Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers

COPYRIGHT.. Zonder mijn toestemming mag geen gebruik worden gemaakt van mijn foto's en tekst.......


zondag 24 september 2017

Herfst 2017.......Paddenstoelentijd deel 2, de Witte kluifzwam

Het hele jaar, ook in de winter, zijn er paddenstoelen, maar voor de paddenstoelenliefhebber is de herfst toch hét seizoen waarin je op ontdekking kunt gaan. In de vorige post schreef ik al dat er in de afgelopen maand nog niet echt veel te ontdekken was, maar in korte tijd is dat veranderd en nu zien we ze overal verschijnen.

In de vorige post heb ik deze foto van de Witte kluifzwam al geplaatst. Zonder verdere toelichting.
Ik beloofde dat ik de volgende post wat meer over deze bijzondere en soms bizarre "schimmelsculpturen" zou vertellen en zou laten zien. Bij deze dus........
Paddenstoelen zijn er in alle formaten, kleuren en vormen, maar de meest bizarre is toch wel een Kluifzwam.
In dit geval dus de Witte kluifzwam (Helvella crispa). Crispa betekent "krullend", “rimpelig” of “geplooid”. De dikke, holle en gegroefde steel gaat over in gebogen en omgeslagen lobben, die een vage en grillige "hoed" vormen.
Ik las eens een verhaal over een hond die in zo’n Witte kluifzwam beet. Zou hij hem echt aangezien hebben voor een bot? Ik betwijfel het, maar de geplooide en gegroefde steel heeft zeker enige gelijkenis met een afgekloven bot.
Het is een zogenaamde zakjeszwam of bekerzwam. Deze zwam heeft dus geen plaatjes of buisjes, maar heeft bovenop een lichtbruin- gelig kiemvlies met zakvormige cellen, waaruit de sporen kunnen wolken. Bij rijpheid worden die met kracht uit de cel weggeschoten. Het schijnt dat je dat zelfs kunt horen, maar dan moet het toch wel héél stil zijn.
Je vindt hem meest in houtsingels, onder heggen en langs bermen tussen bladeren en met een lichte onderbegroeiing. Als het maar een vochtige en lommerrijke omgeving is, waar licht de grond nog bereikt.
Men vermoed dat Kluifzwammen behalve afvalopruimers waarschijnlijk ook schimmels zijn die samenleven met bepaalde bomen (symbiose). De Witte kluifzwam wordt in elk geval vooral in de nabijheid van eiken aangetroffen.

Vroeger was deze paddenstoel bekend als een eetbare paddenstoel, maar uit onderzoek is gebleken dat hij spijsverteringsproblemen kan veroorzaken en bovendien kankerverwekkend is. "Gelukkig maar" !!!!!
Niet alleen omdat men dat ontdekt heeft, maar ook omdat men nu die prachtige exemplaren tenminste laat staan, zodat wij er ook van kunnen genieten.

* In 2017 vond ik op de voormalige crossbaan bij de Smeetshof ook de Zwarte kluifzwam. Een prachtige soort. Als je HIER OP klikt kun je die ook eens bekijken.


vrijdag 22 september 2017

Herfst 2017.......Paddenstoelentijd deel 1

Op de site van "Nature today" schreef Martijn Oud, van de Nederlandse Mycologische Vereniging een paar dagen geleden: "Grillig weer van grote invloed op het verschijnen van paddenstoelen".
"Dit jaar was het tot en met augustus redelijk gunstig weer voor paddenstoelen. De afgelopen twee weken bepaalden wolkbreuken het weertype. Veel paddenstoelen hebben vocht nodig voor hun ontwikkeling, maar een teveel aan vocht is ook niet goed. Nu het wat droger wordt, krijgen paddenstoelen weer een kans."
Als je het hele artikel wil lezen, klik dan HIER.

Afgelopen weken ben ik al enkele keren op pad gegaan en ik denk dat Martijn Oud gelijk heeft.
In de Tungelroyse wallen was het 3 weken geleden nog lang geen hosanna. Weinig paddenstoelen te zien in het stuifzandgebied. In de  "wel" duurt het echter altijd wat langer voor de paddenstoelen zich er goed laten zien. In het Munnichsbos in Pey-Echt viel het 2 weken geleden in de regen echter ook nog tegen.
Afgelopen woensdag was het dan eindelijk niet alleen een heerlijk temperatuurtje, maar konden we in het Leudal met de Paddenstoelenwerkgroep maar liefst 67 soorten inventariseren.!!!!!!!!!!!!!!!!

In deze 1e "Paddenstoelentijd" van 2017 laat ik een aantal exemplaren zien, die ik tijdens die bezoekjes zag.
Witte kluifzwam
De meest bijzondere voor mij is deze WITTE KLUIFZWAM (Helvella crispa)), waarvan ik meerdere exemplaren vond aan de rand van de Tungelroyse wallen. Gewoon langs de weg, een meter of 10 verder dan de plek waar ze vorig jaar stonden. Hoewel paddenstoelen er in alle formaten, kleuren en vormen zijn, vind ik de Witte kluifzwam toch wel de meest bizarre. In de volgende post wil ik er wat over vertellen en verschillende van deze "schimmelsculpturen" laten zien.

Geschubde inktzwam
Hij stond er maar zielig bij, deze GESCHUBDE INKTZWAM (Coprinus comatus). Langs een omgewoeld bospad aan de rand van de Tungelroyse wallen stond ie in de nattigheid te verpieteren. Aan de vorm van de hoed, verkleuring en de zwarte rand is te zien dat hij al danig aan het "aftakelen" is.
Samen met de grote kale inktzwam is hij de meest bekende en talrijkste van de 100 inktzwammen in ons land. In de "jeugd" is de 5-15 cm hoge hoed ei- tot klokvormig, wit met een lichtbruin, glad centrum en bedekt met licht omgekrulde schubben.

De hoed scheurt later vanaf de rand in en vervloeit tot zwart. Ook de lamellen zijn wit in de jeugd, maar verkleuren later vanaf de rand via roze naar zwart.Als langs de randen scheurtjes ontstaan, komen er grote zwarte kleverige druppels uit.
Als de aftakeling begint, ziet ie er maar vies uit. Deze fase is echter van het grootste belang voor de instandhouding van de soort, want elke (inkt)druppel bevat namelijk sporen. De zwarte druppels zijn kleverig en trekken vliegen aan, die dan voor de verspreiding van de sporen gaan zorgen.
De naam inktzwam komt nog uit de tijd dat er met een ganzenveer geschreven werd en het zwarte goedje, na een bepaalde behandeling met bijvoorbeeld kruidnagels, als inkt gebruikt werd.

Parelamaniet
De PARELAMANIET is een zeer algemene Amaniet die in allerlei soorten bossen en op allerlei soorten bodems gevonden kan worden. De hoed van de Parelamaniet is grijsbruin tot donkerbruin gekleurd en bevat lichtgrijze tot bruinrode "wratjes". De steel is wit tot roodbruin gekleurd en is vaak kaal, maar kan ook met fijne schubben bezet zijn. Verder bevat de steel een vliezige witte ring welke verticaal gestreept is.
Parelamaniet
De Parelamaniet (Amanita rubescens) kan gemakkelijk verward worden met 2 andere soorten namelijk de Grauwe Amaniet (Amanita excelsa) en de Panteramaniet (Amanita pantherina).Het belangrijkste verschil is dat de Parelamaniet roze tot rood verkleurt als deze beschadigd wordt. Het kan enkele uren duren voordat die verkleuring ook daadwerkelijk zichtbaar wordt. Het is soms al duidelijk te zien bij vraatplekken van maden of slakken. Een ander verschil is, dat de Parelamaniet geen spierwitte vlokken op de hoed heeft zitten.

Parelamaniet
Soms is er ook al een duidelijke roze tot rode waas zichtbaar over de hoed of steel, zonder dat er een beschadiging aanwezig is. De plakjes op de hoed kunnen er door regen vanaf spoelen, waardoor hij soms lastiger te herkennen is. Dat is volgens mij ook het geval bij deze paddenstoel.

Echte tolzwam
De ECHTE TOLZWAM (Coltricia perennis) is een vaak geziene paddenstoel in naald- en loofbos (bij voorkeur dennen) en op heidevelden op droge, voedselarme zandgrond. De tot 8 centimeter grote hoed is kaneelachtig of roestbruin gekleurd en heeft concentrische ringen. Het centrum is meestal verdiept en het oppervlak ziet er fluwelig uit. Aan de onderzijde bevinden zich opvallend korte buisjes, lichtgrijs tot bruin van kleur. De kaneelkleurige steel is vrij kort en fluwelig. Vaak zijn stelen ook met elkaar vergroeid. De sporen zijn bruin.

oude Grofplaatrussula
Russula is een geslacht van paddenstoelen met meer dan 750 soorten. De soorten komen algemeen voor en zijn meestal felgekleurd, met een doorgaans witte stevige steel. Verder zijn ze herkenbaar aan een broos vruchtlichaam, Ze verbrokkelen gemakkelijk (ook de lamellen), de steel is gemakkelijk breekbaar en ze hebben geen melksap. Door deze kenmerken zijn het best herkenbare soorten.
Soorten uit het verwante geslacht melkzwam (Lactarius) hebben dezelfde kenmerken, maar die scheiden een melkachtig latex af bij kneuzing van de plaatjes. Het is dus tamelijk gemakkelijk een paddenstoel uit dit geslacht herkennen, maar veel moeilijker wordt het om de juiste soort te bepalen.

Plaatjes van de Grofplaatrussula
Dat geldt niet voor deze algemeen in Nederland voorkomende GROFPLAATRUSSULA (Russula nigricans). Het is een forse paddenstoelensoort en de hoed kan wel tot 20 cm. in doorsnede worden. De zwam is niet kieskeurig, maar je ziet ze toch vooral bij eiken en beuken. Het Latijnse “nigricans” betekent "zwart wordend". De Nederlandse naam "grofplaat" verwijst naar de zeer grove lamelstructuur, een duidelijk kenmerk voor deze soort. De hoed en lamellen zijn in het begin nog vuilwit, maar worden al snel grijsbruin en later zwart. Dat is op de foto goed te zien. De stevige, vrij dikke steel blijft lang wit, maar wordt op den duur ook bruin of zwart.

