Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Translate

Volgers

zondag 30 december 2012

Weerterbos, Waterbos

Op veel plekken in Nederland hebben natuurlijke klimaatbuffers de afgelopen dagen hun werk gedaan: vasthouden en opvangen van (regen)water. Klimaatbuffers kosten miljoenen euro’s, maar ze kunnen ook geld opleveren. Zo kan het langer vasthouden van water in de waterbuffers bijvoorbeeld voordelen hebben voor de economie (voldoende water voor stad, landbouw en industrie), het leefklimaat (verkoeling tijdens hete zomers, lager fijnstofgehalte, recreatie), veiligheid (voorkomen van wateroverlast en overstromingen stroomafwaarts) en voor de natuur (o.a. herstel natuurlijke vegetatiestructuur en behoud van biodiversiteit).

Lange tijd is het snel afvoeren van rivierwater gezien als de beste aanpak om wateroverlast het hoofd te kunnen bieden. Sinds kort denken we juist het tegenovergestelde: geleidelijk afvoeren van water door het langer vast te houden bij de brongebieden, evenals ruimte geven aan het water in de (nieuwe) natuur.
Het Weerterbos, dat tot het stroomgebied van de Maas behoort, is zo’n brongebied.
Hoog tijd dus om eens te gaan kijken of het Weerterbos ook haar steentje heeft bijgedragen.

Retentiebekken 't "Krieëtje" gezien vanaf de Grasdijk (achter Daatjeshoeve)
Het Weerterbos was, vanwege zijn ligging in een laagte, oorspronkelijk een moerasbos. Het was in de 18de eeuw nog één geheel met de Groote Peel, Deurnsche Peel en Mariapeel. De ontginning in de 19e en 20e eeuw heeft geleid tot een sterke ontwatering, waardoor het Weerterbos verdroogde.
Door Stng. het Limburgs Landschap wordt weer getracht terug te keren naar het oorspronkelijke moerasbos.

Achterste Hout/ Grootven
Door de aanleg van waterbuffers, de aanleg van stuwen en ontwateringsloten geheel of gedeeltelijk te dempen kunnen de doorstroommoerassen en vennen zich herstellen en wordt het waterbergend vermogen vergroot.

Deze ‘natuurlijke sponsen’ houden water vast tijdens zware regenbuien, om het tijdens droge perioden langzaam weg te laten stromen. Dit voor- komt overlast in natte perioden en verdroging in droge tijden. Een natuurlijke klimaatbuffer die twee kanten op werkt! Als je in het Weerterbos water langer vasthoudt zullen er benedenstroom minder problemen met wateroverlast optreden. Dit effect is echter nog vrij beperkt en het werkt eigenlijk nog alleen in het gebied zelf... Het is nu meer een voor- beeld van ‘vasthouden aan de bron’. Pas als je het op grote schaal toepast, werkt het ook benedenstrooms.

Zie ook : Vernatting Weerterbos. , Weerterbos ingericht als klimaatbos. en Vennen in het Weerterbos.

Koolespeelke

zaterdag 29 december 2012

Konikpaard

Het konikpaard is nieuwsgierig en niet schuw, waardoor er snel contact met de dieren is
In het grensoverschrijdende natuur- gebied Kempen-Broek lopen grote grazers rond, waarvan de TaurOs natuurlijk het meest opvalt. De Belgische partner “Natuurpunt Limburg” heeft in Smeetshof gekozen voor het konikpaard. Dat tref je aan in het noordelijk deel van het Smeetshof; het overstroommoeras waar Lechterrietbeek en Veldhovenbeek stromen. Samen met galloways zorgen ze jaarrond voor de begrazing van het gebied.

Waarom konikpaarden? Deze dieren grazen het gras korter af dan runderen. Ze zorgen voor een hele andere vegetatiesamenstelling, waardoor een soort “paardenwei” ontstaat. Hun latrines (vaste poepplekken) in het gebied daarentegen, verruigen het juist, omdat daar niet gegeten wordt en de mest voeding brengt. Door dit effect zorgt het konikpaard voor diverse flora en fauna en helpt het de natuurbeheerders. De galloways zorgen voor de ruigere vegetatie.

"sociale" ontmoetingsplaats bij de vaste poepplekken (latrines)
Vijftienduizend jaar geleden leefden er al paarden in Europa. Dit oerpaard, dat helaas is uitgestorven, heette de tarpan. De tarpan leefde onder andere in Polen en Wit-Rusland. Daar hebben boeren vroeger vaak hun tamme paarden met wilde paarden gekruist. Deze paarden werden door hen "konik"genoemd. Konik betekent “klein paard”. Het is bekend dat de tarpan tot in de 18de eeuw in de grote oude bossen en moerassen van Bialowieza in Polen voorkwam. De laatste beschreven tarpan stierf in 1887 in gevangenschap in de dierentuin van München.

Men is op de Poznan Universiteit (Polen) in 1936 begonnen met het 'terugfokken' van de oorspronkelijke uitgestorven tarpan. De Poolse overheid vorderde daarvoor alle konikpaarden die tarpanachtige kenmerken toonden. Het resultaat van dit fokprogramma is dat semi-wilde kuddes van moderne "tarpan" of konikpaarden vandaag de dag gezien kunnen worden. Veel van de konikpaarden kunnen gevonden worden in natuurgebieden in Europa. Zijn schofthoogte is maximaal 1 meter 40. Klein van stuk dus, maar robuust en bestand tegen extreme weersomstandigheden. Het paard heeft een herkenbare aalstreep over zijn rug lopen. Verder heeft hij een brede rug, een korte, dikke hals, relatief korte oren en gespierde dijen. De kleur van deze dieren kan verschillen, maar ligt meestal tussen muisgrijs en bruin.

De Konik paarden in Nederland zijn eigendom van de Stichting Ark, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, en een aantal andere natuur beherende organisaties.
Stichting Ark bezit 17 bloedlijnen, de overige 5 lijnen bevinden zich in Polen. Ze werden in 1982 voor het eerst in de Nederlandse natuurgebieden geïntroduceerd. De Konik populatie bedraagt momenteel zo'n 2500 stuks, over de hele wereld gezien. Van dat aantal lopen er ca. 1200 in Nederland en aangrenzende Belgische gebieden!

