Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers

COPYRIGHT.. Zonder mijn toestemming mag geen gebruik worden gemaakt van mijn foto's en tekst.......


Posts tonen met het label schuimcicade. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schuimcicade. Alle posts tonen

zaterdag 7 februari 2026

Allemaal beestjes #32

Zoals beloofd krijgen jullie in deze tweede post van het jaar weer wat "beestjes"  te zien. 

Gewone citroenzweefvlieg
 Een wesp die steekt – of toch niet? Wie ooit een zweefvlieg zag en dacht "Wegwezen, een wesp!", is erin getrapt. Zweefvliegen behoren tot de absolute grootmeesters in mimicry; met hun geel-zwarte strepen en snelle, nerveuze vlucht lijken ze als twee druppels water op wespen. Maar anders dan hun stekende dubbelgangers, kunnen ze niet steken of bijten en zijn volkomen ongevaarlijk voor mensen. Omdat ze echter dreigend overkomen laten vogels en andere insecteneters - én mensen- hen liever met rust. 
hommelbijvlieg
Niet alle zweefvliegen houden het bij een wesp-look. Er zijn ook soorten die zich voordoen als dikke, harige hommels, zoals deze HOMMELBIJVLIEG (Eristalis intricaria). Met hun wollige lijf en brommende vlucht zijn ze haast niet te onderscheiden van een echte hommel. Voor hen geldt ook: "ik ben liever een nep-hommel dan een smakelijke prooi". Het zijn middelgrote, bolle zweefvliegen met een vrij lange snuit. Hun antennen dragen een pluimpje. Ze onderscheiden zich van de echte hommels door hun kortere antennes. Ook hebben ze 2 vleugels, terwijl hommels er 4 hebben. En....... ze hebben grote ronde ogen en kunnen stilhangen in de lucht als een helikoptertje.
hommelbijvlieg (mnl.)
Deze vlieg is vrij dicht en variabel behaard, maar minder dik dan de echte hommels. Mannetjes hebben over het algemeen een rossige en zwarte beharing, terwijl vrouwtjes voornamelijk zwart zijn met een opvallend wit "kontje". Wat je hier ziet, is dus een mannetje. De Hommelbijvlieg komt zeer algemeen voor in heel Nederland en voelt zich zowel in open als bosachtige gebieden thuis. Ze zijn vaak te vinden op bloemen waar ze, net als bijen, nectar en stuifmeel verzamelen, wat hen tot goede bestuivers maakt. Ze vliegen al vroeg in het jaar, van maart/april tot september. 

De larven staan bekend als "rattenstaartmaden". Ze hebben een soort luchtbuis om in het water te kunnen ademhalen, een zogenoemde rattenstaart. Die kunnen ze wel tot twintig centimeter uitschuiven. De larven leven van organisch materiaal en bacteriën.
gewone snipvlieg (mnl.)
De afbeelding toont een vaak in bosrijke gebieden  geziene GEWONE SNIPVLIEG (Rhagio scolopaceus).  Een snipvlieg (of snavelvlieg) dankt haar naam aan de opvallende, lange en spitse monddelen, die met wat fantasie doen denken aan de snavel van een snip (een vogel).  De Gewone snipvlieg is een middelgrote vlieg, die in grootte heel erg variabel is. De kleinste is nauwelijks 8 millimeter lang, terwijl de grootste wel 16 millimeter lang kan zijn.

Het belangrijkste verschil tussen een mannetje en een vrouwtje zit 'm in de ogen en het achterlijf. Mannetjes hebben ogen die elkaar bovenop de kop raken (holoptisch), terwijl vrouwtjes gescheiden ogen hebben (dichoptisch). Bovendien is het mannetje slanker en donkerder, terwijl het vrouwtje een breder, voller achterlijf heeft. Het borststuk is grijs met drie lengtestrepen en het achterlijf is geelbruin met zwarte driehoekjes op de bovenzijde en een zwart uiteinde. De vleugels hebben duidelijke zwarte vlekken. 
Volwassen vliegen hebben de gewoonte om met de kop naar beneden op boomstammen of paaltjes te zitten, een houding waar ze in het Engels de bijnaam "downlooker fly" aan te danken hebben. Ze voeden zich met kleine vliegjes en andere kleine insecten, maar ook met nectar, honingdauw en plantensap. 