Poederzwamgast
Op de vorige foto heb je misschien gezien dat op deze Grofplaatrussula een paar "gasten" op de hoed zitten (linksboven). Om precies te zijn de POEDERZWAMGAST (Nyctalis asterophora). Ik heb van de kleintjes een foto gemaakt, die helaas niet echt scherp is. Dat geldt ook voor de close-up van de grotere exemplaren, maar dat zag ik pas bij thuiskomst. Dus ik moet het er mee doen.

Poederzwamgast
Het is een klein parasitair zwammetje, dat leeft ten koste van de nog levende Grofplaatrussula. Je ziet ze dus op Russula's, maar ook op melkzwammen tref je ze aan. De Poederzwamgast groeit als kleine vruchtlichamen op de hoed van de gastheer. Het is dan wel een plaatjeszwam, maar echte lamellen vormt deze zwam geen of nauwelijks. De hoed is één tot twee centimeter in doorsnee, is halfbolvormig tot kussenvormig. Het witte poeder dat bij de jonge zwam op de hoed zit, zijn sporen (ongeslachtelijke chlamydosporen). Bij het ouder worden kleuren die bruin en verstuiven dan.

Gewoon varkensoor
GEWOON VARKENSOOR (Otidea onoticais), ook wel varkensoortje genoemd is een zakjeszwam, die voorkomt in loofbossen en gemengde bossen. De vruchtlichamen verschijnen meestal in groepjes, maar kunnen ook alleen staan. De soort is in Nederland matig algemeen en staat op de Rode Lijst als "kwetsbaar". De nog steeds toenemende verzuring en vermesting worden gezien als oorzaken. Het voorkomen van Gewoon varkensoren in bossen en lanen is dus een uitstekende indicator. Ze hebben stikstofarme bossen nodig op arm, lemig zand met vooral veel Zomereik. Soms worden ze echter ook bij andere boomsoorten waargenomen. Het Gewoon varkensoor vormt ectomycrorrhiza met bomen tussen strooisel op humusarme bodem.
Gewoon varkensoor
Jonge vruchtlichamen beginnen schotelvormig, maar de ene kant ontwikkelt zich sneller dan de andere, waardoor het langwerpig wordt, splijt, en naar binnen krult. Zo'n opgericht staand Gewoon varkensoor is tot 10 centimeter hoog, heeft dus inderdaad de vorm van een varkensoor en is vaal oranjegeel  van kleur. De latijnse naam Otidea betekent "als een oor" en onoticais betekent "ezelachtig". In Duitsland heet de paddenstoel dan ook "Eselsohr".

Het Gewoon varkensoor lijkt sterk op het Zeemkleurig hazenoor. Dus verwisseling ligt op de loer. Er bestaat ook nog een Geel varkensoor (Otidea cantharella) die in ons land zeer zeldzaam is. Tot nu toe zijn er pas drie vondsten bekend uit de duinen en twee uit het oosten van het land. Zoals de naam al aangeeft, is het Geel varkensoor geler van kleur dan het Gewoon varkensoor. Het moet voor validatie niet alleen worden gefotografeerd, maar ook de kenmerken moeten microscopische worden gecontroleerd.

Oorlepelzwammetje
De OORLEPELZWAM (Auriscalpium vulgare) is een leuk paddenstoeltje. Het groeit alleen op niet- of ondiep begraven dennenappels en sparrenkegels. Het wijkt af van wat we normaal bij een paddenstoel zien, namelijk het steeltje zit niet in het midden, maar is zijdelings aan de hoed gehecht, waardoor het die typische vorm heeft van een lepel. Het oor tot niervormige hoedje is 0,5 - 2 cm breed, dun maar stevig en viltig behaard. De 3 tot 7 cm lange steel is roodbruin tot donkerbruin en ook viltig behaard.
Aan de onderkant van de hoed tref je geen plaatjes of buisjes aan, maar dicht opeen geplaatste stekels. Op deze stekeltjes worden de sporen gevormd. Bij het ouder worden verkleuren zowel hoed, steel en stekels donkerder.Van bovenaf worden de donker gekleurde hoedjes dan ook gemakkelijk over het hoofd gezien.

Roodbruine slanke amaniet
De ROODBRUINE SLANKE AMANIET (Amanita fulva) is zeer algemene paddenstoelensoort. Hij wordt vooral onder eiken, beuken en berken op zure grond gevonden, maar af en toe ook onder naaldbomen. Deze soort is niet giftig en na goed verhitten ook eetbaar, maar niet echt aan te bevelen. Er zijn meer niet-giftige amanieten. Ze onderscheiden zich dan wel van de giftige knolamanieten door het ontbreken van de ring en de geribde hoedrand, maar wees voorzichtig.

 
Als het vruchtlichaam boven de grond komt, scheurt het velum al vrij snel open. Het velum is het vlies, dat de hoed en de steel tot aan de basis oorspronkelijk omkapselt en zich dan ontwikkelt tot een witte, duidelijk zichtbare beurs aan de steelvoet. Daarom heeft deze zwam in tegenstelling tot andere amanieten ook geen manchet en geen velumresten (de stippen) op de hoed.

Roodbruine slanke amaniet
De hoed is aanvankelijk ei-vormig tot halfbolvormig. In dit stadium vind ik hem op zijn mooist.
Later spreidt hij zich uit tot een diameter van 10 tot 15 cm.

Roodbruine slanke amaniet
Zo wordt het een min of meer vlakke (of schotelvormig verdiepte) schijf met een umbo (knobbel) in het midden. Het oppervlak is glad en licht oranje- tot roodbruin gekleurd, in het midden ook iets donkerder.
Later wordt ie aan de rand lichter van kleur. Die rand is duidelijk kamvormig geribd.
De holle, gladde en licht gekleurde steel is relatief lang in vergelijking met de diameter van de hoed. Vandaar de naam "slanke amaniet". De witte lamellen zijn vrij van de steel.

maandag 4 september 2017

Allemaal beestjes #9

Een nieuw rondje "allemaal beestjes". De negende al weer. Ook nu weer, net zoals de vorige post, van alles wat.

Bruine veldsprinkhaan

Sprinkhanen worden in 2 groepen verdeeld: veldsprinkhanen en sabelsprinkhanen. Veldsprinkhanen zijn de lawaaierige, vegetarische springwondertjes met tamelijke korte en dikke antennes.Sabelsprinkhanen, die zowel planten als insecten eten, hebben lange en heel dunne antennes.
Veel soorten veldsprinkhanen lijken op elkaar, vooral omdat een soort zo veel verschillende kleuren kan hebben, en zijn dan ook moeilijk uit elkaar te houden. De echte kenners herkennen ze ook niet aan het uiterlijk, maar aan het geluid. Zo hebben ze vaak ook hun naam gekregen. Ik denk bijvoorbeeld aan het Zoemertje,de Snortikker, de Krasser, de Ratelaar en het Locomotiefje.

vrijdag 25 augustus 2017

Allemaal beestjes #8

Het is al weer een tijd geleden dat ik een post plaatste met beestjes, plantjes of  ontwikkelingen in de Weerter natuurgebieden. Te druk geweest met het uitpluizen van de ontginningen, die eind 19e begin 20 eeuw in mijn geboorteplaats Altweerterheide plaatsvonden.

Hoog tijd dus om te laten zien wat ik de afgelopen maanden zoal voor klein grut voor mijn lens heb gehad.

Maartse vlieg
Het is al even geleden dat ik deze foto maakte van de Maartse vlieg, namelijk in april.
Niet in maart dus..... De naam Maartse vlieg is namelijk misleidend. In dubbel opzicht zelfs.
1.) De naam Maartse heeft niets met de maand maart te maken, want dit ongeveer 1 cm groot insect verschijnt pas eind april. De Maartse vlieg is genoemd naar de evangelist Marcus. Ze wordt ook Sint Marcus-vlieg genoemd. Op 25 april is het de naamdag van de evangelist Marcus en rond deze datum zijn ze dan ook te zien.
2.) Hoewel ze vanwege de sterke beharing en de grote ogen (alleen de mannetjes dan) "vliegachtig" aandoen, het is en blijft een mug. De kenners kunnen je waarschijnlijk wel uitleggen waarom dit een mug is, maar ik heb het nergens kunnen lezen. Het is overigens een mug die niet steekt.

Ik zag ze afgelopen week met hun hangende poten boven het gras en langs de bosrand vliegen en “helikopteren”, of trof ze aan in een copulatie, die wel enkele uren schijnt te duren. Dat lijkt ook het enige te zijn waarvoor ze op de wereld zijn gekomen.
Enkele dagen na de mannetjes komen ook de vrouwtjes uit, deze cirkelen rond de mannetjes, worden bevrucht, leggen hun eitjes in de grond en meteen daarna sterven beiden.
Opmerkelijk is dat deze muggen niet erg schuw lijken, want zelfs bij aanraking blijven ze gewoon zitten. Een dankbaar foto-object dus.

Bosrandroofvlieg vrl.
De 12-17 mm grote Bosrandroofvlieg is een algemene soort op zandgronden en in de duinen. De vlieg op deze foto is een vrouwtje. Dat is te zien aan de laatste twee zwart glimmende “gelakte” lichaamsegmenten en de derde, de genitaliën.
Je ziet ze in bossen en aan bosranden, maar ook in tuinen. Deze roofvlieg heeft (zoals alle vliegen) één paar vleugels. Net onder het borststuk, zie je aan elke zijde een klein geelachtig bolletje op een steeltje. Dat zijn de twee niet ontwikkelde tweede vleugels. Zoals de naam aangeeft zijn het echte jagers. De prooien bestaan uit andere vliegen, wespjes, vlinders, kevers, sprinkhanen en zelfs libellen. Ze schuwen prooien groter dan zijzelf dus niet en ook kannibalisme komt voor.

De jacht wordt gewoonlijk altijd ingezet vanaf een uitkijkpost. Hoewel ze zelfs mensen soms als uitkijkpost kiezen, doen ze ons geheel geen kwaad. De prooi wordt vrijwel altijd na een korte achtervolging in de vlucht gegrepen. Hierbij komen de stekelige poten uitstekend van pas. Het slachtoffer wordt vrijwel onmiddellijk gedood door met de steeksnuit geïnjecteerde verlammende en verterende enzymen.