Konikpaarden, dus ook die in het Smeetshof, hebben een “nadeel” waar je als bezoeker rekening mee moet houden; ze zijn namelijk nieuwsgierig en niet schuw. Hierdoor is er snel contact met de dieren, die naar je toe komen rennen als ze je opmerken. De Koniks gedragen zich meestal rustig, maar... blijf attent, want het blijven beesten die in het wild zijn opgegroeid en onvoorspelbaar zijn. Soms worden ze te opdringerig en komen ze zich met z'n allen om je heen verdringen. Als ze zich bedreigd voelen, schrikken, of elkaar aan de kant duwen, kunnen ze je gemakkelijk omverlopen.
Ze lopen er het hele jaar, maar in de winter is er niet voldoende gras aanwezig en worden ze bijgevoerd.


Grotere kaart weergeven

donderdag 27 december 2012

Weerterheide op Tweede Kerstdag

Gistermorgen, Tweede Kerstdag, was het met momenten heerlijk weer. Zelfs het zonnetje liet zich bij tijd en wijlen zien. Dat heet winter anno 2012...
Een uitstekend moment om even een wandelingetje te maken op het zuidelijk deel van de Weerterheide en wat calorieën kwijt te raken. Het was genieten van het weer, de omgeving en de stilte.

De Weerterheide maakt deel uit van het ruim 900 ha. grote natuurgebied "Weerter- en Budelerbergen". Het is een schakel in het oorspronkelijk aaneengesloten Kempen-Broek, dat in de loop der eeuwen versnipperd is geraakt in kleinere, kwetsbare deelgebieden. Een schakel, met aan de ene kant het Weerterbos en aan de andere kant de Boshover- en Loozerheide. De Geuzendijk, de verbindingsweg van Weert naar Budel splitst het gebied als het ware in tweeën. Zowel het noordelijk als het zuidelijk gebied wordt gedeeltelijk gebruikt als militair oefenterrein en bestaat voornamelijk uit naaldbos en stuifzand gebieden.
Op het zuidelijk gedeelte, achter recreatiepark De Weerterbergen tot aan de IJzeren Rijn Spoorweg, worden momenteel diverse onderhoudswerkzaamheden door Natuurmonumenten uitgevoerd in het kader van stuifzandherstel. Door het steeds verder dichtgroeien van het terrein, onder andere door natuurlijke aangroei en bosaanplant, gaan de natuur- landschappelijke- en aardkundige waarden van het terrein namelijk achteruit.



De werkzaamheden bestaan uit het verwijderen van jonge begroeiing van hoofdzakelijk grove dennen in de open terreinen, het kleinschalig plaggen van de vergraste terreindelen en het kappen en dunnen van kleine houtopstanden in het centrale deel van het stuifzandgebied. De bosrand wordt ook uitgedund.


Grotere kaart weergeven

maandag 24 december 2012

Smeetshof

Euforie bij de natuurverenigingen naar aanleiding van een primeur; na de bever in domein Smeetshof en een wilde kat, is daar nu ook een otter ontdekt met een cameraval. De eerste in Limburg(NL + B) na bijna 50 jaar! Daar droomde men al van, maar dat het nu al realiteit is, had niemand durven denken.

ARK Natuurontwikkeling is samen met het Waterschap en andere partners, bezig met het aanleggen van otterpassages onder bruggen en duikers. Het is de bedoeling dat een groot deel van de M.Limburgse beken eind 2013 “otterveilig” is, zodat sterfte in het verkeer vermindert en er dieren uitgezet kunnen worden.
Dat er nu al spontaan een otter opduikt, is een teken dat het ingezette moerasherstel "smaakt". Een otter heeft immers grote, aaneengesloten waterrijke gebieden nodig. Dat belooft wat voor de toekomst....

Het domein Smeetshof is nu een 180 ha. groot, uitgestrekt waterrijk moerasgebied, op de grens met het Belgische Bocholt en het Nederlandse Altweerterheide. Het maakt deel uit van het grensoverschrijdende natuurpark Kempen-Broek en sluit aan bij de natuurgebieden Wijffelterbroek en Kettingdijk (Ned) en Luysen met Stramprooierbroek(B.). Het gebied is een restant van het Bocholterbroek, dat in het verleden samen met het Wijffelterbroek, een moerasgebied van liefst 5000 ha vormde.


Tussen 1855 en 1869 werd een ontwateringsgeul gegraven om het Bocholterbroek te kunnen ontginnen. In totaal werd 2500 ha. (!!!) drooggelegd voor landbouw. Ongeveer 6 km. van deze 25 km lange Lossing of (op zijn Frans) “Emissaire”, loopt als een natuurlijke grens tussen Nederland en België.Later is een aansluiting gemaakt met de Raam in Nederland.

In 1873 kocht een weduwe uit de adellijke familie de l’Escaille-d’Erp de Holt (met ook een 280 ha. groot natuurgebied en kasteel in Hamont-Lo) de gronden, maar verkocht die kort daarna weer aan de Brusselse advocatenfamilie de Mahieu. In 1874 bouwde die hier een hoeve en in de jaren daarna werd het terrein geschikt gemaakt voor de landbouw. Het moeras raakte daardoor steeds meer versnipperd en er verschenen ook nog eens naald- en populierbossen.

De volgende eigenaars waren de gebroeders Smeets uit Eksel. Die verbouwden de boerderij in 1913 en aan hen heeft de hoeve en het domein de naam te danken. Gedurende de jaren '70 van de 20e eeuw kwam het domein in bezit van een industrieel, die de landbouwgrond vooral gebruikte als maisakkers. Aan de hoeve en het natuurbelang werd in die periode nagenoeg geen aandacht geschonken, waardoor het gebied er verwaarloosd bij kwam te liggen.

