Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Translate

Volgers

donderdag 28 april 2016

Lentekriebels#3

Wie nu de natuur in gaat, ziet overal het frisse groen en dieren (groot en klein) die bezig zijn met de zorg voor het nageslacht. Zo viel me een aantal Blauwe Oliekevers bij de Luysen op. Hoewel de soort vroeger niet zeldzaam was, is het nu een bedreigde soort. Ze zijn actief vanaf april.

Je treft ze onder andere aan langs de Lek, in de Biesbosch, in de nabijheid van Roermond en ik zag ze ook bij de Koningssteen in Thorn. Een blauwe oliekever is gemakkelijk te herkennen aan het glanzende, bolle, plompe en relatief enorme achterlijf en de opvallend korte dekschilden.

Kop, halsschild en achterlijf zijn duidelijk van elkaar gescheiden. Voor een kever is ie best groot, maar op de foto lijkt ie groter dan in werkelijkheid. Het vrouwtje wordt ongeveer 3,5 centimeter lang, het mannetje blijft met ongeveer 1 cm, veel kleiner.

De kever op de foto is een mannetje. Het vrouwtje heeft namelijk draadvormige, nagenoeg rechte antennen, terwijl het mannetje een merkwaardige knik in de voelsprieten heeft. De verschillen tussen de twee kun je op de volgende foto nog beter zien. Ze zijn van april tot juni te vinden op zandige hellingen, in de duinen en op dijken van klei. De kever is vegetarisch en eet bladeren, stuifmeel en nectar.

Het vrouwtje legt na paring enige duizenden eitjes in kuiltjes in de grond. De zeer kleine larven klimmen instinctief op bloemen (m.n.hondsdraf) en liften vanaf daar met bijen naar hun nest. Niet alle bijensoorten zijn daarvoor geschikt. Alleen bij de solitaire bijen (sachembijen) die hondsdraf als waardplant hebben, kunnen ze zich ontwikkelen. Met hun haak-achtige voorpoten klampen ze zich vast aan de haren van de bij. Eenmaal in het nest eet een larve de bijenlarve op en doodt eventueel meegekomen soortgenoten. Kort daarna vervelt hij in een pootloos made-achtig dier dat zich te goed doet aan de voorraad nectar en stuifmeel.

linksom of rechtsom: het gaat alleen maar achteruit!!!!!!!!!!!!
Als de larve groot genoeg is, vindt verpopping plaats en enige tijd later verschijnt de kever. Het is dan trouwens al eind zomer en de kever verlaat het nest pas de volgende lente. Omdat het met de solitaire bijen minder goed gaat, heeft de blauwe oliekever daar ook last van en hij is dan ook sterk in aantal afgenomen.

Menigeen haalt zijn neus op voor de Scathophaga stercoraria, beter bekend als de Gele Strontvlieg. Hoewel je die meestal in de buurt van koeienflaters vindt, leeft ze niet van mest, maar van nectar. De mestvlaaien worden enkel gebruikt om eitjes in af te zetten. Ook de larve leeft niet van de mest, maar van andere insectenlarven (vooral vleesvliegen), die wél van de mest snoepen.

De paring van de strontvlieg vindt altijd plaats in de buurt van een mestvlaai. Wat je bij de hoop ziet, zijn meestal mannetjes, die geduldig wachten op de komst van een vrouwtje, in de wetenschap dat een vrouwtje met nog onbevruchte eieren, altijd naar een verse koeienflater zal vliegen als de tijd daar is. Bij aankomst ontstaat er even een hevige wedijver tussen de eerst zo rustige mannetjes.

De vorige foto is die van een mannetje. Dit is het vrouwtje, omdat die er groenig uitziet. Meteen na de bevruchting worden de eitjes in de mest gelegd. Het vrouwtje legt ongeveer 150 eitjes per keer. Op de foto zie je die overal om haar heen liggen. Opvallend aan die eitjes zijn de witte zijvleugeltjes. Hiermee wordt voorkomen dat ze meteen in de verse koeienvlaai verdwijnen. Na 1-3 dagen komen de larven uit, die zich al na enkele dagen verpoppen. Hieruit komen na weer enkele dagen de volwassen vliegen.