Halvemaanzweefvlieg
Ik vond het opvallend dat deze zweefvlieg haar vleugels op de rug had liggen. Dat zie je eigenlijk bij wespen en bijen, maar het zal waarschijnlijk met het minder goede weer te maken hebben gehad. Vanwege de tekening doet deze zweefvlieg misschien denken aan een wesp, maar het lichaam is veel kleiner en platter. Het duidelijkst waaraan je kunt zien dat het een vlieg is, zijn de grote ogen en de korte voelsprietjes.

Het is een Halvemaanzweefvlieg.  Deze zweefvlieg wordt 11 tot 13 millimeter lang en dankt de naam aan de kenmerkende, halve maanvormige vlekken op het achterlijf, in twee rijen van drie aan weerszijden van het achterlijf. Opvallend is dat deze vlieg ook zo dicht behaard is. Vooral bij de ogen valt dat op.
Het voedsel bestaat uit nectar en stuifmeel, dus deze soort speelt een rol in de bestuiving. De larve is ook nuttig vanwege het voedsel; deze eet namelijk enorme hoeveelheden bladluizen.

Duitse Schorpioenvlieg mnl.
Dit is een Schorpioenvlieg. Het is een aparte insectenorde . Eigenlijk zijn het geen vliegen, want ze hebben 2 paar vleugels. Bij de echte vliegen is het laatste vleugelpaar gereduceerd tot een knopvormig haltertje.  In Nederland komen 5 soorten voor. De zeldzaamste, de Bergschorpioenvlieg, komt alleen op enkele plekken in Z. Limburg voor. Ze worden zo genoemd omdat het verdikte uiteinde met kleine tangetjes, dat mannetjes aan het achterlijf hebben, omhoog gekruld wordt gedragen en daarom enigszins doet denken aan de staart van een schorpioen. Jammer dat je dat op de foto niet kunt zien. Eigenlijk had ik liever een zijaanzicht gehad, maar ze poseren nou eenmaal niet echt voor je…

Gewone Schorpioenvlieg vrl.
Het achterlijf van de vrouwtjes loopt in een punt uit, zodat ze gemakkelijk te onderscheiden zijn.
Er is geen gevaar te duchten voor dit insect, want de tangetjes bij de mannetjes zijn geen angel, maar worden gebruikt om het wijfje vast te houden tijdens de paring. Ook hun puntige bek lijkt gemaakt om mee te steken, maar ook die is ongevaarlijk. Schorpioenvliegen zijn roofinsecten; dode en verzwakte insecten worden leeggezogen met hun zuigsnuit. Naast dode insecten en ander aas, worden ze ook aangetrokken door plantenresten en honingdauw (de zoete uitscheiding van bladluizen).
kenmerken van de getoonde soorten

Berkenkielwants
De Berkenkielwants is een wants uit de familie kielwantsen. Met kiel bedoelt men een soort naar voren gericht wigvormig pennetje (doorn) aan de onderkant van hun lichaam. Het beestje is niet schadelijk.
Zoals de naam al aangeeft, zul je hem vooral aantreffen bij berkensoorten, maar ook bij bijvoorbeeld de els vind je hem. Hij wordt vaak verward met de grotere meidoornkielwants (ca. 2 cm). Belangrijkste kenmerken zijn verder de spitsere snuit, de lichtgroene poten en de kleur van zijn ogen. Die kleur is zwart en bij de meidoornkielwants is die rood van kleur.

Net als veel andere wantsensoorten hebben wantsen uit de familie kielwantsen ook stinkklieren.
Ze kunnen een onaangename geur verspreiden als je ze “verveelt”, door een oranje vloeistof af te scheiden uit speciale openingen in het borststuk. Ook als je een wants doodslaat, komt er een onaangename geur vrij.
Advies: niet doodslaan dus………….

Onechte Paardenbloedzuiger
Als kind overkwam het me regelmatig dat zich tijdens pootjebaden of "zwemmen" in de meilossing een bloedzuiger op mijn voet of been had vastgezogen. Als zo'n beestje dan niet snel genoeg verwijderd werd, kon dat soms vervelend zijn, want dan bleef het best lang nabloeden als je ze verwijderde, maar verder bleef dat zonder gevolgen. Meestal lieten ze gemakkelijk los, maar als ze zich al goed hadden vastgezogen was het wat moeilijker. We gebruikten dan een stevig blaadje van een boom of struik, dat je langzaam tussen je huid en het beestje schoof en dan liet ie meestal wel los.
Ik had ze al lang niet meer gezien, tot ik ze onlangs zag in een nog niet zo lang geleden hersteld vennetje in de Weerenbroekpoel (Ell).

Het is bekend dat tot eind 19e eeuw medicinale bloedzuigers werden gevonden die voor aderlatingen werden gebruikt. In een krantenartikel van Kanton Weert van 1895, las ik dat  je bij “Bloedzuiger- exploitatie Weert”  in het Wijffelterbroek (Altweerterheide) voor 3 cent in een kuil met bloedzuigers kon gaan staan of zitten en je zoveel kon laten bijten als je maar wou. Als je ze maar niet mee nam, want dat kostte je 10 cent extra.

Ik kon niet beoordelen welke soort dit was. Ik neem aan dat het de algemene en ongevaarlijke “Onechte paardenbloedzuiger” is. Deze voedt zich dus niet met bloed, maar met slakken of rottend vlees. Het weerkaatsend zonlicht op het water maakte het er ook niet gemakkelijker op om een geslaagde foto te maken.

Groot Dikkopje
Het Groot Dikkopje heeft toch iets aandoenlijks, met zijn (letterlijk) dikke kopje. Hier zit hij te snoepen van een gevlekte orchis. De lange tong is goed te zien.

Groot Dikkopje

Ondanks zijn naam is het een kleine vlinder. De vleugel varieert in lengte slechts tussen de 12 en 15 millimeter en is aan de bovenkant oranje/bruin en aan de onderkant geel/bruin met lichte vlekken. Bij verse exemplaren zijn die vlekken niet altijd zichtbaar. De sprietknopjes van het Groot Dikkopje hebben een haakje, waardoor ze duidelijk afwijken van de andere twee soortgenoten. Het is een vlinder die vrij algemeen is bij graslanden en bosranden, want de rupsen leven van allerlei, ook heel gewone, grassoorten. De vliegtijd is in juni en juli.

Pyjamawants
De Pyjamawants, werd pas voor het eerst in Vlaanderen gesignaleerd in 1975, maar wordt tegenwoordig steeds vaker gezien. Vooral zonnige plekjes hebben de voorkeur. De Pyjamaschildwants wordt ook Gevangeniswants genoemd. Die naam heeft ze te danken aan de knalrode basiskleur met brede zwarte lengtestrepen over de gehele bovenzijde van het lichaam.

Pyjamawants
De pootjes en antennes zijn zwart, de buik is rood met vele kleine zwarte vlekjes. Het lichaam is erg rond en de lengte is ongeveer 10 mm. De soort heeft een voorkeur voor droge, zanderige plaatsen, zoals droge wegbermen en spoorwegbermen. Ze leven van schermbloemigen als Gewone Berenklauw, Fluitenkruid, Zevenblad en Wilde peen. Daar zuigen ze sappen uit de plant of de zaden.

Pyjamawants en Bessenschildwants
De Pyjamawants, die uiteraard ook in Nederland voorkomt, kreeg gezelschap van een andere wantsensoort; de Bessen(schild)wants.
Dit is een van de meest algemene grote (10 tot 14 mm.) wantsen die in geheel Nederland en België voor komt, maar zeldzaam is in kleigebieden. Je vindt hem in allerlei kruidenrijke biotopen, vooral in bloemrijke graslanden. De meeste waarnemingen komen uit de periode april tot november.

Bessenschildwants
Hoewel er enige variatie is, zijn het halsschild en het middelste deel van de voorvleugel (corium) wijnrood en het schildje (het driehoekje) is groenig tot bruin met een lichte punt. De “randjes” (connexivum) steken wat uit en zijn zwart-wit gebandeerd. Dat zie je ook bij de voelsprieten. Het is één van de weinige schildwantsen met zulke witte ringels aan de antennes.
Hoewel het op deze foto niet te zien is, is het halsschild ietsjes behaard. Het is de enige schildwants die dat heeft.

Gewone doodgraver met parasitaire mijten
De vrij grote (10-35 mm) Gewone Doodgraver is een aaskever, een rover dus. Hoewel ze algemeen voorkomen, zul je ze niet vaak te zien krijgen, dus dit was wel een treffer. Hij eet als volwassen dier vooral vliegenmaden op een dood dier. Het kadaver zelf wordt ook wel als voedsel gebruikt, maar is vooral voor hun nageslacht bedoeld.

Het bijzondere op deze foto vind ik echter de ca. 1-2 mm. grote stipjes die je op zijn kop ziet zitten. Dat zijn parasitaire mijten, met de naam Poecilochirus Carabi. Er is geen Nederlandse naam voor deze soort.
Ze leven van vliegeneitjes en larven.
Om te overleven zijn ze helemaal afhankelijk van deze doodgraver (dat heet symbiose). Het probleem voor deze mijten is om bij een kadaver te komen, waar hun voedsel te vinden is. Ze kunnen zich namelijk amper verplaatsen. Daar hebben ze een praktische oplossing voor; gewoon meeliften met een doodgraver als die naar een nieuw kadaver vliegt.

donderdag 29 juni 2017

Ontginning Hollandia

In de laatste posts heb ik geschreven over ontginningen die begin 20e eeuw in Altweerterheide plaatsvonden. In de post over het Wijffelterbroek zei ik al dat de prachtige omgeving die we hier nu hebben, het gevolg is van dit menselijk ingrijpen. Vooral Karelke is van belang geweest voor het ontstaan van het dorp. Uiteraard mogen we de ontginningen van DelbroekWijffelterbroek, de Kruispeel, Kettingdijk en de talloze kleine ontginningen vóór de 20e eeuw zoals langs de Weerterbeek, Dijkerpeel, Mastenbroek, de Zoom en langs de Heltenboschdijk ('t Daal) en Stramproyergrensweg niet vergeten.

