uit een propje van gelatineuse, slappe hersenachtige geplooide "lobben", dat ze er vochtig uit zien, glad aanvoelen en dat ze verrassend veerkrachtig zijn, als je er zachtjes in knijpt. Opgezwollen trilzwammen strooien kwistig met hun sporen als de vruchtlichamen trillen! Als er tegenaan wordt geduwd, of als de tak beweegt door bijvoorbeeld de wind, gaat die namelijk wat schommelen/trillen, als een plumpudding.

Judasoren
Vandaag zag ik weer zo’n trilzwam op de Loozerheide. Ondanks vele weken van sneeuw en strenge vorst heeft deze zwam kunnen overleven, omdat er een soort natuurlijk antivries in zit. Een trilzwam komt dan ook het hele jaar voor.
Het valt je waarschijnlijk op dat de kleur en vorm anders is dan de trilzwam die ik in december plaatste. We hebben hier te maken met het Judasoor. (Auricularia auricula-judae). Deze zwam heeft de vorm van een geaderd, enigszins doorzichtig oor. Hij heeft een mooie satijnige donkerroze kleur. Bij droogte en in de winter krimpt hij in, wordt harder en verkleurd van lila-achtig tot bijna zwart.
De naam wordt volgens een legende verklaard uit de overlevering dat Judas zich aan een boom wilde ophangen, nadat hij Jezus verraden had. Hij probeerde eerst een (treur)wilg, maar de tak boog zo diep door, dat hij weer veilig op de grond terechtkwam. Bij zijn volgende poging, de vlier, brak de tak. Hij verloor bij die val een oor toen hij langs de bast van de boom schaafde. Pas bij een es lukte zijn zelfmoordpoging. Hierbij verloor hij ook zijn andere oor. Sindsdien heeft deze trilzwam een voorkeur voor vlier en essenhout, maar je treft hem ook op andere bomen aan. In mijn geval op een populier. Het aardige van het verhaal is, dat de legende eigenlijk van puur Europese makelij is, want de boom komt in Palestina niet voor.
Na verloop van tijd, maar vooral na een regenbuitje, zal hij weer opzwellen en krijgt hij weer zijn oorspronkelijke vorm en kleur. Zoals ik in december al zei..... een taaie rakker.

dinsdag 5 februari 2013

Ontstaan van Kempen-Broek

Kempen~Broek, de naam van het 25.000 ha. grote natuurpark, is een verzonnen naam voor het gebied dat zich uitstrekt over de grens van Belgisch- en Nederlands Limburg en Noord-Brabant. Het ligt in de zogenaamde "Vlakte van Bocholt" aan de voet van het Kempisch Plateau en gaat in het noorden over in de dekzanden van de Kempen in N.-Brabant.

De Hoge Kempen, of het Kempens Plateau, is eigenlijk een grote puinkegel, gevormd door keien en stenen uit de Ardennen, die tijdens de IJstijd door de Rijn en later de Maas zijn afgezet in het zuidoosten van de Limburgse Kempen, en later is bedekt met zand. Het grondwater en verschillende beken stromen vanaf het plateau samen in de “Vlakte van Bocholt”, waardoor één nat en moerassig gebied ontstaat en grote delen blank komen te staan. Deze natte gebieden noemt men broeken. Vandaar de naam Kempen – Broek.

De aarde lijkt voor ons redelijk stabiel en onveranderlijk, maar van tijd tot tijd merken we toch dat de aarde wel degelijk in beweging is. Bijvoorbeeld door aardbevingen. Je kunt de aarde voorstellen als een appel, waarbij de aardkorst in feite de dunne schil is welke drijft op een vloeibare kern (het vruchtvlees). Door het "drijven" breekt de aardkorst in afzonderlijke delen, platen genoemd, die ten opzicht van elkaar bewegen. Dat kan op drie manieren: uit elkaar, langs elkaar, of onder en over elkaar. Al die bewegingen leveren nogal wat spanning op in de aardkorst. Als die spanning ergens te groot wordt, zal de korst van de aarde op die plekken breken (er ontstaan breuken). Door het uitrekken van de korst ontstaan dus breuken, zones waarlangs delen van de aardkorst ten opzichte van elkaar bewegen. De belangrijkste “afschuivingsbreuken” in onze regio zijn de Feldbissbreuk, de Peelrandbreuk en de Krefeldbreuk.

Sommige delen van de korst zullen als gevolg van het uitrekken van de korst dalen (slenken) en andere delen zullen omhoog komen (horsten).