We zijn de meeste insecten, en zeker deze strontvlieg, liever kwijt dan rijk, maar ze zijn een onmisbare schakel in de voedselketen. Insecten zijn de voedselbron voor vele andere diergroepen, die zonder de insecten geen vorm van bestaan hebben. De vraag is dan ook groot, maar de vliegen bedienen ze op hun wenken; al bij 15 graden planten ze zich namelijk voort en dat is een groot deel van het jaar.

vrijdag 22 april 2016

Lentekriebels#2

In mijn vorige blog schreef ik al dat zonlicht blijkbaar een erg grote impact heeft op ons mensen en in de natuur. Wij worden alerter en actiever en de dieren zijn druk bezig met te zorgen voor nageslacht. Overal zie je de voorjaarsbloeiers verschijnen en bomen en struiken staan in bloei.

schietwilg, Noorse esdoorn, populier staan nu volop in bloei
In deze tijd van het jaar staan veel gewassen in bloei en ze produceren daarbij een gigantische hoeveelheid stuifmeel. Voor mensen met hooikoorts zou regen nu een welkome afwisseling zijn. Voor even dan......
Door de regen verdwijnen de stuifmeelkorrels, pollen, of stuifmeelpollen uit de lucht, zodat mensen met een allergie weer even opgelucht kunnen adem halen.

bloesem van de haagbeuk
Windbloeiers beschikken over veel meer stuifmeel dan insectenbloeiers. Dat is nodig, omdat bij bestuiving door de wind veel stuifmeel aanwezig moet zijn om de kans op bevruchting te vergroten. De meeste loofbomensoorten en grassen zijn windbloeiers. De meeste wilgensoorten, els en hazelaar zijn al aan de beurt geweest, op dit moment staan o.a. de sleedoorn en (haag)beuk in bloei en o.a. de berk, populier, esdoorn en meidoorn zullen snel volgen. Hooikoortspatiënten ervaren deze periode als een ware plaag.
Lente"kriebels" kun je bij hen dan ook heel letterlijk nemen.....

de schietwilg is later in bloei dan de andere wilgensoorten
De schietwilg is een zeer snel groeiende boom. Hij bloeit in april en mei. De schutblaadjes zijn geelgroen en niet gevlekt. De bloeiwijzen zijn katjes, die tegelijk met de bladeren verschijnen. De schietwilg is tweehuizig: de katjes bestaan of alleen uit mannelijke bloemen of alleen uit vrouwelijke. De stijlen en stempels van de vrouwelijke bloemen zijn kort en de helmknoppen van de mannelijke katjes zijn geel. De schietwilg is een van de wilgensoorten die veel voorkomen in natte natuurgebieden. Hij kan zelfs goed in stromend water staan, maar heeft een hekel aan stilstaand water. Ook komt hij, met name als knotwilg, voor langs sloten en wegen.

De rechtopstaande bloemtuilen van de Noorse esdoorn verschijnen tegelijkertijd met of net na de bladeren. De bloemen zijn vrij klein, onopvallend en groengeel van kleur. De Noorse Esdoorn met frisgroene uitlopende blaadjes, kleurt in de herfst mooi goudgeel. Bij de Gewone Esdoorn is de bloeiwijze meer trosvormig, als een wijnrank, en heeft rood uitlopende jonge bladeren, die in de herfst donker verkleuren. De bloemen van de esdoorn bevatten veel nectar en stuifmeel en worden dan ook druk bezocht door bijen en andere insecten.

dinsdag 5 april 2016

Lentekriebels

Voorjaar maakt blij en de lentekriebels gieren bij mens en dier door het lijf. Blijkbaar heeft zonlicht een erg grote impact op ons mensen en in de natuur. Wij worden alerter en actiever en de dieren zijn druk bezig met te zorgen voor nageslacht.

Meerbaansblaak
De Groote Peel verveelt nooit en het is altijd weer een genoegen om er naar toe te gaan en nieuwe dingen te ontdekken. Er was voor mij zoveel te zien, dat ik niet verder gekomen ben dan een wandeling om het Meerbaansblaak. Dat is de grote plas die vlak bij het Bezoekerscentrum "Mijl op Zeven" ligt. Tegenwoordig wordt dat trouwens "Buitencentrum De Pelen" genoemd.

Al kan het terrein erg drassig zijn, de vele paden (o.a. de voormalige peelbanen waarover de turf werd afgevoerd) en de knuppelbruggetjes maken het gebied goed toegankelijk. Zelfs voor rolstoelers is het pad rondom het Meerbaansblaak toegankelijk. Een groot deel van de Peel is trouwens van 15 maart tot en met 15 juli niet toegankelijk vanwege het broedseizoen, maar er zijn nog genoeg mooie plekjes voor de bezoekers.