In deze post ga ik het hebben over de ontginning van de Kalverpeel en Spekke door de NV. Hollandia uit het Zuid-Hollandse Vlaardingen. Volgens Stan Smeets is de naam Kalverpeel te verklaren als "een gebied zijnde alleen geschikt voor het beweiden door kalveren". Dit is echter wat simpel gedacht en m.i. ook fout. Uitgaande van het Nederlands Etymologisch Woordenboek, is het eerder afgeleid van het Latijnse woord "kaven"; De betekenis daarvan is: kavel, splitsen, door splijten afbrokkelen oftewel het afkalven of afzakken van grond. Spekke, spik of spijk komt van het Germaanse "spakkjôn"; een eenvoudig bruggetje van ruwe stammen en takkenbossen , bedekt met plaggen of zoden.

maandag 1 mei 2017

Dit wil toch niemand.......................

Iedereen was het er al jaren geleden over eens, dat de aan de Belgische grens gelegen Kettingdijk uitermate hoge potenties had voor herstel van de (grond)water gebonden levensgemeenschappen.

Hooigrasland op de Kettingdijk zoals je het graag ziet op 28 april 2013 
Zo las ik al in "Wulpenvlucht" van september 2008 (een 3 maandelijkse nieuwsbrief van Natuurmonumenten en het Belgische natuurpunt) over de Kettingdijk het volgende :

"Door een aangepast beheer zullen natte loofbossen in de toekomst weer het uitzicht bepalen, net zoals in het begin van de twintigste eeuw. De hoge kweldruk in de greppels laat zien dat hier nog steeds veel potentie is om waardevolle natuur te ontwikkelen. In en langs de bosgreppels komen plaatselijk zelfs nog vrij veel gewone dotterbloem, holpijp, koningsvaren, wilde gagel en duizendknoopfonteinkruid voor. In de natte graslanden komen behalve de “gewone” kruidige gewassen bijzondere soorten als moeraskartelblad, moerasviooltje, gevleugeld hertshooi, tormentil en klein glidkruid voor. Maar ook planten zoals de koningsvaren, zeldzame dagvlinders zoals de ijsvogelvlinder, en amfibieën zoals de kamsalamander voelen zich goed thuis in het gebied".

woensdag 15 maart 2017

Wijffelterbroek

In mijn post “Alles is maakbaar” schreef ik al dat échte natuur in ons land eigenlijk niet meer bestaat.
Nu kun je dus wel zeggen dat ingrijpen in de natuur, zoals we nu overal zien gebeuren, niet natuurlijk is, maar de mooie landschappen die we hier nu zien, zijn dus óók het gevolg van menselijk ingrijpen.
Dat is overal merkbaar aan de sporen die hele generaties vóór ons hebben achtergelaten en waardoor een dorp als bijvoorbeeld Altweerterheide is kunnen ontstaan. In Karelke en Delbroek en Hollandia kun je hierover meer te weet komen. Ook over de Kettingdijk en de Kruispeel heb ik ( minder uitgebreid) een en ander verteld.
Nu is het de beurt aan het Wijffelterbroek. Over het "brook" heb ik al vaker geschreven, maar hier lees je het complete verhaal. Wil je de kortere versie lezen, klik dan hier.

Het Pleistoceen is een geologisch tijdperk dat ruim 11.000 jaar geleden eindigde. Vroeger sprak men over diluvium, van het Latijnse dis-luere = overstroming of zondvloed. Diluviale zandophopingen werden vroeger nl. aangezien voor getuigenissen van de zondvloed. In “De Hoogvenen en Gedaanteverwisselingen der Maas in N. Brabant en Limburg” (1927) , spreekt J. Lorié over de “wilde wateren”.

Op het 700.000 jaar geleden door de Rijn en daarna de Maas gevormd Middenterras, bestaande uit fijnkorrelig zand en grind, was er vanwege de slechte waterdoorlatendheid en een gering verval, amper sprake van afvoer van het water in het komvormige Wijffelterbroek en stond het gebied nagenoeg altijd onder water. In de loop der eeuwen verlandden deze vennen geheel of gedeeltelijk, waardoor veen ontstond. De kern van het Wijffelterbroek vormde ook zo’n veengebied.

Samen met het aan Belgische zijde gelegen Grootbroek en Bocholterbroek, ligt het Wijffelterbroek in de zogenaamde “Vlakte van Bocholt”. Dit vrij vlakke landschap maakt deel uit van de Roerdalslenk of Centrale slenk; een ca. 140 km lange en 23 km brede verzakking die door tektonische krachten (Feldbissbreuk) is veroorzaakt. Nadat de Maas hier zo’n 200.000 jaar had huisgehouden, werd deze vlakte in de laatste ijstijd (Weichselien) bedekt met zand, dat door de wind werd verstoven. Zo ontstond het voor Weert en omgeving zo kenmerkende, zacht golvende landschap met dekzand-ruggen en dalen. Beken, met hun bron op het Kempisch Plateau, kwamen, aangevuld met kwel, op hun tocht richting Maas terecht in deze slecht afwaterende vlakte en het water sijpelde langzaam in de lage doorstroom-moerassen door naar de rand

Het Wijffelterbroek wordt samen met het Mèrling of Op Meerlik (de latere Laurabossen), de Vetpeel, de latere Kettingdijk, Delbroek, Kalverpeel en Spekke het  “Achterbroek” genoemd. Op oude kadasterkaarten kom je ook de naam “Weerter broek” en "Gemeente Broek" tegen.

Het Wijffelterbroek was oorspronkelijk ook vele malen groter en vormde samen met de  Kruispeel , de andere gebieden in het Achterbroek, Dijkerpeel (die doorliep tot aan de Roukespeel), één groot gebied tussen Weert en Bocholt en de Altweertsche - en St(r)amproysche Heide. Op de militaire kaart van 1830-1850 kun je goed zien dat deze gebieden ook nog één geheel vormden. Kalverpeel/Spekke waren via de Sluisvennen verbonden met de Dijkerpeel. De slechte waterdoorlatendheid zorgde voor één nat en moerassig gebied, dat het grootste deel van het jaar onder water stond. Tot eind 19e eeuw bleef het Achterbroek, met een oppervlakte van circa 450 ha., dan ook voor het grootste deel een nagenoeg ontoegankelijk gebied.

In 1926 schreef Willem Lenaers uit Stramproy een interessant artikel in “de Nedermaas” over Alt-weert of Aovert. Ik laat je hierbij het stukje zien, waarin hij in zijn zo herkenbare schrijfstijl vertelt hoe het er in en rond het Wijffelterboek ooit moet hebben uitgezien.

* Blaak (blak) = effen, vlak, bloot en kaal. Land dat blaak staat (Weerter dialect), staat onder water.
* Het moge duidelijk zijn, dat hij met “den tyran” de Tungelroyse beek bedoelde……

De naam Wijffelterbroek (of is het nou Wijfelterbroek?) heeft niets te maken met weifelen, maar is (zo wordt algemeen aangenomen) afgeleid van het Middel- Nederlands "Vivelter" = vlinder en “broek” = moerasbos. In het Oud- Hoogduits vond ik ook nog het woord "Fi-falter" (herhaling-vouwen). Met andere woorden: hij die (zijn vleugels) voortdurend vouwt. Op de kaart van Sanson (1631) staat de naam “Wiweters-broeck”.
De link Vlinder - <->Wijffelterbroek ontgaat me helaas. Mijn voorkeur gaat meer uit naar het Oudfranse vîvere of vîver, wat o.a. poel, stilstaand water, vijver of weijer, maar ook diergaarde betekent. Het is afgeleid van het Latijnse vîvarium of wīwāri, (vijver, waterbekken, plaats waar levende dieren worden gehouden).  Vivus = levend.   (Bron: etymologiebank.nl)

Op de kadasterkaart van 1811-1832 is te zien, dat het Wijfelterbroek deel uitmaakte van het "Gemeente Broek". Gemeente, “gemeynt", of "gemene grond" betekende dat het broek gemeenschappelijk gebruikt mocht worden door de Weerter bevolking. Men had het recht (weliswaar tegen betaling) om op toegewezen plekken als “tungelroy velden” en “thungeler ôngerstal”, runderen of schapen te laten grazen, strooisel te verzamelen, pakgras te snijden, te plaggen, turf te steken en bijen uit te zetten Ook jachtrecht en visrecht vielen hier onder. Bewoners van Stramproy gingen er echter ook regelmatig illegaal vlikken steken, wat dan weer tot incidenten leidde met bijv. inwoners uit Tungelroy. Er was daarom toezicht nodig om dit soort mistoestanden te voorkomen. Zo is Jacop Grobben er in 1543 “broekhoeder” (* GAW) en wordt in 1614 gesproken over het jaarsalaris van Dries op de Hooff voor het “gadeslaan van het Wijfelterbroek” (*GAW)
Op hoogtekaarten zien we dat de Raam in het Wijffelterbroek met 30,7 m bijna 4 meter lager ligt, dan de er naast gelegen Stramprooierheide (hoogste punt is 34,4 m) om vervolgens aan de noordkant weer op te lopen tot 33,30 m. Komende van de Stramproyer Grensweg is dit nog goed te zien. Bij de Heltenboschbrug is het nog lager. Vóór de ontginningen stond het Wijffelterbroek een groot deel van het jaar dan ook onder water.
Aan de meer toegankelijke rand zoals langs de Stramproyer Grensweg, brachten keuterboertjes eind 19e eeuw al kleine perceeltjes land in cultuur. Dit gebeurde door afgraven en ophogen (egaliseren met de hand, met paard en kar, of met behulp van een molbord), kappen en planten, halen en brengen, verschralen en bemesten.Aangezien alles toen met de hand gebeurde, moet dit een hele klus zijn geweest.
Zo'n kleine en met hout omringde ontginning noemt men ook wel "kamp" of "kempke". Het hout van de houtwallen diende voor eigen gerief. Die lappendeken van kleine perceeltjes, omringd met houtwallen, tref je er nu nog steeds aan.