In 1999 werd het gebied aangekocht door “Natuurpunt” en in 2004 werd samen met de Vlaamse overheid gestart met het herstel van het ooit zo legendarische grensmoeras. In de oude hoeve, gelegen aan de Weerterweg, is een onthaalcentrum ingericht. Van daaruit starten verschillende interessante wandelingen door het gebied.

zondag 23 december 2012

Beversporen in “het Smeetshof”

In 1770 werd het domein Smeetshof nog in kaart gebracht als een onbegaanbaar moeras. Een eeuw later is op de grens met Nederland de "Lossing" of "Emissaire" gegraven, een kunstmatig afwateringskanaal. Het steeds droger wordende gebied werd geleidelijk in cultuur gebracht en ontgonnen tot landbouwgebied. Afgewisseld met bosjes en stukjes hei zoals in het Kreielerbos.
Het Smeetshof wordt alleen door de Lossing gescheiden van het Nederlandse Wijffelterbroek.
Naast het Wijffelterbroek vormen ook de Kettingdijk en de daarnaast gelegen Laurabossen een natuurlijk Nederlands “verlengstuk” voor het Smeetshof.


In 2004 startten Natuurpunt (sinds 1999 eigenaar), de Vlaamse Landmaatschappij en de Afdeling Natuur van het Vlaams Gewest, met het herstel van het ooit zo legendarische grensmoeras.
Er wordt sinds een aantal jaren nauw samengewerkt met de Nederlandse Stichting Ark.

Er zijn verschillende beken die in de Lossing uitkomen, maar het zijn vooral de Veldhoverbeek en Lechterrietbeek (in het noordelijke deel) die zorgen voor een in ere hersteld 'overstroommoeras'.
In periodes met veel regen overstroomt met name de Veldhoverbeek en loopt het er naast gelegen moerasgebied onder water. Hierdoor schommelt de waterstand in dit moeras voortdurend. Dat is een goede ontwikkeling voor planten, moerasvogels en dieren zoals de reiger, ijsvogel en de bever! Die houden immers van een gevarieerd moerassig leefgebied. Ook de otter en een wilde kat zijn daar onlangs gesignaleerd.
Waar de Veldhoverbeek en de Lechterrietbeek  uitmonden in de Lossing, heb ik verschillende beversporen aangetroffen.

De winter is bij uitstek de tijd om sporen van de bever te zoeken. Vooral in de winter knagen bevers namelijk aan struiken en bomen en zijn deze sporen goed te vinden. Bevers zijn vegetariërs en eten in de zomer allerlei waterplanten. In de winter zijn die niet beschik- baar en schakelen ze over op het eten van twijgen en bast van struiken en bomen. Aangezien bevers niet kunnen klimmen, knagen ze dus bomen en struiken om, zodat ze de verse jonge twijgen in de toppen kunnen opeten.
Behalve doorgeknaagde boom- pjes en de knaagsporen zag ik ook verschillende wissels (looppaadjes) met sleepsporen van en naar het water, pootafdrukken in de modder en houtsnippers op plekken waar takken afgeknaagd waren.
Bij de Stichting Ark is een mooie Zoekkaart beversporen te downloaden.

In de lossing is door zijn/haar toedoen een dammetje ontstaan, waardoor het water langer wordt vastge- houden en de waterstand in het achterliggend gebied verhoogd wordt, zoals je ook duidelijk kunt zien.



Grotere kaart weergeven

vrijdag 21 december 2012

Tungelderse Wel “Soevenier van hieël vreuger”

“Tungelderse Wel”….. Wie kent die niet?
De MoosHoofPaadZengers wisten het in 1976 zo treffend in het Rooys te zingen.
Het gebied bevindt zich ten westen van Tungelroy, maar ligt (in tegenstelling wat je zou verwachten), voor het grootste deel op grondgebied van Altweerterheide.
Hele generaties beleefden hier op en rond de enorme zandbak die de Tungelerwallen (Tungeler Wallen?) vanouds was, tijdens jeugdkampen, kinder - vakantiewerk, of gewoon met klasgenootjes en vriendjes, de nodige avonturen, zoals land veroveren, vossenjachten en speurtochten .
En op latere leeftijd op de plaid ☺..…..

De ‘Wel’ heeft dan ook een bijzondere plek in de harten en hoofden van veel bewoners van Weert en Stramproy. Het was juist de grote variatie, die het gebied zo aantrekkelijk maakte voor alle leeftijden.

De Tungelerwallen waren oorspronkelijk geen heide- en stuifzandgebied. Omstreeks 3000 v. Chr. bestond het gebied nog uit dekzandgrond. Er is verband tussen landbouwactiviteiten en zandverstuivingen:
Door ingrijpen van de mens rond 1600 voor Chr. (bronstijd) ontstond de eerste erosie in de dekzandgronden in Weert. De eerste boeren verwijderden namelijk de oorspronkelijke plantengroei (door afbranden) en bewerkten de grond. Nadat ze die enkele jaren achter elkaar hadden gebruikt, verarmde de grond en werden er andere percelen in gebruik genomen. Op de oude akkers groeide na enige tijd heide, of als de grond uitgeput was en er geen planten meer op groeiden, werd de bovenlaag van deze arme zandgronden door de wind weggeblazen en ontstonden de eerste stuifzandgebieden. Dat was met name in de Budelerbergen, Boshoverheide en ook de Tungelerwallen.

In de vroege middeleeuwen en laat-middeleeuwen traden ook zandverstuivingen op, omdat de Weerter boerenbevolking plaggen stak, die ze in de stal gebruikte. Het mest uit deze zogenaamde potstallen werd gebruikt voor de bemesting van de arme zandgronden. De akkers die op deze wijze zijn bemest, noemt men vanwege de vorm bolakker. Deze vanuit het midden glooiende akkers, zijn kunstmatig ontstaan door de manier van ploegen in die periode. Zo'n bolakker vind je nu nog o.a. aan de rand van het bos,waar vroeger het ambonezenkamp lag.
Met behulp van pollenanalyse is aangetoond, dat de stuifzanden van de Tungelerwallen op het eind van de middeleeuwen vooral zijn ontstaan door het afsteken van heideplaggen voor de plaggenbemesting.
(bron: J.M. van Mourik, Zandverstuivingen en plaggenlandbouw; het bodemarchief van Tungelroy, 1993).

