Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers

COPYRIGHT.. Zonder mijn toestemming mag geen gebruik worden gemaakt van mijn foto's en tekst.......


Posts tonen met het label grote roodoogjuffer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label grote roodoogjuffer. Alle posts tonen

zaterdag 7 februari 2026

Allemaal beestjes #32

Zoals beloofd krijgen jullie in deze tweede post van het jaar weer wat "beestjes"  te zien. 

Gewone citroenzweefvlieg
 Een wesp die niet steekt – of toch wel? Wie ooit een zweefvlieg zag en dacht "Wegwezen, een wesp!", is erin getrapt. Zweefvliegen behoren tot de absolute grootmeesters in mimicry; met hun geel-zwarte strepen en snelle, nerveuze vlucht lijken ze als twee druppels water op wespen. Maar anders dan hun stekende dubbelgangers, kunnen ze niet steken of bijten en zijn volkomen ongevaarlijk voor mensen. Omdat ze echter dreigend overkomen laten vogels en andere insecteneters - én mensen- hen liever met rust. 
hommelbijvlieg
Niet alle zweefvliegen houden het bij een wesp-look. Er zijn ook soorten die zich voordoen als dikke, harige hommels, zoals deze HOMMELBIJVLIEG (Eristalis intricaria). Met hun wollige lijf en brommende vlucht zijn ze haast niet te onderscheiden van een echte hommel. Voor hen geldt ook: "ik ben liever een nep-hommel dan een smakelijke prooi". Het zijn middelgrote, bolle zweefvliegen met een vrij lange snuit. Hun antennen dragen een pluimpje. Ze onderscheiden zich van de echte hommels door hun kortere antennes. Ook hebben ze 2 vleugels, terwijl hommels er 4 hebben.
hommelbijvlieg (mnl.)
Deze vlieg is vrij dicht en variabel behaard, maar minder dik dan de echte hommels. Mannetjes hebben over het algemeen een rossige en zwarte beharing, terwijl vrouwtjes voornamelijk zwart zijn met een opvallend wit "kontje". Wat je hier ziet, is dus een mannetje. De Hommelbijvlieg komt zeer algemeen voor in heel Nederland en voelt zich zowel in open als bosachtige gebieden thuis. Ze zijn vaak te vinden op bloemen waar ze, net als bijen, nectar en stuifmeel verzamelen, wat hen tot goede bestuivers maakt. Ze vliegen al vroeg in het jaar, van maart/april tot september. 

De larven staan bekend als "rattenstaartmaden". Ze hebben een soort luchtbuis om in het water te kunnen ademhalen, een zogenoemde rattenstaart. Die kunnen ze wel tot twintig centimeter uitschuiven. De larven leven van organisch materiaal en bacteriën.
gewone snipvlieg (mnl.)
De afbeelding toont een GEWONE SNIPVLIEG (Rhagio scolopaceus). Het is een middelgrote vlieg die in grootte heel erg variabel is. De kleinste is nauwelijks 8 millimeter lang, terwijl de grootste wel 16 millimeter lang kan zijn. Deze vlieg is vaak in bosrijke gebieden te vinden. 

Het belangrijkste verschil tussen een mannetje en een vrouwtje zit 'm in de ogen en het achterlijf. Mannetjes hebben ogen die elkaar bovenop de kop raken (holoptisch), terwijl vrouwtjes gescheiden ogen hebben (dichoptisch). Bovendien is het mannetje slanker en donkerder, terwijl het vrouwtje een breder, voller achterlijf heeft. Het borststuk is grijs met drie lengtestrepen en het achterlijf is geelbruin met zwarte driehoekjes op de bovenzijde en een zwart uiteinde. De vleugels hebben duidelijke zwarte vlekken. 
Volwassen vliegen hebben de gewoonte om met de kop naar beneden op boomstammen of paaltjes te zitten, een houding waar ze in het Engels de bijnaam "downlooker fly" aan te danken hebben. Ze voeden zich met kleine vliegjes en andere kleine insecten, maar ook met nectar, honingdauw en plantensap. 

Het vrouwtje legt haar eitjes in de regel afzonderlijk van elkaar op de grond, in mest of dood hout. De larven zijn carnivoor en leven in vochtig, dood gebladerte of onder de schors van bomen, waar ze onder andere jagen op kleine diertjes, maar ze schijnen vooral verzot te zijn op regenwormen.
cicadennest met een onbekende nimf
Cicaden zijn bij de meeste mensen bekend door de op spuug gelijkende schuimnesten, waarin het larvale stadium van een aantal soorten cicaden zich ontwikkelt. Dergelijke nesten worden wel "koekoeksspuug" genoemd en kunnen worden aangetroffen op verschillende wilde en gecultiveerde planten. 
onbekende cicadenimf
Cicaden leven allemaal van plantensappen, sommige soorten kunnen in grote aantallen op door de mens geteelde gewassen worden aangetroffen en worden daarom beschouwd als plaaginsecten, maar in zijn algemeenheid valt het allemaal wel mee. 
klimopkevercicade
Op deze foto zie je de KLIMOPKEVERCICADE (Issus coleoptratus). De Nederlandse naam kevercicaden hebben ze te danken aan hun gedrongen plompe vorm, die doet denken aan kevers. 
In ons land wordt van deze familie alleen de Boomkevercicade (Issus muscaeformis) en deze Klimopkevercicade aangetroffen. De Klimopkevercicade is zo'n zes tot acht millimeter groot en kan goed springen, maar niet vliegen. Toch heeft deze soort zich in rap tempo sinds 2000 over geheel Nederland verspreid. 