Op deze oude kaart van 1923 zijn aan de zuidkant bij de Pruiskesweg nog de watervlaktes te zien, waarop gevist werd. De omwonenden gebruikten hun bootje overigens niet alleen om te vissen, maar ook om bijvoorbeeld de kortste weg naar Altweert te nemen, als het hele broek daar onder water stond. De dichtstbijzijnde doorgang lag namelijk pas bij de Heltenboschbrug. Aangezien alles te voet gebeurde, was dat een hele omweg.

Ontginningen van woeste gronden op grote schaal, vonden tot ca. 1800 niet of nauwelijks plaats. Onder woeste gronden moeten we verstaan heide, veen, moerasachtige gronden en zandverstuivingen. Pas op het einde van de 19e eeuw werd er propaganda voor gemaakt. Dat was vooral omdat de grote landbouwcrisis (1878-1895) Nederland wel erg zwaar trof als gevolg van de import van goedkoop graan en andere landbouwproducten uit de VS en Canada. Boeren die wilden overleven, moesten efficiënter en goedkoper gaan produceren. Agrarische bedrijfjes op de zandgrond waren vanouds gemengd bedrijf. Op de schrale zandgronden was vooral een tekort aan grasland en hooi. Daardoor bleef de veestapel klein, wat weer nadelig was voor de mestopbrengst. En hoe gek het ook klinkt, "de rijkdom van de boer bestond uit zijn mest!!!". Een tekort er aan, hield namelijk de opbrengst van de akkerbouw klein en grote ontginningen waren onmogelijk ( “ijzeren kringloop”). Je kunt namelijk wel gaan ontginnen, maar als je geen mest hebt om de grond vruchtbaar te maken, heeft dat geen nut. Dat veranderde toen de kunstmest na 1900 algemeen werd en de potstallen konden verdwijnen.

In eerste instantie legden vooral mensen uit de “betere kringen” een grote belangstelling voor woeste gronden aan de dag, maar ook de Gemeente Weert ging, waarschijnlijk omdat er elders (particuliere) succesvolle initiatieven waren, beseffen dat er meer gedaan kon/moest worden met deze gemene gronden.
Op 10 oktober 1899 werd aan de Koninklijke Nederlandsche Heide Maatschappij opdracht gegeven, om een onderzoek in te stellen omtrent de mogelijkheid van ontginning en verbetering van het Wijffelterbroek.
De KNHM werd in 1888 opgericht als “Vereeniging ten algemeene nutte” voor het scheppen van werk- en woongelegenheid. Doelstelling was “het adviseren bij en het stimuleren van de ontginning van woeste gronden, het aanleggen en in standhouden van bossen en het aanleggen en onderhouden van bevloeiings- en grondverbeteringwerken”. In 1897 kwam daar nog de ontwikkeling en verbetering van de zoetwater- visserij bij. Achtergrondgedachte was het verbeteren van de leefomgeving en de werkgelegenheid. Al snel breidden de werkzaamheden zich uit van adviseren, tot het zelf uitvoeren van de werken..

Op 23 december 1899 kreeg de Gemeente het Rapport inzake het onderzoek van de bodemgesteldheid van het Wijffelterbroek toegestuurd en in de week van 13 januari 1900 werd door de Raad unaniem besloten om tot ontginning over te gaan. Het hele rapport van de Nederlandsche Heidemaatschappij is hieronder te lezen.


Wat me vooral in dit rapport opvalt is, dat met geen woord gerept wordt over het zo geroemde “elzenbroekbos”. De lage veen-gronden, zo staat in het rapport, zijn voornamelijk begroeid met allerlei moeras-planten met hier en daar wat struikgewas. Van bos is geen sprake, laat staan een elzenbroekbos.

Den rijken boomgroei en het wild, open elzenbosch” waar W.L. Leclercq het in zijn verslag in 1941 over heeft, betreft waarschijnlijk alleen het laatste restje natuur wat nog was overgebleven en moet je dan ook met een korreltje zout nemen. De begroeiing aldaar moet dus van veel recentere datum zijn, dan wordt aangenomen.
spotprent over het Wijffelterbroek door F. Smeets
Er werd smalend gelachen over dit “idiote” plan , dat  door de commissie "als een duivelskunstenaar uit de mouw was geschud" en de meeste mensen hadden er dan ook totaal geen vertrouwen in. Dat blijkt o.a. uit de in 1900 gepubliceerde spotprent (bron: GAW) van een zekere F. Smeets op de plannen-makerij en deze ingezonden brief van 24 november 1900 in Kanton Weert.

Met een totale kostenpost van fl. 36.000, ging de NHM uit van een netto opbrengst van fl. 40,- per ha., tegen fl. 2,- die men er op dat moment aan over hield. Dat klonk de gemeente natuurlijk als muziek in de oren. Vandaar dat men instemde met het plan.

Begroting van het ontginningsplan

Grootste uitgavenpost was de aanleg van 125 ha. grasland. De uitvoering werd door de Nederlandsche Heidemaatschappij o.l.v. hoofd-opzichter Snijders gedaan. Aangezien de Gemeente vanwege de hoge aanleg-kosten en het verkrijgen van een goede afwatering, de gronden niet zelf kon/ wilde exploiteren, werden 12  heren uit Weert, bereid gevonden een Consortium (Maatschappij) op te richten.
Het ging over de pacht van een 260 ha. groot gebied voor een periode van 50 jaar.

Kadasterkaart 1902, sectie K met percelen 1548, 2236 en 2237

“Op 13 juli 1901 keurt men de verpachting goed van het Wijffelterbroek door NV Weerter Exploitatie-Maatschappij Wijffelterbroek, liggende in het Achterbroek. Het betreft de percelen kadastraal bekend onder sectie K  no. 1548, 2236 en 2237, voor de som van fl. 1560 plus de waterschapslasten” (bron: Kanton Weert).

De heren aandeelhouders, Weertenaren die fortuin hadden gemaakt en notabelen, waren Henri van Aubel (gemeenteraadslid), Fr. Coenen (lid Ged. St.), Frans van Asten (leerlooier), H. Janssen (gemeente-secrataris), Camile Esser (goudsmid), Constant Janssens (burgemeester), Louis Joosten (lid Prov. Staten) , Jac (fabrikant)en Math Kemmere (gemeenteraadslid), M. Vrancken (arts), Mathieu Hanraets (directeur Boerenleenbank) en Henri Schillings (notaris). Hoewel er in november 1915 in de omgeving mond- en klauwzeer werd geconstateerd en het vee met een waarde van om en nabij de fl. 25.000 !!!!! moest worden afgemaakt, ging het deze mannen toch voor de wind en heeft de N.V. vooral in de Eerste Wereldoorlog goede winsten gemaakt.
 
Het klinkt vreemd, maar in die hel (de oorlog van 1914-1918 dus), was Nederland vanwege zijn neutraliteit een eiland van vrede en zelfs voorspoed! Tenminste in de beginjaren. De industrie, scheepvaart en ook de landbouw maakten tijdens de eerste jaren van de oorlog grote winsten. Het schijnt dat tussen 1914 en 1917 het nationaal inkomen zelfs bijna met de helft toenam!!!! Ook de "Weerter Exploitatiemaatschappij" profiteerde ervan, door grote hoeveelheden koudegrond groenten zoals kool, wortelen, erwten en bonen, via het spoor naar Duitsland te exporteren via de in 1879 aangelegde IJzeren Rijn. Tegen het eind van de oorlog liep die winstgevende voedselvoorziening echter sterk terug en werd de toevoer afgeknepen. Waarschijnlijk omdat er te veel werd gesmokkeld.

Alvorens de 260 ha. in cultuur te gaan brengen, had de Heidemaatschappij als voorwaarde gesteld dat eerst de afwatering door de Tungelroyse Beek in orde gebracht moest worden. Om dat te benadrukken sprak opzichter Snijders zelfs van “eene levenskwestie”. Een groot gedeelte van het jaar stond het gebied namelijk bijna in zijn geheel onder water, dus er moest heel wat water afgevoerd worden.

Het komvormig gelegen terrein van Kalverpeel, Spekke en Wijffelterbroek tot aan de Heltenboschbrug werd doorsneden door een tweetal kleine beekjes (als het gebied tenminste niet onder water stond), namelijk de Spekkeloop en de Rietbeek.
De beekjes kwamen in de buurt van de Heltenboschbrug samen en stroomden als de op de waterstaatskaart van 1889 gekende “Jungeroijschebeek” (de Tungelroyse beek dus) verder richting Maas. Voor een goede afvoer van het water werd door Waterschap “het Land van Weert” en *Provinciale Waterstaat de beek over een afstand van ongeveer 6 km verbreed, verdiept en genormaliseerd tot aan paal 48, bij de "Vlooimolen" of Vloetmolen" (de vroegere watermolen van Maes uit Stramproy).

* Provinciale Waterstaat is een voormalige dienst van Rijkswaterstaat, die was georganiseerd op provinciaal niveau. Deze dienst is rond 1870 gevormd toen de rijksoverheid het beheer van de waterstaatzaken decentraliseerde en onderbracht bij de provincies.

De verbetering van de beek zou niet alleen de ontginning van het Wijffelterbroek, maar ook een mogelijke ontginning van Spekke en Kalverpeel bespoedigen. In 1904 kwam inderdaad daartoe een voorstel van de Nederlandsche Heidemaatschappij. De uitvoering daarvan was echter pas in 1914.

Aangezien de Belgen veel problemen ondervonden met de afvoer van het overtollige water via de Emissaire, werden er pogingen ondernomen om ook te “profiteren” van de ontwikkelingen aan de Tungelroyse beek. Maar van Nederlandse zijde kregen ze geen medewerking daartoe. Er werden zelfs tegenmaatregelen getroffen om de instroom van “Belgisch water” in het broek te voorkomen. In juli 1903 kwam er bij de Gemeente Weert namelijk een schrijven binnen van “Waterschap Land van Weert” dat men overwoog een waterscheiding* tussen Emissaire en Wijffelterbroek aan te brengen, mits de Gemeente en de Exploitatie-maatschappij in de kosten bijdroegen. Hiermee ging men akkoord.