Stichting Natuurmonumenten heeft 22 ha. van het 180 ha. grote gebied in eigendom. Het merendeel van de (kleine) percelen dat in particulier eigendom is, is bebouwd met naaldbomen en verder gebeurt er eigenlijk niks meer. Het karakteristieke open stuifzandgebied dreigt steeds meer dicht te groeien met bomen en struiken (zoals de Amerikaanse vogelkers) wanneer er niet snel ingegrepen wordt. Hierdoor verdwijnen ook de warme en open plekjes of het lekkere warme zand voor onder andere de veldkrekel en worden zeldzame korstmossen, zoals bijvoorbeeld ijslandsmos, verdrongen. Ook soorten als de levendbarende hagedis, boompieper,nacht- zwaluw en boomleeuwerik kunnen hier niet meer leven, als er niet snel iets gebeurt.

Om het gebied te redden moeten bomen en struiken gekapt en gezaagd worden. Daarom is Natuurmonumenten bezig de openheid in de Tungelerwallen weer te herstellen. In de buurt waar de veldkrekel voorkomt, verdwijnen stukken bos zodat de krekel weer kan "zonnebaden" op zonnige plekjes of in lekker warm zand en de kans krijgt zijn leefgebied uit te breiden. De nieuwe bosranden krijgen een golvende natuurlijke vorm. Er zal echter nog veel moeten gebeuren om de Tungelerwallen weer het kenmerkende afwisselende gebied met heide, stuifzand en bos te laten worden.

rigoureuze ingrepen zijn nodig om zo open plekken te creëren
Het is dan wel niet de mooiste tijd van het jaar, maar toen ik er van de week liep, was het “soevenier van hieël vreuger” toch heel ver te zoeken; het ziet er momenteel, vanwege de kap, op sommige plaatsen (o.a. aan de Telheideweg) uit of er een bom is gevallen en je hoort of ziet niets en niemand. Dat komt, zo verwacht men, weer goed.

Ik ben benieuwd hoe lang het natuurherstel op zich laat wachten en we weer overal het “kri-kri-kri” geluid van de tjirpende veldkrekelmannetjes horen. En wellicht profiteren andere dieren zoals de boomleeuwerik, boompieper, nachtzwaluw, hagedis, sprinkhaan en vlindersoorten hier ook van. Dat zou in elk geval een prachtige ontwikkeling zijn in het ooit zo mooie stiltegebied.

Tot die tijd kan de plaid in de auto blijven liggen!!! en zullen we het nog moeten doen met
de “Tungelderse Wel” van de MoosHoofPaadZengers……..

LAATSTE NIEUWS:
Bij een bezoek aan de open kapvlakte op 26 juni waren her en der al krekels te horen. Ze hebben dus niet lang op zich laten wachten. Alsof ze er op zaten te wachten. Zo snel had ik het niet verwacht...
Op 23 augustus stond tevens in de krant dat er zelfs enkele nachtzwaluwen zijn waargenomen. Ook de nachtzwaluw heeft openheid in het landschap nodig om te kunnen jagen op insecten en heeft die plek in de Tungelerwallen dus ook al ontdekt. Een positieve ontwikkeling en een initiatief dat navolging verdient.

 
Op bovenstaande foto's, die dus op 26 juni zijn genomen, is heel goed te zien hoe snel het natuurherstel aan de Telheideweg plaatsvindt. Je ziet overal jonge heiplantjes verschijnen, maar ook de grove den, berk, vogelkers, braam en grassen steken de kop op. Zonder beheer zal het gebied weer in korte tijd dichtgroeien.

Gelukkig zijn er ook vrijwilligers, die dit op meerdere plaatsen door hun inzet weten te voorkomen. Vooral de Ecologische Werkgroep Weert Zuid en de lokale scouting van Tungelroy zetten zich in door kleinschalig beheer op enkele privépercelen zoals "bie René", "bie Toos", het "Armenbos" en de "Böskes" op de Kleine Wel.
Deze werkgroep gaat ook tijdens de jaarlijkse Nationale Natuurwerkdag in de "Wel" aan de slag.


Grotere kaart weergeven

woensdag 19 december 2012

Gele trilzwam; kleur in sombere dagen

Voor de meeste mensen zijn paddenstoelen onverbrekelijk verbonden met de herfst. Dat is een misverstand. Paddenstoelen zijn er het hele jaar door, zelfs in de winter. Zeker nu, vanwege het zachte, regenachtige winterweer, zie je ze nog overal.

Op deze donkere dagen rond de jaarwisseling is kleur in de natuur schaars. De gele trilzwam die ik langs de Lossing bij de Kettingdijk in Altweerterheide zag, sprong dan ook al van ver meteen in het oog. Als een kleurig snoepje hing ie, precies op ooghoogte, op een tak. Ik kon ‘m dus goed bewonderen. Het vruchtlichaam bestaat uit een propje van gelatineuse, slappe hersenachtige geplooide "lobben". Ze zien er vochtig uit en voelen glad aan, maar als je er zachtjes in knijpt, zijn ze verrassend veerkrachtig. En ondanks de kou zullen ze voorlopig niet bevriezen, alsof er een natuurlijk antivries in zit. De gele trilzwam komt dan ook het hele jaar voor en overleeft klaarblijkelijk zelfs vele weken van sneeuw en strenge vorst. Hij kan tot 10cm breed worden.


Het exemplaar dat ik zag, is zoals je ziet overigens niet geel maar knaloranje. De kleur is afhankelijk van zijn leeftijd en zijn vochtgehalte. Alleen de jonge exemplaren zijn geel. Als hij wat ouder is, wordt hij meer oranje, trekt dan langzaam bleek weg en als hij verdroogt verschrompelt hij tot een taai donker oranje velletje. Na een regenbuitje kan hij echter weer opzwellen tot zijn oorspronkelijke vorm en krijgt hij weer meer kleur. Een taaie rakker dus, deze paddenstoel.

De gele trilzwam is een parasiet. Hij haalt zijn voedingsstoffen dus niet uit (dood) hout, maar uit een ander levend organisme. Meestal is dat (zoals op de foto) een kleine schorszwam.(dit is een voor mij onbekende soort).

Volgens een oud verhaal verschijnt deze zwam in je tuin als je vervloekt bent door een heks. De beste manier om de vervloeking ongedaan te maken is het zwammetje lek te prikken met een speld!!!!!.