Ook dit winterkoninkje had momenteel duidelijk last van de lentekriebels. Hij was druk bezig met de bouw van een nestje onder de veel bezochte vlonder bij het Meerbaansblaak. Echt schuw was hij dus niet.
Met amper 10 cm is het winterkoninkje het een na kleinste vogeltje in ons land. Omdat hij zo klein en licht is, wordt hij in de volksmond ook wel 'klein Jantje' genoemd. Het is een vrij algemene vogelsoort in ons land, maar omdat hij zo klein is en zich voornamelijk op houdt in het lage struikgewas, krijg je hem zelden goed te zien.
De beestjes zijn super beweeglijk en blijven zelden lang stil zitten, zodat ik er normaal gesproken met mijn cameraatje geen foto van kan maken. Geduld is echter een schone zaak. Het viel mij na namelijk na enige tijd op dat ie steeds vanaf een zelfde takje richting nest vloog. Dat maakte het voor mij wat gemakkelijker om er een foto van te maken.

Hoewel de paartijd van de heikikker nagenoeg voorbij is, was hier en daar nog het karakteristieke “woep-woep”geluid te horen. Een teken dat ze nog actief waren. Afgaande op dat geluid heb ik nog een enkel exemplaar weten te vinden.
Het unieke aan deze kikker is dat tijdens de paartijd het mannetje blauw wordt. De felheid van de kleur kan nogal variëren, want dat is afhankelijk van de temperatuur. Hoe blauwer de kikker wordt, hoe aantrekkelijker het vrouwtje hem vindt. Deze baltskleur is echter maar korte tijd te bewonderen. Na een tijdje verdwijnt de blauwe tint weer en nemen de mannen hun vertrouwde, bruine kleur weer aan.
In Nederland wordt de heikikker beschouwd als een kwetsbare soort en staat hij op de rode lijst. Hij komt voor in vochtige heidegebieden, waar veenvorming plaatsvindt en in hoog- en laagveengebieden.

Het zonnetje liet zich steeds nadrukkelijker zien en midden op een pad trof ik deze gewone of bruine padden aan. Het veel kleinere mannetje hield het vrouwtje stevig vast in de paargreep (amplexus). Beiden reageerden niet op mij en het leek wel of ze in een soort trance verkeerden. Wel prettig als je ze eens goed wil bekijken.

Het gehele lichaam is bedekt met wratachtige structuren; de slijmklieren. Deze "wratten" zijn vooral op de flanken erg talrijk, die op de rug zijn het grootst en het duidelijkst te zien. Bij sommige exemplaren zijn de wratten rood van kleur zodat ze duidelijk afsteken. Ik vond de huid opvallend glanzend. De structuur van de huid is normaal zeer ruw en droog, maar in de paartijd schijnt die gladder te worden.

Padden leven op het land en zijn alleen in het water te vinden als de eitjes gelegd worden. Als een vrouwtje op weg is naar het water, bespringt een mannetje haar en omklemt haar stevig. Om zijn greep op het vrouwtje vol te houden, beschikt het mannetje over enkele speciale aanpassingen. Zo zijn zijn voorpoten stevig gespierd en heeft hij aan de duimen van zijn voorpoten speciale wrattige kussentjes, waarmee ze meer grip hebben op de gladde huid van het vrouwtje. Die omklemming kan soms wel enkele dagen duren. Het is vrijwel onmogelijk hem van het vrouwtje te scheiden zonder één van beiden te schaden.

Als het vrouwtje na een wandeling het water bereikt en eitjes afzet, bevrucht het mannetje deze met zijn sperma. Zolang hij zich aan het vrouwtje vasthoudt, is het vrijwel onmogelijk voor een ander mannetje om de eitjes te bevruchten. Als het mannetje na enige tijd weer los laat, is het meteen over en uit met de liefde en gaat ieder zijns weegs.

De gewone pad wordt in uiteenlopende habitats gevonden en is zelfs aangepast op drogere plaatsen. Omdat ze een grotendeels verborgen levenswijze leven, kom je ze overdag niet veel tegen. Alleen in de paartijd komen ze te voorschijn, omdat ze water nodig hebben voor de voortplanting. De dril moet namelijk in het water worden gelegd, omdat de eieren op het land snel zouden uitdrogen. Meestal is het het waterpartijtje waar ze zelf ter wereld kwamen en daar moeten soms grote afstanden voor af worden gelegd.
Het vrouwtje wordt groter dan het mannetje (13 à 14 cm), maar is daardoor ook plomper en langzamer. Zeker als ze op weg is naar het water en een mannetje op haar rug moet meezeulen. Padden springen trouwens niet zoals een kikker, maar lopen.

Ik wilde haar wel eens zien lopen, maar moest meerdere zetjes geven, voordat ze besloot op "pad" te gaan.
Na een metertje hield ze het weer voor gezien, maar dat was voor mij voldoende. Daarna heb ik ze maar met rust gelaten.