Bedoeld is waarschijnlijk het "smokkelpaadje" vanaf de Bocholterweg en achter langs de voormalige landbouwenclave van Ooms. Dit kan ik afleiden uit een bericht van 15 februari 1922 in de "Nota aangaande het geschil dat heerscht tusschen het Hollandsch waterschap “Het Land van Weert” en de Belgische watering “Het Grootbroek” voor de afleiding der water van het "Bocholterbroek”, van A. Cornelis, opziener bij ‘t ministerie van Landbouw en openbare werken te Brussel. Hij schreef daarin o.a. het volgende:
"Evenwijdig met de grens op een 100tal meters, werd een pad aangelegd, die, alhoewel niet hoog aangevoerd, toch een dijk vormde, een versperringsdijk, waarin eene zeer gebrekkige opening werd gelaten. Gevolg was, dat de vroeger aangelegde dijken, tusschen dewelken de Belgische waters over de grens moesten worden geleid, werden onvoldoende en meer water overlaadde de Lossing. Het Bocholterbroek keerde tot den staat van moeras terug, en het Grootbroek, stroomde over bij elke waterwassing, terwijl de Hollandsche Jungervische beek van het overgroote deel van haar natuurlijke water werd ontlast. Moedwillig dus, weren nu de Hollandsche belanghebbenden de Belgische waters van ’t stroomgebied der Jungervische beek". (dit wordt erkent in het verslag van 28 februari 1908 van den heer Hungus, prov. Ingenieur van den waterstaat)".

* Op 3 oktober 1908 zat bij de ingekomen stukken van een vergadering van het Waterschap “eene missive van Z.E. den Minister van Waterstaat, waarbij deze mededeelt dat de steeds gevolgde zienswijze van het Waterschap in zake afvoer van Belgisch water langs de Emissaire, en niet langs de Tungelroyse beek, de ware is”.

Intussen was men ook al begonnen met de verbreding, verdieping en normalisatie van de smalle en ondiepe Rietbeek vanaf de Spekke tot de Heltenboschbrug.
Nadat dit was gebeurd, werden loodrecht op de nieuw gegraven beek hoofdsloten gegraven. Op deze hoofdsloten mondden weer talloze greppels uit.

Nadat na de normalisatie van de beek ook de in slechte staat verkerende Heltenboschbrug was hersteld, en men de afwatering goed geregeld had kon met het in cultuur brengen begonnen worden.

Er werd in het plan van de Nederlandsche Heidemaatschappij gesproken van lage-, gemiddelde - en hoge gronden, met elk hun eigen specifieke manier van bewerken. Vooral de manier van bemesten speelde hierin een cruciale rol. Men gebruikte voor de graslanden per ha. de eerste keer 1000 kg. kalk voor de ontzuring, 800 kg. thomasmeel (à fl. 6 per 1000 kg) en 1000 kg. kainiet (minerale kunstmest). In de jaren daarop werd dit aangepast. Het effect van deze bemesting was (zeker voor die tijd) verbluffend.
De gronden bleken geschikt te zijn voor de verbouw van onder andere gras, klaver en als hooiland, voor de veeteelt, koude-grond tuinbouw en bosbouw (m.n. populieren). Door het gebied verspreid kwamen enkele grote hooischuren en een schaapskooi te liggen en bij de boerderij werd een stal gebouwd waar ruim 70 koeien in terecht konden.Veel omwonenden (ook meisjes) vonden hier in de loop der tijd emplooi.

De nieuwe methode van bemesting was zo succesvol, dat de kleine boertjes in de omgeving dit voorbeeld al snel navolgden en geleerd door het voorbeeld, meer en meer zelf gingen ontginnen, maar dan zonder de hulp van de NHM.
Vanwege het grote succes, viel ook elders de ontginning blijkbaar op, zoals je in onderstaand krantenbericht uit 1902 kunt lezen. Het betreft een excursie van een groep leerlingen van de Rijkslandbouw- winterschool uit Sittard, die het de moeite waard vond om zo’n lange reis naar “the middle of nowhere” te ondernemen.

Ik plaats hieronder het hele verslag van dat bezoek, dat in het Kanton Weert werd geplaatst, zodat je kunt zien hoe de NHM deze ontginning aanpakte.


Deze ontginning moet toch een gigantische klus zijn geweest, aangezien alles nog met de hand gebeurde. Toen de Nederlandsche Heidemaatschappij in september 1904 voor 150 hooggeplaatsten uit het hele land een meerdaagse excursie organiseerde in M. Limburg, werd dan ook vol trots “het Wijfelterbroek” bezocht. Op dat moment was (aldus het bericht) al 150 hectare tot gras- , bouwland en bos ontgonnen. Voor het vervoer naar het “brook” waren liefst 50 rijtuigen nodig.


Een zekere Jozef Stultiëns maakte naar aanleiding van dat bezoek een gedicht.
Zoals je ziet eindigde de dag in mineur, vanwege een gigantische stortbui.

Foto uit de jaren '40-'50 met rechts boerderij 't "Brook"  en links de in de jaren '80 afgebroken stal.

Het Consortium had een opzichter in dienst die de werkzaamheden regelde en alles nauwgezet in de gaten hield. Deze opzichter (Miechel Daniëls (1881-1953), werd ook de eerste bewoner van de in 1906 gebouwde boerderij genaamd “op ’t Brook” of “beej Miechel”. Hier werd nadien nog een tweede woongedeelte aangebouwd, zodat hier later steeds 2 pachters konden wonen.

In 1926 was 180 van de 260 ha. ontgonnen en verliep alles blijkbaar dusdanig naar wens, dat de Gemeente besefte, dat het “brook” wel eens een “melkkoetje” zou kunnen worden. Vandaar ook pogingen om het Consortium te bewegen de pacht stop te zetten, zodat de gemeente kon overgaan tot verkoop van de percelen.  Als reden werd aangegeven dat het wenselijk was dat de gemeente weer de beschikking kreeg over haar waardevolle eigendom vanwege de uitbreiding van de Parochie Altweerterheide!  De heren van het Consortium gingen echter niet in op het voorstel van B&W en men zag af van verdere onderhandelingen.
De reden dat de NV. niet akkoord ging, is mij niet bekend.

Nadien lagen de onderhandelingen jarenlang stil, want door de Beurskrach van 1929 raakte Nederland in de jaren ‘30 van de vorige eeuw in een diep economisch dal; de exporthandel viel 28% terug, de bedrijfsinvesteringen met 25 procent en de gevolgen voor de landbouw waren zelfs desastreus te noemen door overproductie, waardoor de opbrengst van de producten razendsnel daalde. In het diepst van de crisis waren er 340.000 werklozen op een bevolking van 8 miljoen inwoners; van elke vier arbeiders was dus één arbeider langer dan één jaar werkloos. In de nijverheid had bijna een derde van de werknemers geen werk en in de bouw was dat zelfs meer dan de helft (bron: CBS).

De crisis heeft honderdduizenden gezinnen geteisterd. Ondanks de grote economische en sociale problemen  wist Colijn, als typische anti-vernieuwer, met zijn overtuigingskracht en zonder enig vertoon, rust en stabiliteit uit te stralen. Iedereen had respect voor hem. De steunregeling die er was, was te weinig om van te leven en teveel om dood te gaan. Daarom koos de regering voor werkverschaffing op grote schaal met behulp van overheidssteun.  Al langer bestaande plannen voor verbetering van de afwatering werden in de werkverschaffing ondergebracht. Het graven van de “Now beek”, oftewel de Raam, was er daar een van.


Grote groepen mannen werden bij wet verplicht om zich 6 dagen in de week voor een grijpstuiver (fl.11,-) in het zweet te werken. Met als enig hulpmiddel een schep en kruiwagen. Het was in feite een soort armenzorg waarbij de armen te werk werden gesteld en aldus de kosten van uitkeringen gedrukt konden worden.

Wijffelterbroek midden jaren '30
Nadat de Raam in 1930 tot ongeveer halverwege (zie kaartje) was gegraven en was aangesloten op de Tungelroyse beek, kon met name ook de zuid- westelijke helft van het moerassige gebied worden ontgonnen en vielen o.a. de visrijke plassen langs de Pruiskensweg droog, om plaats te maken voor weilanden en akkers. In 1936 werd het laatste stuk tot aan de Emissaire (Lossing)  gegraven en kon ook het Bocholter moerasgebied, met name Smeetshof (B), beter worden ontwaterd. Ook de ontginning van de Kettingdijk is mede daardoor kunnen beginnen in het midden van de 30-er jaren. Voor de afwatering  op de Raam, werd de Vetpeellossing gegraven.

Het heeft nog ettelijke jaren geduurd, maar uiteindelijk moesten de heren van het Consortium ermee akkoord gaan het contract te ontbinden en kon wethouder Peeters het initiatief nemen om de resterende pacht af te kopen. Dat was in september 1939. In januari 1941 werd in Kanton Weert gemeld dat de NV. Weerter Exploitatie Wijffelterbroek was opgeheven. Met liquidatie wordt faillissement bedoeld. De NV. had al vanaf de beginjaren een groot afzetgebied in Duitsland. Vooral voor koudegrond tuinbouwproducten zoals koolsoorten, prei en bonen. Transport naar Duitsland vond plaats per spoor. Door de opkomst van het Nationaal Socialisme werd deze bron van inkomsten afgesneden. Met een faillissement tot gevolg.
Zo kon het Wijffelterbroek weer volledig in handen komen van de gemeente, die besloot om Miechel Daniëls weer als opzichter te benoemen.

De afkoop met een vergoeding van de verbeteringen, opstallen en bijgekochte gronden geschiedde tegen een betaling van fl. 39.000. Voor de verdere ontginning van het Wijffelterbroek werd fl. 350.000 begroot. Afgaande op dit hoge bedrag, moest er dus toch nog veel gebeuren. Het meeste geld (fl. 300.000) was overigens bestemd voor arbeidsloon.
Veel geld, maar de overname bracht de gemeente meteen al voordelen; zo leverde de verkoop van een bos 28.000 gulden op en de verkoop van Canada’s bracht kort daarna zelfs 30.000 gulden op.
Al bij de overdracht konden de voormalige heren van het Consortium (die tenminste wilden) ieder 20 ha. grond overnemen. Ik betwijfel of ze dat hebben gedaan. De ontginningsboerderijen gingen in elk geval over naar andere pachters. De resterende grond werd verpacht aan boeren uit de omgeving. 