Het vrouwtje legt haar eitjes in de regel afzonderlijk van elkaar op de grond, in mest of dood hout. De larven zijn carnivoor en leven in vochtig, dood gebladerte of onder de schors van bomen, waar ze onder andere jagen op kleine diertjes, maar ze schijnen vooral verzot te zijn op regenwormen.
cicadennest met een onbekende nimf
Cicaden zijn bij de meeste mensen bekend door de op spuug gelijkende schuimnesten, waarin het larvale stadium van een aantal soorten cicaden zich ontwikkelt. Dergelijke nesten worden wel "koekoeksspuug" genoemd en kunnen worden aangetroffen op verschillende wilde en gecultiveerde planten. 
onbekende cicadenimf
Cicaden leven allemaal van plantensappen, sommige soorten kunnen in grote aantallen op door de mens geteelde gewassen worden aangetroffen en worden daarom beschouwd als plaaginsecten, maar in zijn algemeenheid valt het allemaal wel mee. 
klimopkevercicade
Op deze foto zie je de KLIMOPKEVERCICADE (Issus coleoptratus). De Nederlandse naam kevercicaden hebben ze te danken aan hun gedrongen plompe vorm, die doet denken aan kevers. 
In ons land wordt van deze familie alleen de Boomkevercicade (Issus muscaeformis) en deze Klimopkevercicade aangetroffen. De Klimopkevercicade is zo'n zes tot acht millimeter groot en kan goed springen, maar niet vliegen. Toch heeft deze soort zich in rap tempo sinds 2000 over geheel Nederland verspreid. 

De soort kan worden aangetroffen op allerlei planten, maar lijkt een voorkeur voor klimop (Hedera helix) te hebben. Vandaar die naam. We vinden ze in één generatie per jaar. Ze overwinteren als nimf. Evenals wantsen en sprinkhanen vervellen de nimfen van cicaden een aantal keren voordat ze volwassen zijn.
paardenbijter (vrl.)
De ongeveer 6 cm. lange PAARDENBIJTER (Aeshna mixta) is een relatief kleine libel uit de familie van de glazenmakers. Ondanks de naam is deze libel volledig ongevaarlijk voor mens en paard; hij kan niet steken omdat hij geen angel heeft. De naam "paardenbijter" stamt uit een volksgeloof dat deze libellen paarden zouden bijten. In werkelijkheid cirkelen ze om vee heen om te jagen op de dazen en vliegen die het vee lastigvallen. In tegenstelling tot het mannetje (dat blauwe vlekken heeft), heeft het vrouwtje een bruin achterlijf met geelgroene vlekken. De ogen van het vrouwtje zijn doorgaans bruin tot grijsgroen, terwijl die van het mannetje blauw zijn. Wat je hier ziet is dus een vrouwtje.