Het gebied dat voor ons het meest van belang is, is de Roerdalslenk, die is genoemd naar de rivier de Roer die in Roermond in de Maas uitmondt. (wordt ook Centrale Slenk genoemd). Dit is een ongeveer 140 km lange en gemiddeld 23 km brede verzakking. Hij wordt begrensd door de Feldbissbreuk (Z.W.) en de Peelrandbreuk (N.O.) Een ander gebied wat daalt is de Venloslenk. Daartussen ligt de Peel Horst, een smal gebied bij de Peelrandbreuk wat weer hoog ligt. Ten zuidwesten van de Roerdal- slenk ligt het “Kempisch Plateau”, een gebied dat de laatste 2 miljoen jaar licht is gedaald. Ten opzichte van de Roerdal-slenk heeft het Kempisch Plateau altijd relatief weinig bewogen.

De activiteit van breuken heeft veel invloed op het landschap. Actieve breuken kunnen hellingen vormen tussen opgeheven en gedaalde gebieden. Dit is bijvoorbeeld te zien aan de helling die in o.a. Bree (B) ligt en die veroorzaakt is door de Feldbiss Breuk.
Het landschap in Zuid Limburg is ook 'gemaakt' door de actieve breuken (in het gebied rond Sittard). Het opgeheven deel, doorsneden door rivieren, vormt het Limburgse heuvellandschap.

Onderzoek heeft laten zien dat breuken een sterke invloed hebben op de ondergrondse stroming van water. In een systeem van grondwaterstroming door de ondergrond onderscheiden we zogenaamde infiltratie- en afvoergebieden.
Infiltratiegebieden zien we wat hoger in het landschap; het grondwater komt hier relatief diep voor. Water kan in deze gebieden gemakkelijk de grond in stromen.
Afvoergebieden vinden we in lager gelegen gedeelten van het landschap, hier komt grondwater ondieper onder het oppervlak (maaiveld) voor. In die gedeelten van afvoergebieden waar het grondwater helemaal tot aan het maaiveld staat, ontstaan natte ‘kwel’-zones. In kwelzones treedt water aan de oppervlakte en stroomt zo het systeem uit. Dit water kan vervolgens afgevoerd worden via een beek of opgenomen worden door vegetatie. Of, wat nu het beleid in Kempen-Broek is: een klimaatbuffer creëren door het zo lang als nodig is, vast te houden.
Het water van de beken zoekt zich een weg in de “Vlakte van Bocholt” en wordt vanwege waterondoorlaat- bare kleilagen (kleiversmering) in de Peelrand “gedwongen” af te buigen en zijn weg te zoeken richting Maas, die wel een weg heeft gevonden door de Peelhorst (in een periode dat die nog lager lag) en door de Venloslenk verder zeewaarts stroomt.

Kaartje met natuurgebieden met behulp van Google maps.
Het huidige landschap van Kempen- Broek is is niet alleen het resultaat van de geschetste natuurverschijn- selen, maar is vooral het resultaat van inmenging door de mens op zijn omgeving. Zo zijn zandverstuivingen voor een groot deel door menselijk ingrijpen veroorzaakt;door het afplaggen van de heidevelden of door overbeweiding kreeg de wind vat op het zand en stoof dit op tot heuveltjes. In het landschap zijn voortdurend sporen van menselijke activiteit “gewist” en weer nieuwe toegevoegd. Bewoners in en nabij het broek ontgonnen de meer toeganke- lijke randzones voor hun levensonderhoud; ophogen en afgraven, kappen en planten, halen en brengen, verschralen en bemesten. Gevolg: een gevarieerd landschap dat nat afwisselt met droog, open met gesloten, natuur met cultuur.
Gelukkig bleken de natste delen van het vroegere moeras niet geschikt voor ontginning en bleven ze bewaard als natuurgebieden. Smeetshof, Sint-Maartensheide, Luysen, Stramprooierbroek en Wijffelterbroek vormen nu een soort “parelsnoer” van grensoverschrijdende natuur. 
Op de kaart Kempen-Broek heb ik ook een aantal natuurgebieden in Weert en Nederweert gezet, die niet bij het Kempen-Broek horen.

Waar het Kempen- Broekgebied eeuwenlang uit economische overwegingen werd gemanipuleerd door de mens, wordt haar nu en in de toekomst de ruimte gegund om zich weer te plooien naar haar eigen wensen. Deze gunstige ontwikkeling is overal in de natuurgebieden van Weert en omgeving,ook grensoverschrijdend, duidelijk zichtbaar aan het worden door de inspanningen van Stichting Ark en andere actieve natuurverenigingen. Ook het rijk, provincie, gemeenten, Natuurmonumenten, Limburgs Landschap en Waterschap dragen hun (financiële) steentje bij.