In 1941 schreef W.L. Leclercq, oud-inwoner van Weert en amateur-dendroloog (boom- en heesterkundige) n.a.v. van zijn bezoek aan het Broek nog het volgende: "dit is het grootste, meest afgelegen en mooiste moeras uit de streek" en "dit is de mooiste, geheimzinnigste wildernis in Nederland, waar men urenlang kan rond-dwalen zonder iets van de buitenwereld te zien of te merken" . Maar ook schreef hij: "Een boer vertelde mij, dat het Broek geheel ontgonnen zal worden door den Arbeidsdienst: de grond zou 4 meter(!) diep worden omgezet".

Ondanks het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, ging het ontginnings-werk in het Wijffelterbroek dus gewoon door. Dit gebeurde door de nieuw opgerichte “Nederlandsche Arbeidsdienst” . Dit was een eerst vrijwillige en later verplichte werkinzetdienst (“Arbeidseinsatz”) voor mannen en vrouwen, die op 15 oktober 1940 door de Duitsers in het leven was geroepen.
Als motief voor het oprichten van de NAD gebruikte de bezetter de noodzaak van het herstel van de oorlogsschade in Nederland. Aangezien de vrijwilligers niet in de rij stonden en weinigen reageerden op de oproep, werd op 1 januari 1942 voor iedere Nederlander die in dat jaar 18 jaar werd en op het einde van dat jaar nog geen 23 was, de ongewapende dienstplicht ingevoerd. Ze werden verplicht een half jaar het volk te dienen in die arbeidsdienst. Het uniform dat zij kregen was hetzelfde als dat van het Nederlandse leger, dat na de capitulatie op 14 mei 1940 niet meer bestond; er was nog genoeg kledij voorradig in de magazijnen.

Afgaande op het verslag van Leclercq is duidelijk, dat er nog veel niét ontgonnen was en ongetwijfeld is er door de NAD veel werk verzet. Als “wapen” werd een spade uitgereikt, of eigenlijk twee, een voor bij het werk en een voor bij de exercities. Die laatste moest er altijd zeer schoon en glanzend uitzien.

De Nederlandsche Arbeidsdienst had als devies: “Ick dien”. Dit hield in dat de arbeidsman die onder dit devies werkte, het Nederlandse Volk diende (maar zelf niets verdiende.....).
Plattegrond "Kamp Altweerterheide"
“Kamp Altweerterheide” (ca. 1 km vanaf sluis XVI aan de Loozerweg, waar nu bouwbedrijf Lempens en een vestiging van Renewi liggen) en “Kamp de Wallen” (op het voormalige speelterrein van voetbalclub "Olympia", nu Crescentia, en vroegere Burgerwacht en het latere Ambonezenkamp) legden de 7 km. lange Wijffelterbroekdijk aan, of eigenlijk verbeterden ze de al bestaande zandweg. De Wijffelterbroekdijk van de Maaseikerweg naar het kamp in Tungelroy werd zelfs met klinkers verhard. Op 28 maart 1943 waren in de 17 barakken van “Kamp de Wallen” maar liefst 225 manschappen gelegerd (bron: Oorlogskroniek, W. Lenaers).
De officiële opening van de weg werd op 19 mei 1943 verricht door de NSB-er en Duitsgezinde burgemeester van Weert, Rösener Manz. Ook arbeidleider Bock, de commandant van het 42e korps, onder wiens bevel de genoemde kampen ressorteerden, was speciaal hiervoor uit Eindhoven overgekomen. Doel van de activiteiten in het Wijffelterbroek was, zo werd gememoreerd, dat “jonge boeren uit de omgeving zich hier kunnen vestigen”.
 

Het werk was voor deze jonge mannen geen pretje. Zeker als je vanaf het kanaal ’s morgens vroeg ook nog te voet moest afmarcheren naar het Broek. Dat lag ongeveer 1½ uur lopen van het kamp. Op zich zal dat geen probleem zijn geweest voor die knapen, maar wel als je bedenkt dat dat bepakt en bezakt moest gebeuren over landwegen die of zo stoffig waren als maar kon, of op regenachtige dagen erg modderig en vies waren. Dan was het letterlijk een lijdensweg….
Als je meer over deze periode wil weten, kun je op de site van Jan-Berlijn-mijn-tijd-in-de-Arbeidsdienst zijn lotgevallen lezen.


Hier alvast een voorproefje hoe deze “vrijwilliger”er over dacht:
"Het was een afgrijselijk werk; je zag niet dat het op schoot en het materiaal waar we mee werkten liet dikwijls ook veel te wensen over. Zo gebeurde het wel eens dat een arbeidsman met een spa een slootje uit moest modderen! Zolang ik aan dit object heb gewerkt, heb ik nog nooit gezien dat er schot in kwam. De bedoeling was dat wij voor de afwatering van het moeras moesten zorg dragen. Daartoe moesten we sloten graven van 1 meter diepte en 2 meter breedte. Wanneer een arbeidsman opgedragen werd zo’n sloot uit te diepen, dan moest hij er met waterlaarzen (die niet altijd waterdicht waren) instappen en zo maar zien het modderslootje te bewerken. Je moest verschrikkelijk op je tellen passen bij dit werkje, want doorgaans waren de laarzen te groot en wanneer het evenwicht tussendoor hersteld moest worden dan kon je met geen mogelijkheid deze manoeuvre goed volbrengen. Of de laars bleef vastgezogen staan in de modder, of je viel languit in de sloot door het trekken aan de laars; in ieder geval kwam je er met één of twee natte voeten van af. Ik had nog wel een paar bladzijden kunnen vullen door over dit onderwerp te schrijven, maar ik zal het hierbij maar laten. In één woord: het was daar een “rotzooi”. Hadden we dit werk niet in de moffentijd moeten uitvoeren, dan had dat de omstandigheden zeker verzacht, maar het is en blijft een heidens werk, dat grondwerk en zeker voor een kantoormannetje zoals ik was."



 Op www.beeldengeluid.nl kun je van deze ontginning op het Wijffelterbroek een uniek filmpje van het Polygoon nieuws van mei 1943 (weeknummer 43-22 ) bekijken. Hoewel het filmpje nog geen 2 minuten duurt, is toch goed te zien onder welke omstandigheden dit gebeurde.
De omschrijving die bij dat filmpje staat, luidt als volgt:
"De afdelingen Weert en Tungelroy van de Nederlandsche Arbeidsdienst ontginnen terrein 'Wijffelterbroek' in verband met de agrarische bestemming daarvan. Om de ontginning goed aan te kunnen pakken, moet eerst een weg worden aangelegd. Als deze weg klaar is, wordt hij door de burgemeester van Weert, de NSB'er J.H.W. Rösener-Manz, officieel geopend.
De mannen van de NAD rennen uit hun barakken naar buiten en gaan in het gelid staan; ze marcheren, schop over de schouder, naar hun werkterrein; ze graven de grond uit, kappen bomen en verwijderen boomstronken".

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen meer dan 60.000 NSB-ers, SS-ers en andere collaborateurs vast te zitten in interneringskampen. In Weert was dat in de 2 voormalige NAD- kampen. Ze werden in eerste instantie tewerk gesteld in het Wijffelterbroek, maar er waren grotere problemen dan hun “heropvoeding”. Ons land was na de oorlog namelijk totaal ontwricht en werd weer geconfronteerd met een hoge werkloosheid. Medio 1945 waren er 200.000 wachtgelders (veel fabrieken hadden problemen om op te starten) en ruim 110.000 “echte” werklozen en niet-werkwilligen.
Niet voor die “foute” Nederlanders, maar voor hén moest “zinvolle” arbeid worden gecreëerd, om ze zo ook te behoeden voor mogelijke “revolutionaire plannen” (de opkomst van het communisme!). Daartoe werd de Dienst tot Uitvoering van Werken (in de volksmond DUW genoemd) opgezet. Heidemij en Grontmij werden belast met de uitvoer ervan. 

Inrichting Woonoord Tungelroy
Woonoord Tungelroy
Nadat het kamp enige tijd was gebruikt als opleidingskamp voor de Koninklijke Marechaussee, werden de barakken omgebouwd tot wooneenheden voor Ex-Knil militairen en hun gezinnen. Omdat de Indonesische regering de Molukse KNIL-militairen namelijk als collaborateurs beschouwde, waren ze er niet langer veilig en werd besloten ze naar Nederland over te brengen. “Tijdelijk”, zo werd gezegd. 
Woonoord Tungelroy
In augustus 1951 arriveerden 36 Molukse gezinnen (ruim 200 personen) op het kamp dat werd omgedoopt in “Woonoord Tungelroy”. Al de jaren dat ze hier verbleven, leefden ze met de gedachte dat ze op een dag weer terug naar Ambon zouden terugkeren. Dit is, tot veler teleurstelling, echter niet gebeurd. In november 1968 moesten ze het kamp verlaten en verhuisden de gezinnen naar een “gewone” woonwijk in Weert (vooral Leuken en Groenewoud). Ondanks protesten van enkele gezinnen, moesten ook zij uiteindelijk Tungelroy verlaten. De barakken werden bij openbare inschrijving verkocht en de rest werd gesloopt en opgeruimd. Enkele restanten herinneren nog aan hun verblijf.

Na de oorlog was er veel vraag naar landbouwgrond en praktisch alle boeren uit Keent, Moesel en Altweerterheide zaten wel te wachten op een stuk grond om uit te breiden. Zo vonden ongeveer 80 DUW-werkers uit Weert, maar ook uit bijvoorbeeld Ell en Hunsel, werk in het Wijffelterbroek.