De soort kan worden aangetroffen op allerlei planten, maar lijkt een voorkeur voor klimop (Hedera helix) te hebben. Vandaar die naam. We vinden ze in één generatie per jaar. Ze overwinteren als nimf. Evenals wantsen en sprinkhanen vervellen de nimfen van cicaden een aantal keren voordat ze volwassen zijn.
paardenbijter (vrl.)
De ongeveer 6 cm. lange PAARDENBIJTER (Aeshna mixta) is een relatief kleine libel uit de familie van de glazenmakers. Ondanks de naam is deze libel volledig ongevaarlijk voor mens en paard; hij kan niet steken omdat hij geen angel heeft. De naam "paardenbijter" stamt uit een volksgeloof dat deze libellen paarden zouden bijten. In werkelijkheid cirkelen ze om vee heen om te jagen op de dazen en vliegen die het vee lastigvallen. In tegenstelling tot het mannetje (dat blauwe vlekken heeft), heeft het vrouwtje een bruin achterlijf met geelgroene vlekken. De ogen van het vrouwtje zijn doorgaans bruin tot grijsgroen, terwijl die van het mannetje blauw zijn. Wat je hier ziet is dus een vrouwtje.

In de nazomer (augustus-oktober) is dit een van de meest algemene libellen in Nederland en België. De piek van hun aanwezigheid ligt in augustus en september, maar ze kunnen van juli tot in november worden waargenomen. Ze jagen vaak in groepen op insecten zoals muggen en vliegen, meestal op ongeveer vier meter hoogte nabij bomen of in tuinen.
grote roodoogjuffer (vrl.)
De GROTE ROODOOGJUFFER (Erythromma najas) is een kenmerkende waterjuffer die vaak laag boven stilstaand of langzaam stromend water vliegt, en rust op drijfbladplanten zoals leliebladen. Je kunt ze zien van begin mei tot half september, met een piek in juni. Eigenlijk is de naam misleidend; het mannetje heeft inderdaad die opvallende, dieprode ogen, maar het vrouwtje heeft minder felle ogen. Die zijn meestal namelijk bruinrood of groenachtig. Het mannetje heeft een borststuk met zwarte rug en blauwe zijkanten en een grotendeels donker (zwartachtig) achterlijf met een blauwe punt aan de basis en het uiteinde, terwijl het vrouwtje een groenzwart lichaam heeft met lichte schouderstrepen. 
Dit grote uiterlijke verschil tussen het mannelijke en vrouwelijke dier wordt seksueel dimorfisme genoemd. Nu je dit gelezen hebt, kun je dus constateren dat dit een vrouwelijk exemplaar is.
roodgatje (vrl.)
Het ROODGATJE (Andrena haemorrhoa) is een van de meest algemene zandbijen in Nederland en België. Ze zijn al vroeg in het voorjaar actief, van maart tot juli, met een piek in april en mei. Het zijn echte alleseters (polylectisch). Deze solitaire bij steekt vrijwel nooit en is erg nuttig voor de bestuiving in je tuin. Je ziet ze vaak op voorjaarsbloeiende struiken en bomen zoals wilgen en fruitbomen zoals kers en appel en op paardenbloemen en schermbloemigen zoals fluitenkruid. Echt kieskeurig zijn ze dus niet. Ze graven hun nest in de grond, vaak op zonnige plekken met weinig begroeiing, zoals in gazons, bermen of tussen stoeptegels. Meestal liggen de nesten solitair, maar soms worden ook kleine groepjes gevormd. 
roodgatje (vrl.)
 Hoewel je het op de foto's helaas niet goed kunt zien, zijn ze te herkennen aan de opvallende oranjerode haartjes op de punt van hun achterlijf. Vandaar ook die naam. De vrouwtjes hebben een vos-rode beharing op de bovenzijde van het borststuk en de onderkant en het gezicht zijn witbehaard. Zowel bij de mannetjes als de vrouwtjes zijn de achterpoten doorschijnend oranje gekleurd. De mannetjes zijn echter weinig opvallend gekleurd en zijn een stuk kleiner en smaller dan de vrouwtjes. Ze hebben een lange, ijle vuilbruine beharing op het borststuk en de kop, maar ook (net als bij de vrouwtjes) een oranje behaarde achterlijfspunt.
vaal kokerbeertje
Het VAAL KOKERBEERTJE (Eilema caniola) is een heel algemeen voorkomend nachtvlindertje uit de familie van de spinneruilen die pas sinds 2014 in Nederland voorkomt en in rust op een opgerold papiertje lijkt. Het vlindertje heeft een vaalgele tot lichtgrijze kleur, wat de naam “vaal” verklaart in vergelijking met kleurrijkere kokerbeertjes. In rust vouwt de vlinder zijn vleugels smal om het lichaam, vandaar 'kokerbeertje'. De naam "beertje" heeft het vlindertje gekregen vanwege de ruig behaarde rups.

De soort is relatief nieuw in Nederland en werd pas voor het eerst in 2014 waargenomen in Zeeuws-Vlaanderen. Klimaatverandering is een belangrijke factor die hun uitbreiding verklaart en als ze eenmaal in België zijn gesignaleerd is het vaak maar enkele jaren voordat ook Nederland wordt gekoloniseerd. Het Vaal kokerbeertje is dan ook een warmte-minnende soort die warme jaren nodig heeft voor ontwikkeling. Hun natuurlijke habitat bestaat uit bossen, bosrijke gebieden, graslanden In de natuur verpoppen de rupsen doorgaans onder stenen. De rupsen voeden zich voornamelijk met korstmossen en algen die onder andere op daken, muren, bomen of stenen groeien.

Blogarchief