Tip voor wie in de komende wintermaanden de ijsbloemen moe wordt:
kijk eens uit naar "bloeiende" paddenstoelen.....

dinsdag 18 december 2012

Dood doet leven

Terwijl jaren geleden het idee overheerste dat de bossen er mooi opgeschoond bij moesten liggen, is deze tendens gelukkig aan het veranderen. Een opgeruimd bos “leeft” namelijk niet. De terugkeer van dood hout in onze natuur levert veel op: er is niet alleen meer beschutting, maar ook spechten, kevers, mossen, schimmels en nog veel meer dieren en planten profiteren, want het maakt deel uit van een voedselketen.
Er is zo veel meer te zien om van te genieten en onze natuurbeleving neemt toe.

Dode dieren zijn minstens zo belangrijk, maar zijn (helaas) nog geen algemeen gedachtegoed. Het laten liggen van grote dode dieren in de natuur is (nog) ongebruikelijk in Nederland. Mensen ervaren bij het zien en ruiken van een dood dier een heftige reactie. Bah…
Vaak maakt de eerst gevoelde afkeer echter even later plaats voor belangstelling en fascinatie. Er is ook zo veel te zien, want de aasetergemeenschap is best wel groot en divers.

Poster “Kadaverfauna”, getekend door Jeroen Helmer/ARK
Dode dieren zijn onmisbaar in de natuur. Een dood dier vervult de functie van een druk bezocht “restaurant”, waar honderden andere dieren aanschuiven. Imposante soorten zoals raaf, vos of gier, maar ook kleiner grut zoals aaskevers, vliegen en kledingmotjes. Kadavers vormen daarmee de laatste schakel in een ingenieuze voedselketen. De dood van het ene dier, betekent het (over)leven voor een ander. Kijk maar eens op de poster “Kadaverfauna” die gratis te downloaden is.

In het project ‘Dood doet Leven’ wordt getracht om dode dieren, klein én groot, weer een plek te geven in onze natuur. Dit wordt mogelijk gemaakt door steun van de Provincie Limburg en de samenwerking van verschillende Nederlandse- en Vlaamse natuurorganisaties. In de blog "struintocht naar kadavers" vertel ik hier wat meer over.

Met die terugkeer kan een einde komen aan het magere bestaan dat de kadaverfauna leidt. Bij gebrek aan grote kadavers zijn waarschijnlijk de rode wouw, zwarte wouw en raaf uit ons land vertrokken en vermoedelijk eerder ook al de (monniks)gier. Om de belangstelling van grote aaseters te wekken, is een continue aanwezigheid van grote kadavers (o.a. ree, das, wild zwijn, beverrat) nodig. Dit is soms lastig.

Er wordt in het project gekozen voor gezonde dieren die zijn aangereden en door bevoegde personen worden gekeurd. De dode dieren vormen dus geen gevaar voor de gezondheid van omwonenden of omringende dieren. Vervelende, door dieren overgedragen ziektes, worden trouwens meestal door levende dieren overgedragen.

De dode dieren, die er worden neergelegd, liggen op plaatsen buiten de gangbare paden.
Zo heeft men, net voordat de eerste sneeuw viel, bij de Graus, in het Wijffelterbroek, een dode das neergelegd. Mocht je willen kijken, dan is niet aanraken en afstand houden het advies. Het afbraakproces wordt er dag en nacht gefilmd. Live-beelden zijn te zien op de site van Dooddoetleven. Tenminste…..
Daar zijn ook archiefbeelden op te vinden.


Grotere kaart weergeven

zondag 16 december 2012

Roeventerpeel 1

Enige tijd geleden heb een bezoekje gebracht aan een nieuw ontwikkeld natuurgebied, waar ik nog niet was geweest: het 21 ha grote Roeventerpeel. Het gebied ligt in een laag moerassig deel, dat wordt omringd door hogere zandgronden.

In de Roeventerpeel, vroeger ook wel Boevenderpeel genoemd, ligt een onlangs hersteld ven te pronken. Het was oorspronkelijk een lang en smal ven, dat doorstroomd werd door de Leukerbeek. Deze ontstond als een samenvloeiing van o.a. de Roevenlossing, Kraanlossing, Schoorlossing en vooral de Einderbeek. Via een nieuw aangelegde loop van de Einderbeek wordt nu het voedselrijke(landbouw)water langs de westkant van de Roeventerpeel geleid. De andere lossingen zijn afgekoppeld, zodat ze stilstaand in de Roeventerpeel achterblijven. Stroomafwaarts sluiten de Kootspeel , Moeselpeel en Roukespeel hier op aan.

De Roeventerpeel, sinds 1971 eigendom van Stichting het Limburgs Landschap, vormde vroeger een belangrijke schakel in de reeks Limburgse - en Brabantse Peelvenen. Het was toen één groot moerasgebied (zoals je op een oude kaart van 1892 kunt zien), waar alleen de Schoordijk(weg) door heen liep.

oude historische kaart van 1892
Roeven komt oorspronkelijk van Roederven. Letterlijk betekent dit: rood ven. Het verwijst naar het bruine, ijzerhoudende water.
Het gebied lag in het beekdal van de Einder- beek. Omdat dit dal een langgerekte ondiepe laagte was, stroomde het water langzaam over een grote oppervlakte weg en ontstonden grote vennen. Omdat de afvoer traag verliep, kun je eigenlijk beter spreken van een doorstroommoeras, waarbij het water van ven naar ven stroomde.

Enkele vennen in het Roeventerpeelgebied waren Schoorkuilen, Kwegt en Roeventerpeelven. Deze sloten aan op de andere Peelvennen zoals Sarsven, de Banen, Vlakwater en de Zoom.

Bij de aanleg van Kanaal Wessem - Nederweert (1929) werd de vrijkomende grond gebruikt om de ernaast gelegen natte laagtes op te hogen. Zo werd nagenoeg de hele noordkant en een gedeelte van de zuidkant van het moerasgebied gedempt. Op sommige plaatsen werd wel 3 meter zand op de veenbodem gestort, waardoor het oorspronkelijke karakter helemaal verloren ging. Het zand bedolf de unieke vegetatie die toen in de Roeventerpeel groeide (b.v. waterlobelia en biesvaren). Het was meteen ook het einde van de Schoorkuilen en de Kwegt. Het Roeventerpeelven kwam helemaal geïsoleerd te liggen tussen het kanaal, het spoor (aangelegd in 1879 als Nederlands deel van de IJzeren Rijn), de Roermondseweg en de later in 1970 aangelegde A2 tussen Nederweert en Kelpen-Oler. Van het oorspronkelijke grote moerasgebied met een unieke flora en fauna, bleef dus nagenoeg niets meer over.