Het ging vooral om her-ontginning en egalisatie; grond die te hoog of te laag lag en nog bezand moest worden. Het was werk-verschaffing in handkracht, want de belangrijkste gereedschappen waren schep en kruiwagen. Zwaar werk, maar in 8 jaar tijd werd toch ongeveer 80 ha. onder handen genomen. Zo worden onder andere Zaodblok, Koele struuk, Hermes baandj, Moospötte en Spikke genoemd. De ontginningen waren met name in het westen, bij de driehoek langs de Broekdijk (bij Kwaoj gaat en Wisse-blök). Het veen werd daar tot een bepaalde hoogte omgezet en dan bedekt met een laag zand, die afkomstig was van te hoog liggende gronden zoals een bult bij de Vetpeel en bij een gerooid dennenbos bij de Achterpeel. De uitgegraven grond werd in kipkarretjes gegooid en als het karretje vol was, duwde men het handmatig over smalle rails naar de dieper gelegen plek waar de grond gestort moest worden.

Bij gebrek aan arbeiders vanwege de groei van de economie en door de instelling van de “Directie voor de Arbeidsvoorziening” (sociale zaken en werkgelegenheid) werd de DUW overbodig en is in juli 1954 opgehouden te bestaan. Het werk dat nog moest gebeuren, werd uitbesteed aan “het vrije bedrijf”….

In een bericht van 16 maart 1951 van Kanton Weert, is te lezen dat men ook met de aanleg van de Bocholterweg is gevorderd tot de laatste kilometer vóór de Belgische grens. Daar moest eerst nog het laatste stukje uit veengrond bestaande Broekdijk of Brookdieëk worden uitgegraven en door een zandlichaam worden vervangen. De vruchtbare uitkomende veenaarde werd in de naburige Vetpeel gestort. Het zand voor het weglichaam kwam van de hooggelegen kapvlakte op de rand van het Wijfelter-broek, dat ook werd gebruikt om de lager gelegen ontginningsstukken te bezanden. In dit zelfde bericht wordt ook gesproken over de aanleg van een betonnen brug over de "Kalverpeelbeek" bij boerderij Centrum die bijna klaar zou zijn!!! Bijzonder dat hier (nog) niet gesproken wordt over de Tungelroyse beek…

Hoewel er in 1948 werd onderzocht of het Wijffelterbroek (wethouder Willem Litjens had het zelfs over 300 ha.) geschikt gemaakt zou kunnen worden voor tuinbouw (Kanton Weert 3/12/1948), ging dit plan niet door.
Ook waren er plannen om over te gaan tot verkoop van alle percelen. Het was met name de boeren- commissie onder leiding van Litjens en de LLTB, die zich sterk maakten om tot verkoop over te gaan. Ook dat ging vooralsnog niet door. Er was veel weerstand en het heeft nog jaren geduurd alvorens men daar (deels) toe over ging. Voor 1951 werd bijvoorbeeld nog fl. 50.000,- begroot en voor 1953 was dat nog altijd fl. 20.000 voor het Wijffelterbroek en fl. 10.000 voor de Vetpeel (bron: Kanton Weert).

Wijffelterbroekdijk eind jaren '50 met op de achtergrond de boerderij van W.Cuypers

In krantenberichten is te lezen dat er na 1954 sprake was van zowel grondtransacties, als verkoop en het verpachten van percelen. Een van die grondtransacties was met Louis Smeets ("Monne Lewie"), die grond aan de Zuid-Willemsvaart (huidig industriecomplex op de Lozerweg) verruilde voor grond op 't Brook en ook op de boerderij ging wonen. Pachters Bèr Bocken en Wullem Cuypers verhuisden. Bocken ging naar Tungelroy en Cuypers kocht grond van de gemeente en bouwde iets verderop een boerderij.
De meeste grond werd echter nog lange tijd verpacht aan de plaatselijke kleine boeren.
Het heeft nog jaren geduurd voordat men het eens werd. In 1975 stelde gemeenteraadslid Chris Cuypers nog voor om grond van het Wijffelterbroek niet meer per jaar, maar voor 6 of 12 jaar te verpachten, om zo uitmergeling van de grond te voorkomen. Dit werd niet aangenomen door de raad.
Uit bovenstaand artikel in het Land van Weert van maart 1979 blijkt, dat men ook toen nog steeds van mening verschilde, of men over moest gaan tot verkoop. Het voorstel van b. en w. kwam er op neer, de gronden te verkopen aan de toenmalige pachters, met daarbij de clausule dat er binnen 5 jaar niet doorverkocht mocht worden. Het voorstel werd dus niet aangenomen.

De Raam, gezien vanaf de Tungelroyse beek, met op de achtergrond net zichtbaar de Ossenbrug.
De Raam, inmiddels in de jaren '60 in de volksmond "stinkbeek" genoemd, vanwege de afvoer van het sterk vervuilde water uit de Emissaire, is in 1962 nog eens verdiept en verbreed, waardoor een nog sterkere drainerende werking is opgetreden. Niet alleen voor de omliggende landbouwgronden, maar ook voor het natuurgebied zelf.
De omvang van kwelzones nam daardoor verder af en het (kwel)water werd versneld afgevoerd via de watergangen. Door deze kunstmatige ontwatering en kanalisatie van de beken, is de natuurlijke sponswerking verloren gegaan en was het "einde verhaal" wat betreft de oorspronkelijke natuurwaarden van het Wijffelterbroek.

Vele hectaren weiland in het Wijffelterbroek, gezien vanaf de Pruiskesweg  (foto april 2013)
Uiteindelijk is van de oorspronkelijke 260 ha. minder dan 60 ha. natuur over gebleven. Dit “kleine pareltje” wordt sinds 1977 door Vereniging Natuurmonumenten beheerd.

Water vasthouden in het Wijffelterbroek is van steeds groter belang
De ontwatering en afvoer van water was lang een groot voordeel voor de landbouw, want economische belangen prevaleerden, maar door klimaat-verandering gaan we nu steeds vaker te maken krijgen met extreme neerslag en wateroverlast enerzijds, maar ook met droogte en bijbehorende schade anderzijds. Steeds duidelijker wordt, dat de waterbergende capaciteit bovenstrooms onvoldoende is.


Water vasthouden wordt daarom steeds belangrijker. Door natte natuurgebieden weer aan elkaar te koppelen, creëer je een tientallen kilometers lange klimaatbuffer die het (regen)wateroverschot vast kan houden, waardoor je wateroverlast stroomafwaarts voorkomt en de zoetwatervoorraad van omliggende natuur- en landbouwgebieden in droge tijden vergroot.
Bovendien ontstaat door deze ontsnippering een aaneengesloten keten van robuuste natuurgebieden, waarin kwetsbare planten- en diersoorten minder kwetsbaar zijn en zonder problemen kunnen migreren. (Aantasting en versnippering van leefgebieden behoren tot de belangrijkste bedreigingen van biodiversiteit). Dit ontsnipperen van natuurgebieden noemt men de Ecologische HoofdStructuur (EHS).

Via vrijwillige kavelruil en koop, wordt door dit klimaatproject niet alleen de natuurlijke sponswerking van de voormalige moerasgebieden en natte natuurgebieden hersteld, maar worden ook gronden verworven om de ontbrekende schakels in de EHS toe te voegen. Boeren krijgen via grondruil in de natuurgebieden betere landbouwgrond terug en indien gewenst/nodig kan de afgegraven verrijkte grond uit het nieuw in ontwikkeling gebrachte natuurgebied worden gebruikt om landbouwpercelen op te hogen. Op deze manier is er sprake van een win-win situatie voor natuur, waterbeheer, landbouw én recreatie.
Brug over de Raam, met daarachter nog nieuw te ontwikkelen gebied (foto van april 2013)

Sinds 2010 houdt “Consortium AHV” (ARK Natuurontwikkeling, Habitura en Rentmeester Van Soest), zich met deze ontwikkeling in Kempen~Broek bezig. Ook in het Wijffelterbroek is deze ontwikkeling goed merkbaar.

De afgelopen jaren is via kavelruil (en aankoop) vele ha. landbouwgrond verworven rondom het Wijffelterbroek en zijn de "droogvallingseisen" van de agrariërs grotendeels komen te vervallen, zodat maatregelen genomen konden worden om de verdroging tegen te gaan en kavels zoals Kwaoj gaat en Wisseblök tot natte natuur ontwikkelen.
Natuurherstel van de Raamweiden in 2015 door uitvoerder Omniverde
Zo wordt ook de landbouwgrond langs de Pruiskesweg, die ooit met veel zweet is verkregen, weer tot natuur omgevormd. Populieren zijn gekapt en de bovenste voedsel- en humusrijke laag landbouwgrond is afgegraven en elders hergebruikt. Het gebied wordt Raamweiden genoemd.
Natuurherstel bij de Raamweiden in 2015.
Door de combinatie van een verminderde afvoer en peilverhoging van de Raam en de herstelwerkzaamheden in 2015 is lokaal het ijzerrijke bron- en kwelwater boven het maaiveld komen te liggen en is het gebied weer dusdanig laag komen te liggen, dat ook het regenwater kan worden vasthouden en er een 2 ha. grote plas is kunnen ontstaan. Zoals je ziet, trekken dit water en de omliggende weilanden vooral veel watervogels en weidevogels aan.

Het Wijffelterbroek is vanaf de Bocholterweg via een pad begaanbaar

Ruim 100 jaar geleden is men begonnen om het Wijffelterbroek om te toveren tot een florerend landbouwgebied. Dat heeft ongetwijfeld veel zweet gekost. En nu in de 21 e eeuw gaan we weer stukken daarvan teruggeven aan de natuur en krijgt die zelfde natuur weer alle kans zich te plooien en te ontplooien. Zoals het ooit was, zal het nooit weer worden, maar dat deze ontwikkeling niet alleen een verrijking is voor de natuur, maar ook voor de mens, moge duidelijk zijn.

Ontsnippering kun je namelijk opvatten in de ecologische betekenis van het woord; het verbinden van natuurgebieden, maar heeft ook een maatschappelijke betekenis; het verbinden van mensen, ofwel betrokkenheid van bewoners, plaatselijke natuurgroepen, beheerders, bestuurders en recreanten. In een gebiedsvisie van het Wijffelterbroek (of zo je wil van Kempen~Broek) moet daarom niet alleen de natuur, maar ook cultuurhistorie, landbouw en recreatie een plek krijgen.

Blogarchief