Natuurgebieden Kempen~Broek.                                         Natuurorganisaties Kempen~Broek

Bronnen o.a.:
Ronald van Balen. Onderzoek naar breuken in Zuid Nederland. VU.Amsterdam
Paul Capals e.a. De Abeek, Levensader van beide Limburgen.

maandag 4 februari 2013

Natuur(gebieden) in Weert

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het overige ¼ deel was ook nagenoeg afgesloten door onder andere de moeilijk begaanbare Boshover Heide, de Budeler Bergen en het Weerter Bos, waarin en waarlangs ook nog eens Russels Broek, Broekensteert, Bakewells Ven, Speckebroek en Heugter Broek lagen.
Het "eiland van Weert" was dus volledig omringd door vochtige en natte gebieden en kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen". (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert" ).

zondag 3 februari 2013

Otterontsnippering

Het moet toch een heerlijk gevoel geven als je zo’n prachtig beestje tegenkomt en zomaar(!) op de gevoelige plaat kunt leggen. Dat zal, binnen niet al te lange tijd, mogelijk worden, want 2014 is het jaar dat de otter in Midden- Limburg wordt uitgezet. In de krant van zaterdag 12 januari werd al geschreven dat momenteel langs de Tungelroysebeek wordt gewerkt aan ‘otterontsnippering’; het aanleggen van veilige aaneengesloten routes voor otters. Dit in opdracht van de provincie Limburg.


Sinds de jaren ’60 is er in heel Midden- Limburg geen otter meer gesignaleerd en in 1988 is de otter in Nederland zelfs uitgestorven. Door menselijk toedoen, met name extreme watervervuiling en jacht, zijn ze verdwenen uit deze streek. Volgens ecologen horen otters echter thuis in M.Limburg. Nu de omstandigheden veel beter zijn door de natuurontwikkeling van de laatste jaren, kunnen ze weer terug keren.

In juli 2002 zijn de otters voor het eerst terug naar Nederland gekomen. Aangezien het niet waarschijnlijk was, dat zich op korte termijn op eigen kracht een levensvatbare populatie zou vestigen in Nederland, is besloten tot een herintroductie. In natuurgebieden in Overijssel (o.a. de Weerribben en de Wieden) werden dieren uitgezet, die in met name Oost-Europese landen zoals Wit-Rusland, Polen en Tsjechië, geen toekomst meer hadden. Dit waren otters die door stroperij werden bedreigd, weesjes en opgelapte verkeersslachtoffers. Het gaat sindsdien buitengewoon goed met de populatie. Inmiddels zakken ze langzaam af naar het zuiden en zijn er ook al otters in Gelderland bijgeplaatst. In 2014 is Limburg aan de beurt en worden hier de eerste otters uitgezet, maar voordat ze er zijn, moeten nog veel knelpunten worden weggenomen.

loopplank aan de Maaseikerweg
Onlangs is er al een otter in het gebied Kempen-Broek bij Smeetshof gespot, dus het zou zo maar kunnen dat de dieren zelf al hun weg naar Limburg hebben gevonden. Met behulp van de “spraints” probeert men het dna van het dier te achter- halen, zodat men de herkomst kan bepalen. Spraints, oftewel uitwerpselen, zijn belangrijk voor otters, omdat ze namelijk elkaar zoveel mogelijk uit de weg gaan en via deze geur- vlaggen op hun aanwezigheid wijzen. Vandaar dat spraints op opvallende locaties worden gedeponeerd, zodat ze relatief eenvoudig te vinden zijn voor andere otters, maar ook voor mensen. De aanwezigheid van een otter in Smeetshof maakt duidelijk dat de otterontsnippering snel moet wordt gestart.

loopplank aan de Maaseikerweg

loopplank aan de Bocholterweg
Omdat de otter, anders dan de bever, veel meer op land vertoeft, is de kans dat het dier onder een auto komt veel groter. Onderzoek in het noorden van het land wijst uit, dat verkeersongelukken de voornaamste oorzaak zijn waardoor otters overlijden en niet ziekte of ouderdom. Doordat drukke wegen de natuur door- kruisen, is het leefgebied van deze dieren versnipperd. Om deze reden is het waterschap in M.-Limburg in samenwerking met Ark Natuurontwikkeling begonnen met het beveiligen van beekoevers bij bruggen en duikers. Dat gebeurt met rasters langs de beek die de otter (en andere dieren) naar de onder bruggen en duikers aangelegde loopplanken leiden, in plaats van de veel gevaarlijkere route over de weg te nemen.
Loopplank aan de Lossing bij de grensovergang Weert - Bocholt

Op de site van Ark Natuurontwikkeling en de Zoogdiervereniging vind je meer over otterontsnippering.

Blogarchief