Vroeger had het afgesplitste gebied met het ven nog een "functie" als leverancier van bijvoorbeeld, turf, hout en vis, maar in naoorlogse jaren werd het als “overbodig” en onrendabel gezien en gebruikt als stortplaats van huisvuil en deels dicht gegooid met zand om als landbouwgrond te dienen. Het ven is uiteindelijk nagenoeg geheel verland en dicht gegroeid met riet en struikgewas. De stortplaats werd in 1957 verplaatst naar de Kootspeel, die vanwege de aansluiting van de riolering sinds de jaren 30 van de vorige eeuw bekend stond als "Stroontpieël".

De moeilijk begaanbare noord-westkant
In 2010 is door een natuur- en landschapsherstelproject van het Limburgs Landschap, het vuil en opgebracht zand verwijderd en een ven van zo’n 11 hectare ontstaan.

Hoewel het vanwege rabatten met afwateringsslootjes aan de zuidwesten- en westenkant niet echt nat is, is het er vanwege de ruige begroeiing en het ontbreken van paadjes niet goed toegankelijk. Ik ben desondanks deels om het ven heen kunnen lopen, totdat ik halverwege bij de oude en afgesloten Leukerbeek (die midden in het gebied ligt), kwam en noodgedwongen rechtsomkeert moest maken. Je kunt er volop genieten van de mooie typische venplanten en de natuurlijke afwisselende venoevers die weer nieuw leefgebied zijn voor libellen, amfibieën en talloze watervogels.

Ik heb er aan de westkant zowaar beversporen aangetroffen. Een teken dat het goed gaat met het huidige waterbeleid en een mooie impuls voor een aantrekkelijk en soortenrijk landschap.
In mijn volgende blog zal ik het ven vanaf de oostkant bekijken.




LAATSTE NIEUWS:

Op 18 februari van dit jaar heeft Anthony vd. Loo met behulp van een cameraval bij de Leukerbeek (vlak bij de Roermondse weg),een foto van een (jongere?) bever kunnen maken. Mogelijk dat dit dier van de Roukes- peel af komt. Het ziet er naar uit dat het dier (of dieren?) zich hier langer gaat vestigen. TOP......




Grotere kaart weergeven

Roeventerpeel 2

In mijn blog Roeventerpeel 1, heb ik al een en ander over de Roeventerpeel verteld. Ik had toen een bezoek gebracht aan de noord-westkant. Vandaag ben ik aan het natte grasland aan de oostkant geweest, waar je een goed, of zo je wil beter, overzicht op het nieuw ontwikkelde 11 ha. grote ven en het daar achter, zuid-westelijk en westelijk gelegen, elzenbroek- en droger eikenberkenbos met rabattenhebt. De graslandpercelen aan de oostkant heeft men geplagd en afgegraven. Vooral vanwege kwelstroompjes is het daar nu erg nat.Deze kwelstroompjes komen uit in het open water van het ven. Vegetatie is vooral (nog) pitrus. Door de verruiging van het grasland is dat gedeelte rijk aan insecten en amfibiën.


Hoewel het westelijk gelegen deel het droogste stuk van het peelgebied is, is het moeilijk begaanbaar. Dit vanwege de rabatten en de bodembegroeiing die vooral uit bramen en vuilboom (het zgn. "pinnekeshout") bestaat. Rabatten zijn langwerpige ophogingen die gelegen zijn tussen greppels. Rabatten werden aangelegd op zeer natte, moerasachtige bodems.

Tijdens de economische crisis in de jaren '30 van de 20e eeuw werden, in het kader van ontginningsprojecten, in dit gebied werklozen ingezet om de rabatten aan te leggen. De grond die uit de greppels afkomstig was, werd gebruikt om het rabat mee op te hogen. De methode wordt in de bosbouw toegepast om droge stroken te verkrijgen, waarop dan de bomen geplant worden. De greppels dienen ter ontwatering.

Door een meer natuurlijk beheer van het gebied zijn de rabatten met de afwateringsslootjes nu overbodig geworden en verdwijnen langzaam door niet meer te ontwateren en de natuur daar zijn gang te laten gaan. Te vernatten dus....


Het weiland aan de oostkant van het ven is op veel plaatsen moeilijk begaanbaar

In zo'n nat grasland voelt de bruine kikker zich goed op zijn gemak

Door de vernatting zie je al snel verruiging van de oostelijk gelegen weilanden

woensdag 12 december 2012

De Raam en ‘t “Brook”.

De Raam, onlosmakelijk verbonden met het Wijfelterbroek, sluit aan op de Tungelroyse Beek en is in de dertiger jaren van de vorige eeuw gegraven voor een snelle ontwatering van het moerasgebied en snelle afvoer van het water. Dit alles gebeurde met schop, kruiwagen en kiepkar.

Lossing die aansluit op de Raam

Wijffelterbroek, Sanson 1631
Het Wijfelterbroek was oorspronkelijk vele malen groter en vormde met de naburige Kruispeel en Kalverpeel, Vetpeel, de latere Kettingdijk, Delbroek,  en Dijkerpeel één groot gebied dat zich uitstrekte tussen Weert en Bocholt en reikte tot Altweert en Stramproy. Tot in het begin van de 20e eeuw bleef het een nagenoeg ontoegankelijk moerasgebied met een grootte van ongeveer 450 ha. Het gebied sloot aan op de huidige Smeetshof (B), Kettingdijk en Laurabossen. Van het oorspronkelijke gebied is nu nog slechts ongeveer 50 ha. over.
De naam heeft niets te maken met weifelen (van wie het broek bijvoorbeeld was), maar komt van het Middelnederlandse "Vivetersbroek". Viveter betekent: vlinder. Op de 17e eeuwse kaart van Sanson staat het gebied overigens aangegeven met "Wiwetersbroeck".
De link vlinder en Wijffelter-broek ontgaat mij echter. Mijn voorkeur gaat dan ook meer uit naar het Oudfranse vîvere en vîver wat o.a. poel, stilstaand water, vijver, maar ook diergaarde betekent. Vivus betekent levend. Vîvere is afgeleid van het Latijnse vîvarium en wīwāri, (dierentuin, visvijver, waterbekken en plaats waar levende dieren worden gehouden). (Bron: etymologiebank.nl)