In de nazomer (augustus-oktober) is dit een van de meest algemene libellen in Nederland en België. De piek van hun aanwezigheid ligt in augustus en september, maar ze kunnen van juli tot in november worden waargenomen. Ze jagen vaak in groepen op insecten zoals muggen en vliegen, meestal op ongeveer vier meter hoogte nabij bomen of in tuinen.
grote roodoogjuffer (vrl.) rustend op smalle weegbree
De GROTE ROODOOGJUFFER (Erythromma najas) is een kenmerkende waterjuffer die vaak laag boven stilstaand of langzaam stromend water vliegt, en rust op drijfbladplanten zoals leliebladen. Je kunt ze zien van begin mei tot half september, met een piek in juni. Eigenlijk is de naam misleidend; het mannetje heeft inderdaad die opvallende, dieprode ogen, maar het vrouwtje heeft minder felle ogen. Die zijn meestal namelijk bruinrood of groenachtig. Het mannetje heeft een borststuk met zwarte rug en blauwe zijkanten en een grotendeels donker (zwartachtig) achterlijf met een blauwe punt aan de basis en het uiteinde, terwijl het vrouwtje een groenzwart lichaam heeft met lichte schouderstrepen. 
Dit grote uiterlijke verschil tussen het mannelijke en vrouwelijke dier wordt seksueel dimorfisme genoemd. Nu je dit gelezen hebt, kun je dus constateren dat dit een vrouwelijk exemplaar is.
roodgatje (vrl.)
Het ROODGATJE (Andrena haemorrhoa) is een van de meest algemene zandbijen in Nederland en België. Ze zijn al vroeg in het voorjaar actief, van maart tot juli, met een piek in april en mei. Het zijn echte alleseters (polylectisch). Deze solitaire bij steekt vrijwel nooit en is erg nuttig voor de bestuiving in je tuin. Je ziet ze vaak op voorjaarsbloeiende struiken en bomen zoals wilgen en fruitbomen zoals kers en appel en op paardenbloemen en schermbloemigen zoals fluitenkruid. Echt kieskeurig zijn ze dus niet. Ze graven hun nest in de grond, vaak op zonnige plekken met weinig begroeiing, zoals in gazons, bermen of tussen stoeptegels. Meestal liggen de nesten solitair, maar soms worden ook kleine groepjes gevormd. 
roodgatje (vrl.)
 Hoewel je het op de foto's helaas niet goed kunt zien, zijn ze te herkennen aan de opvallende oranjerode haartjes op de punt van hun achterlijf. Vandaar ook die naam. De vrouwtjes hebben een vos-rode beharing op de bovenzijde van het borststuk en de onderkant en het gezicht zijn witbehaard. Zowel bij de mannetjes als de vrouwtjes zijn de achterpoten doorschijnend oranje gekleurd. De mannetjes zijn echter weinig opvallend gekleurd en zijn een stuk kleiner en smaller dan de vrouwtjes. Ze hebben een lange, ijle vuilbruine beharing op het borststuk en de kop, maar ook (net als bij de vrouwtjes) een oranje behaarde achterlijfspunt.
vaal kokerbeertje
Het VAAL KOKERBEERTJE (Eilema caniola) is een heel algemeen voorkomend nachtvlindertje uit de familie van de spinneruilen die pas sinds 2014 in Nederland voorkomt en in rust op een opgerold papiertje lijkt. Het vlindertje heeft een vaalgele tot lichtgrijze kleur, wat de naam “vaal” verklaart in vergelijking met de kleurrijkere kokerbeertjes. In rust vouwt de vlinder zijn vleugels smal om het lichaam, vandaar 'kokerbeertje'. Het vlindertje heeft de naam "beertje" vanwege de ruig behaarde rups.

De soort is relatief nieuw in Nederland en werd pas voor het eerst in 2014 waargenomen in Zeeuws-Vlaanderen. Klimaatverandering is een belangrijke factor die hun uitbreiding verklaart en als ze eenmaal in België zijn gesignaleerd is het vaak maar enkele jaren voordat ook Nederland wordt gekoloniseerd. Het Vaal kokerbeertje is dan ook een warmte-minnende soort die warme jaren nodig heeft voor ontwikkeling. Hun natuurlijke habitat bestaat uit bossen, bosrijke gebieden, graslanden In de natuur verpoppen de rupsen doorgaans onder stenen. De rupsen voeden zich voornamelijk met korstmossen en algen die onder andere op daken, muren, bomen of stenen groeien.

woensdag 5 augustus 2020

Allemaal beestjes #15

Dit is mijn 15e "allemaal beestjes" post. Als je op DEZE LINK klikt, kun je de andere "allemaal beestjes" bekijken en lezen. In de vorige post over beestjes ging het over (langharige) rupsen en in deze post wil ik er nog eens 2 laten zien. Deze zijn echter niet behaard. Vervolgens zie je een keur van andere kleine beestjes, die ik de afgelopen maanden gezien heb.

Spanrups
Deze rups wordt een Spanner genoemd. Spanners zijn een familie van vlinders, waarvan de rups vanwege het ontbreken van buikpootjes, eerst het achterlichaam tot aan de borst optrekt en daarna het voorlichaam vooruit schuift, zodat ze zich weer over de volle lengte uitSPANt. Het is net alsof ze een afstand afpast. Vroeger werden Spanners daarom ook wel Landmeters genoemd.

Grote wintervlinder
Deze Spanner is de tot 32 mm grote rups van de Grote wintervlinder. Ze kunnen nogal in kleur variëren. Ook de spanner op de vorige foto is namelijk de rups van de Grote wintervlinder. Deze spanrups veroorzaakt dan misschien geen fysieke klachten zoals sommige langharige rupsen, maar hij kan wel danig huishouden in de natuur. De beestjes kunnen bomen namelijk compleet kaalvreten, maar schadelijk voor de gezondheid van mensen zijn ze niet en omdat de vraat vroeg in het jaar plaatsvindt, lopen de bomen hetzelfde jaar nog uit. Voor koolmezen en andere insectenetende vogels zijn de rupsen van wintervlinders een belangrijke voedselbron.

    
Het bijzondere aan deze nachtvlinder (dat geldt ook voor zijn soortgenoot de Kleine wintervlinder) is dat ie in november en december actief is en dan pas op zoek gaat naar het vleugelloze vrouwtje om die te bevruchten. De eitjes worden hoog in de toppen van bomen gelegd en overwinteren daar. In april/mei komen de rupsjes uit. Nadat ze zich volgevreten hebben met eiken- of ander loofboomblad, gaan ze naar beneden en verpoppen zich in het strooisel op de grond. In het late najaar verschijnen de vlinders en begint de cyclus weer opnieuw.

Sint Jacobskruiskruid
In een eerdere post heb ik eens geschreven dat het, momenteel overal in de natuurgebieden, bloeiende Sint Jacobskruiskruid voor veel dieren op een ramp kan uitlopen en dat ze er aan dood kunnen gaan. Hoewel de insecten de plant graag bezoeken vanwege het stuifmeel en de nectar, zijn alle delen van de plant zeer giftig. Zelfs dieren als onze melkkoeien en paarden kunnen er aan dood gaan als het in te grote hoeveelheden in het hooi terecht is gekomen. De boeren verwensen deze plant dan ook en bestrijden die, maar in de natuurgebieden kan het gewas ongestoord groeien. De koeien en paarden eten de plant niet vanwege de geur en de vieze smaak, maar als het gedroogd wordt, raakt het de geur en smaak kwijt en wordt het dus wel gegeten. Met soms fatale gevolgen.

Zebrarups
Toch zijn er dieren die wel pap lusten van deze plant. Een van die dieren is de rups van de Sint Jacobsvlinder. Een vlinder waarvan het voortbestaan zelfs afhankelijk is van deze plant. We noemen zo’n plant een waardplant. Vandaar ook de naam Jacobsvlinder. De rups van deze vlinder, die vanwege zijn uiterlijk Zebrarups wordt genoemd, heeft het Jacobskruiskruid nodig als voedselbron. Nou vraag je je natuurlijk af, waarom die rups dat sterke vergif wel kan verdragen?