Spotprent Wijffelterbroek 1900
In 1898 werd een consortium van 8 heren uit de stad opgericht, om de plannen van de Nederlandsche Heidemaatschappij voor de drooglegging van het Wijfelterbroek te realiseren. De waterstand moest omlaag om vruchtbare weilanden te kunnen krijgen. De mensen hadden er weinig vertrouwen in, wat blijkt uit bovenstaande, in 1900 gepubliceerde spotprent van een zekere F. Smeets op de plannenmakerij. Toch begon de ontwatering en ontginning van een deel van het gebied in 1902, nadat het consortium op 15 april 1901 260 ha. van de gemeente Weert pachtte voor een periode van 50 jaar, tegen een jaarlijkse pacht van fl. 1560.

De ontginningswerkzaamheden geschiedden door de Nederlandsche Heidemaatschappij. Honderden mensen hebben in de daaropvolgende jaren werk gevonden bij de opgerichte "Weerter Exploitatiemaatschappij  Het Wijffelterbroek”.  Het gebied werd 't "Brook" genoemd.

Gedicht n.a.v. bezoek der Ned. Heidemaatschappij in 1904.
Alvorens met de ontginning van het 260 ha. grote gebied te beginnen, was het noodzakelijk om het terrein voldoende te ontwateren, want een groot gedeelte van het jaar stond het bijna in zijn geheel onder water. Het komvormig gelegen terrein van Kalverpeel tot aan de Heltenbosbrug werd in het midden doorsneden door een tweetal beekjes (eigenlijk kleine slootjes), namelijk de Spekkeloop en de Rietbeek. De beekjes kwamen samen en stroomden als “Jungelroijsche beek” verder richting Maas. Voor een goede afvoer werd door de Provinciale Water- staat de Tungelroyse beek tot aan de vroegere watermolen van Maes in Stramproy (tot paal no. 48!) verbeterd.
Daarna volgde de verbreding, verdieping en normalisatie van de smalle en ondiepe Rietbeek vanaf Spekke (ongeveer vanaf de huidige Baanbrug) tot de Heltenbosbrug. Nadat dit was gedaan, werden loodrecht op de gegraven beek hoofdsloten gegraven. Op deze hoofdsloten mondden talloze greppels uit.

In september 1902 had men deze klus geklaard en kon met de ontginning begonnen worden.
De manier van bemesten speelde hierin een grote rol. Men gebruikte daarvoor 1000 kg. kalk voor de ontzuring, 800 kg. thomasmeel en 1000 kg. kainiet (minerale kunstmest) per ha. In de jaren daarop werd dit aangepast. 

Met een totale kostenpost van fl. 36.000, ging de Nederlandsche Heidemaatschappij uit van een van een netto opbrengst van fl. 40,per ha. tegen fl.2,- daarvoor. De manier van bemesten bleek zo succesvol, dat de kleine landbouwers in de omgeving dit al snel navolgden.

Ontginners Wijffelterbroek
De heren aandeelhouders, praktisch allen notabelen uit Weert, waren Van Aubel, van Asten, Esser, Janssens, Joosten, Kemmere, Hanraets en Schillings. De heren deden het werk uiteraard niet zelf, maar namen arbeiders en arbeidsters in dienst voor de ontginningswerkzaamheden. In 1904 was al 150 ha. tot gras- en bouwland en bos ontgonnen. Vooral in de Eerste Wereldoorlog maakte deze NV. goede winsten.

Boerderij 't Brook in 1990
Een opzichter regelde de werkzaamheden en hield alles in de gaten. Deze opzichter (Miechel Daniëls †1953), werd ook de eerste bewoner van de in 1906 gebouwde boerderij met de naam “’t Brook”. Hier werd later een tweede woonhuis tegen aan gebouwd. In 1923 was de oostelijke helft ontgonnen en in de jaren '30 werd de Raam gegraven, om het resterende gebied te ontwateren. Toen kon ook het Bocholter moerasgebied, zoals Smeetshof (B), beter worden ontwaterd door er de Lossing, of Emissaire, op aan te sluiten.

In september 1939 nam wethouder Peeters het initiatief om de resterende pacht af te kopen en kwam de exploitatie weer in handen van de gemeente. Toen zijn de boerderijen overgegaan in andere handen en “kregen” de voormalige pachters ieder 20 ha. grond. De rest van de grond werd verpacht aan boeren uit de buurt. Deze afkoop met vergoeding van verbeteringen, opstallen en bijgekochte gronden geschiedde tegen betaling van 39.000 gulden.

Ook tijdens WO II waren er ontginningswerkzaamheden in het Wijffelter- broek. De "Nederlandsche Arbeidsdienst" (N.A.D.) was een instelling die in het begin van de bezetting door de Duitsers in het leven was geroepen. Jonge mannen werden verplicht na het bereiken van de 18-jarige leeftijd een half jaar het volk te dienen in die arbeidsdienst.
Het uniform dat zij kregen was hetzelfde als dat van het Nederlandse leger, dat toen na de capitulatie op 14 mei 1940 niet meer bestond; er was nog genoeg van in de magazijnen. Als “wapen” werd een spade uitgereikt; eigenlijk twee, een voor bij het werk en een voor bij de exercities. Die laatste moest er altijd zeer schoon en glanzend uitzien.
De Nederlandsche Arbeidsdienst had als devies: “Ick dien”. Dit hield in dat de arbeidsman die onder dit devies werkte, het Nederlandse Volk diende (maar zelf niets verdiende). De afdelingen Altweerterheide (ca. 1 km vanaf sluis XVI aan de Loozerweg, waar nu bouwbedrijf Lempens ligt) en Afd. 416 NAD Tungelroy (het latere Ambonezen- kamp) ontgonnen een nieuw deel van  'Wijffelterbroek' en legden een weg aan (de Wijffelterbroekdijk).