Zebrarups
Daar heeft de natuur een schitterende oplossing voor. Als de rups van de plant eet, komt het gif namelijk niet in het spijsverteringskanaal terecht, maar wordt het door de huid opgenomen. Aangezien de huid van een rups niet meegroeit tijdens de groei, moet hij een aantal keren een groter “jasje” aan doen. Dat doet hij door te vervellen; door de oude huid dus af te werpen en een nieuwe huid te krijgen. Door het afwerpen van zijn velletje raakt ie meteen ook het dodelijke gif kwijt. En zeg nu maar eens dat de natuur niet schitterend in elkaar zit…………

Elzenhaantje
Bladhaantjes zijn kleurige kevertjes. In "Allemaal beestjes#10" heb ik daarover al een en ander verteld. Dat geldt onder andere voor dit Elzenhaantje. Dit slechts 6 tot 7 mm lange kevertje heeft een blauwzwarte kleur met een mooie glans. Het kevertje overwintert in de bodem onder bladeren en afgestorven plantenresten en komt in de periode april- juni tevoorschijn. Als het vrouwtje na de bevruchting tot wel 900 oranje eitjes aan de onderkant van het elzenblad heeft afgezet, sterft ze.

Larve van het Elzenhaantje
Binnen 2 weken komen uit de eitjes olijfgroene, later zwart wordende larven tevoorschijn. Die lijken sterk op rupsjes met 2 rijen behaarde wratten. Na ca. drie weken (vanaf juli) verpoppen die zich onder afgestorven plantenresten en na 8 tot 11 dagen komt al weer de nieuwe generatie kevertjes tevoorschijn. Zowel het kevertje als de larve vreten gaten in het blad van voornamelijk els, maar ook wel de populier en de wilg. Echt schadelijk zijn ze eigenlijk niet. Als de aantasting massaal is kunnen de bomen zeker in conditie achteruit gaan, maar ze zullen zelden hiervan afsterven.

Hennepnetelgoudhaantje
De mooiste bladhaantjes zijn toch wel de zogenaamde Goudhaantjes. Het zijn mooie glanzende kevertjes met iriserende kleuren., die je meestal op specifieke planten (hun waardplanten) vindt en daar ook vaak naar genoemd worden. Zoals dit Hennepnetelgoudhaantje. In "Allemaal beestjes#10" kun je hier meer overlezen.

Grote goudhaan
Zo'n soortnaam geldt niet voor deze Grote goudhaan. Je vindt hem vooral op composieten zoals boeren- wormkruid. Deze zat op een zuringblad. Waarom hij Groot wordt genoemd is me niet duidelijk, want hoewel hij wat groter is dan zijn soortgenoten, is hij nog altijd minder dan 10 mm.

In Nederland is het een vrij algemene soort. Het meest opvallende zijn natuurlijk de mooie iriserende groen - gouden dekschilden. Vooral als de zon er op schijnt. Felle, glinsterende kleuren als camouflage lijkt niet logisch, maar toch ontdekten biologen dat deze kevers er op deze manier gebruik van maken! De kleur van deze bladhaantjes heeft namelijk een waarschuwende functie; laat me maar met rust, want ik ben niet om te "vreten"..... Niet-iriserende kevers blijken vaker het slachtoffer te worden van vogels die op zoek zijn naar een maaltijd dan de iriserende soortgenoten, omdat ze die waarschuwing niet afgeven..

Zwarttip smalboktor
De Zwarttip smalboktor is een middelgrote (10 -15 mm) boktor, die opvalt door zijn geel/bruine kleur met een zwarte stip (vlek) aan de achterkant van de dekschilden. De kop, halsschild, poten en sprieten zijn zwart. Hij verschilt van de meeste andere overeenkomstig gekleurde boktorren door de gehéél zwarte poten en de overwegend gele (in tegenstelling tot zwarte) beharing op de dekschilden. Op de foto is dat niet zo goed te zien. Je treft deze kever meestal aan op schermbloemigen als fluitenkruid, peen en berenklauw. Deze zat echter op de witte bloempjes van het duizendblad.