Als je meer over deze periode wil weten, kun je op de site van Go2War2.nl de lotgevallen lezen van Jan Berlijn: "Mijn tijd in de Arbeidsdienst- Het werkobject: Wijffelter Broek".
Ik heb verder een uniek (kort) filmpje gevonden op de site van "Beeld en geluid", dat je kunt bekijken door op onderstaand beeld te klikken of op deze LINK.

De omschrijving bij dat filmpje is als volgt:
"De afdelingen Weert en Tungelroy van de Nederlandsche Arbeidsdienst ontginnen terrein 'Wijffelterbroek' in verband met de agrarische bestemming daarvan. Om de ontginning goed aan te kunnen pakken, moet eerst een weg worden aangelegd. Als deze weg klaar is wordt hij door de burgemeester van Weert, de NSB'er J.H.W. Rösener-Manz, officieel geopend. De mannen van de NAD rennen uit hun barakken naar buiten en gaan in het gelid staan; ze marcheren, schop over de schouder, naar hun werkterrein; ze graven de grond uit, kappen bomen en verwijderen boomstronken".

Na de Tweede Wereldoorlog waren er ruim honderdduizend werklozen. Om deze in te kunnen zetten in het arbeidsproces werd de Dienst Uitvoering Werken (in de volksmond DUW genoemd) opgezet.
De DUW- werkers werden aanvankelijk ingezet voor opruimingswerkzaamheden. Later werden ze betrokken bij ontginningswerkzaamheden. DUW- arbeiders voélden zich niet alleen 'n soort tweederangs burgers, ze waren het ook. Het waren de paria's in die jaren van wederopbouw en voor velen stond de DUW, ook wel genoemd “Door Uitputting Wanhoop” , bijna gelijk met de hel.
Er was echter veel vraag naar landbouwgrond en praktisch alle boeren uit Keent, Moesel en Altweerterheide zaten wel te wachten op een stuk grond om uit te breiden. Zo vonden ongeveer 80 werkelozen uit Weert, maar ook uit bijvoorbeeld Ell en Hunsel, werk in het Wijfelterbroek.

Het was werkverschaffing in handkracht, want de belangrijkste gereedschappen waren schep en kruiwagen. Zwaar werk maar in 6 tot 7 jaar is ongeveer 80 ha. onder handen genomen. Het ging vooral om herontginning en egalisatie; grond die te hoog of te laag lag en nog bezand moest worden.

De ontginningen waren met name in het westen, bij de driehoek langs de Broekdijk tot aan de Raam. Het veen werd daar tot een bepaalde hoogte omgezet en dan bedekt met een laag zand, die afkomstig was van te hoog liggende gronden zoals van een bult bij de Vetpeel en bij een gerooid dennenbos bij de Achterpeel. De uitgegraven grond werd in kipkarretjes gegooid en als het karretje vol was, duwde men het handmatig over smalle rails naar de dieper gelegen plek waar de grond gestort moest worden. Onder andere gebieden als "Kwaoj Gaât", Wisseblök, Koele struuk. Kwaoj in de betekenis van moeilijk begaanbaar en meest onder water staand (Molemans 1976) zegt voldoende over de omstandigheden waarin gewerkt moest worden. Het waterpeil werd op niveau gehouden door de talloze sloten en lossingen, die het overtollige water afvoerden via de Raam.

In mei 1951 werd gestart met het laatste project, de aanleg van de Bocholterweg. Hierbij moest de uit veengrond bestaande Broekdijk of Brookdieëk (laatste stuk tot aan de grens) worden uitgegraven en door een zandlichaam worden vervangen. De vruchtbare uitkomende veenaarde werd in de naburige Vetpeel gestort. Het zand voor het weglichaam kwam van de hooggelegen kapvlakte op de rand van het Wijfelterbroek, dat ook werd gebruikt om de lager gelegen ontginningsstukken te bezanden.
Zo kreeg het Wijfelterbroek na 50 jaar zijn definitieve vorm.

Bij gebrek aan arbeiders vanwege de groei van de economie en door de instelling van de “Directie Arbeidsvoorziening” (sociale zaken) werd de DUW overbodig en is in juli 1954 opgehouden te bestaan. Het werk dat nog moest gebeuren, werd uitbesteed aan “het vrije bedrijf”….

De Raam in het "Brook"

Ossebrug  (hier lag oorspronkelijk een voorde)
De Raam is in 1962 nog eens verdiept en verbreed, waardoor een nog sterkere drainerende werking is opgetreden. Niet alleen voor de omliggende landbouwgronden, maar ook voor het Wijffelterbroek. De omvang van kwelzones is daar afgenomen en het kwelwater wordt versneld afgevoerd via watergangen. Door de ontwatering en afvoer van water is een groot deel van de natuurlijke sponswerking verloren gegaan. Lang was dit een groot voordeel voor de landbouw, maar door klimaatverandering gaan we vaker te maken krijgen met droogte enerzijds en hinderlijke overstromingen anderzijds. Water vasthouden in de moerassen aan de bovenloop van beken wordt daarom steeds belangrijker. Zo zijn o.a. stuwen aangelegd in de Raam om het waterpeil beter te kunnen beheersen, m.a.w. de grondwaterstand hoger te houden.
De brug op de foto wordt de Ossebrug genoemd en ligt bij de zandweg tussen de boerderijen 't "Brook" (Jan van Monne Lewie) en de "Pruus" aan de Stramproyergrensweg.

't "Brook" gezien vanaf Pruiskesweg
't Brook" gezien vanaf Spikke

Op de onderste foto zie je een stukje van de "weilanden" ,ten zuiden van de Raam, die door Ark zijn gekocht en die terug zijn/worden gegeven aan de natuur. Het verschil met de andere twee foto's is al goed te zien. De "verruiging" van het terrein is al duidelijk zichtbaar en vanwege de wijziging in de grondwaterstand zie je het eerste riet verschijnen. Een stukje verder mondt de Raam uit in de Tungelroyse Beek. Dit gedeelte wordt begraasd door TaurOssen.


Als je het hele verhaal van de ontginning wat uitgebreider lezen, klik dan hier.


Grotere kaart weergeven

Blogarchief