    
Hier zie je het mannetje van het Icarusblauwtje. De ene keer met dichtgeklapte- en de andere keer met open geklapte vleugels. Er zijn meerdere soorten blauwtjes. Ze zijn genoemd naar de blauwe kleur op de bovenkant van de vleugels. Die kleur zie je echter vaker niet dan wel. Als ze stilzitten hebben ze namelijk bijna altijd de vleugels dichtgeklapt. Je ziet het blauwe vaak dus pas als ze vliegen. Als het een vrouwtje is, is die bij sommige soorten ook nog eens bruin op de bovenkant en er is zelfs een bruin blauwtje!! Binnen de groep blauwtjes is determinatie dan ook soms lastig.

Boomblauwtje mnl.
Blauwtjes zijn relatief kleine vlinders (spanwijdte maximaal 30 mm.), die we overal in Europa kunnen aantreffen. Het Boomblauwtje is de kleinste. De voorvleugellengte is minder dan 20 mm. Het is me niet gelukt hem te fotograferen met open geklapte vleugels, maar de belangrijkste en gemakkelijkste kenmerken van blauwtje zijn te zien op de onderkant, dus als het met de vleugels dicht zit. Het is te herkennen aan de zilverwitte tot lichtblauwe onderzijde waarop zwarte stippen te zien zijn. Net inktspetters. De onderkant van de vleugels is bij mannetjes hetzelfde als de vrouwtjes, maar mannetjes hebben een smalle zwarte rand op de bovenkant van de vleugels, dus dit zou wel eens een mannetje kunnen zijn.

Boomblauwtje
Ook heeft dit vlindertje als enig blauwtje geen oranje in zijn vleugels en zoals de naam al doet vermoeden voelt het zich het beste thuis in en nabij bomen en struiken. Vandaar ook die naam. Dat ze meestal/vaak vrij hoog vliegen, is een belangrijke eigenschap waaraan je ze kunt herkennen. De andere blauwtjes vliegen meestal op bloemenhoogte. Het Boomblauwtje leeft van de honingdauw van onder andere Klimop en Vuilboom.

Boskrekel
De Boskrekel leeft in gebieden met een dikke strooisellaag waarin de krekel naar voedsel zoekt. Meestal wordt deze soort in bossen of bosranden aangetroffen, maar ook begroeide delen van heidevelden, spoorwegbermen, parken en tuinen zijn een geschikt habitat. Het is een bodembewonende soort die niet klimt en bij gevaar schuilt onder bladeren, takjes en allerlei andere objecten zoals houtsnippers. De krekel zoekt warmere en drogere delen op en kan na enige tijd in de zon gezeten te hebben razendsnel zijn. In Nederland is de soort plaatselijk algemeen, maar komt alleen in het zuidoosten van het land voor. De boskrekel is als volwassen dier te zien van juli tot oktober.

Boskrekel
De kleur van de Boskrekel is goudbruin tot bijna zwart en het halsschild is lichter van kleur. Kenmerkend is de omgekeerde Y- vormige vlek op de kop. De vleugels zijn zeer kort en de krekel kan er niet mee vliegen of zweven. Bij de mannetjes reiken de vleugels tot het midden van het achterlijf, die van vrouwtjes zijn korter. De achterpoten zijn niet veel groter dan de andere twee paar en vooral de dijen zijn verbreed. De antennes zijn iets langer dan het lichaam en beide seksen hebben twee duidelijk zichtbare, draadachtige achterlijfspunten (cerci) die dienen als tastorgaan. Het vrouwtje heeft in het midden ook een legbuis voor de eiafzet die donkerbruin tot zwart van kleur is. De legboor is relatief lang en heeft een verdikt uiteinde.

Mannetjes zijn ietsjes kleiner dan vrouwtjes en worden 7 tot 10 millimeter lang. Het verschil in grootte is eigenlijk amper te zien, maar omdat de legbuis bij deze krekel ontbreekt, weet je dat de krekel op deze foto een mannetje is.

Oranje aaskever
De Oranje aaskever is een soort aaskever die amper 1 tot 2 centimeter groot wordt. Hun dekschild is zeer donkerbruin tot zelfs zwart, waardoor ze zeker op het zwarte zand moeilijk te vinden zijn. Het enige opvallende is het schild om de hals dat lichtbruin tot oranje van kleur is. De antennes eindigen in een mooie waaier. Het lijfje is ovaal van vorm en het kevertje kan de zes pootjes volledig intrekken in het schild.

Oranje aaskever
Zoals de naam het zegt, leven deze diertjes van aas, maar ook van mest, rotte bladeren en paddenstoelen. Zo lusten ze ook de grote stinkzwam en helpen mee om de sporen van deze paddenstoel te verspreiden. Ze worden daarom ook wel Stinkzwamaaskever genoemd.

Schuimcicade
Ongetwijfeld heb je wel ooit de slijmerige schuimhoopjes gezien die aan planten kleven. Vaak zijn dat wilgen. Als je goed kijkt zie je dat daar een klein beestje in zit. Dat is het schuimbeestje, dat ook wel spuugbeestje of schuimcicade (Philaenus spumarius) wordt genoemd. Het is de meest algemene en bekendste cicade.

Schuimcicade
De lichaamslengte is ongeveer 5 millimeter, de kleur is bruin tot bruingrijs met soms lichtere vlekken. De larven zijn bleekgroen tot -geel . Ze verschijnen in mei, maar we zien ze ook nog in de vroege zomer. Ze vormen het schuim door lucht uit te ademen in vocht dat via de anus wordt uitgescheiden. Met een speciale adembuis blaast de nimf lucht in dat mengsel en ontstaan er schuimbelletjes. Dit schuim maken ze om hun tere huid te beschermen tegen uitdroging van de zon alsook tegen mogelijke belagers zoals spinnen, vogels en wespen.

Schuimnest of Koekoeksspuug met schuimcicade
Het schuimnest is bij het grote publiek beter bekend als koekoeksspuug. Het volwassen diertje is een klein springertje van 7 mm dat plotseling van een plant wegspringt als het opgeschrikt wordt. Het bijzondere daarvan is dat het wel 70 cm ver kan springen, wat ruim honderd maal zijn eigen lengte is.

Smalle randwants
Er zijn in Nederland circa 1000 soorten wantsen in Nederland. Een veel voorkomende soort is deze Smalle randwants. Deze is gemakkelijk te herkennen aan de hoekige schouders en de egaal gekleurde oranjebruine poten (de dijen en schenen hebben dezelfde kleur). Deze soort heeft in vergelijking met bijvoorbeeld de zuringrandwants een smaller achterlijf en aan de voorkant van de kop tussen de antennen heeft ie geen stekels. De meeste waarnemingen zijn in de periode april tot september met pieken in juni en augustus. Je kunt ze vinden in zonbeschenen struwelen en bosranden met loofhout, met een voorkeur voor besdragende struiken zoals meidoorn, lijsterbes, vogelkers en vuilboom.

Veelkleurige- of Heidekielspriet
Dit is een loopkever, die bij het geslacht van de kielsprieten hoort. Als je hem op zijn rug weet te leggen, zie je waarom hij kielspriet wordt genoemd. Je ziet dan namelijk een opstaande rand (de kiel) tussen de poten. Vergelijkbaar met de plank midden onder de boot, die bedoeld is om hem stabiel te houden. Wat de functie van deze kiel is, is mij niet duidelijk. Het is een ca. 20 mm grote kever met een rugschild met smalle nerven, die een koperen, groene of violette weerschijn heeft. In het felle zonlicht lijkt het net een koper-gouden kever.
Veelkleurige- of Heidekielspriet
Er zijn meerdere soorten die erg op elkaar lijken, dus ik ben niet zeker of het inderdaad de Veelkleurige kielspriet is. Het zou ook de Heidekielspriet kunnen zijn, of de Koperen kielspriet, hoewel de laatste op kleigrond wordt gevonden. De Veelkleurige- en de Heidekielspriet vind je op zandgrond en heide.

Blogarchief