En dan nu zoals ik in de vorige post beloofde, mijn laatste post van het jaar 2025 over paddenstoelen.
okerknolcollybia
De OKERKNOLCOLLYBIA (Collybia cookei) groeit in dichte groepen en heeft aan het uiteinde een okergeel knolletje (sclerotium). Ik heb dat met pijltjes aangegeven en die je kunt die na uitvergroten wat beter waarnemen. Dus even op de foto klikken. Je vindt ze op zwart geworden resten van (plaatjes)zwammen, die meestal nauwelijks nog als zodanig te herkennen zijn. Soms kun je ze ook aantreffen op goed vergaan hout of op een rijke humuslaag. okerknolcollybia
Hoewel de soort algemeen schijnt voor te komen, hebben we die pas in 2019 voor het eerst gevonden in natuurgebied "Zwart Water" (Venlo). De knolletjes waren toen heel wat groter zoals je hier goed kunt zien. Hoewel de hoedjes hier wat afgeplat zijn, zijn ze in het begin nog bolvormig. Ze worden maximaal 1 cm in doorsnee. Het steeltje is meestal niet helemaal recht, maar heeft krommingen.
okerwitte ridderzwam
De zeldzame en bedreigde OKERWITTE RIDDERZWAM (Tricholoma stiparophyllum) is een paddenstoel met een opvallende, vaak onaangename en weeïg-zoete geur zoals van jasmijn of honing. De geur kan echter variëren. De Okerwitte ridderzwam staat bekend om zijn statige verschijning. ** Als je goed kijkt zie je ook een vliegje. Dat is een fruitvliegje (Drosophila spp.). Het blijkt dat veel soorten fruitvliegen worden aangetrokken door schimmels en paddenstoelen, omdat deze namelijk dienen als voedselbron en broedplaats. Of in dit geval misschien alleen om even uit te rusten!!!!!!!!
okerwitte ridderzwam
De witachtige steel heeft geen ring. De belangrijkste mycorrhiza-partner is de eik, maar hij kan ook een symbiose vormen met andere loofbomen. Aan de blaadjes te zien, is dat hier ook het geval. Mycorrhiza is een gunstige symbiose tussen schimmels en plantenwortels, waarbij de schimmel een uitgebreid ondergronds netwerk vormt dat de opname van water en voedingsstoffen verbetert en de plant in ruil daarvoor suikers levert.
Er is een sterke gelijkenis met de Witte ridderzwam (Tricholoma album). Ze zijn allebei giftig, dus voorzichtigheid is geboden.
geurige schijnridderzwam
Dit is de GEURIGE SCHIJNRIDDERZWAM (Collybia irina). Het belangrijkste onderscheid tussen ridderzwammen (geslacht Tricholoma) en schijnridderzwammen (geslacht Lepista) is ecologisch: ridderzwammen zijn ectomycorrhizaschimmels (leven in symbiose met bomen) en groeien op of bij bomen, terwijl schijnridderzwammen saprofytisch zijn en leven van strooisel. Ze leven op humus van meestal loofbomen op matig vochtige tot vrij droge, zand- en kleigronden. De Geurige schijnridder-zwam is vrij zeldzaam, maar staat niet op de rode lijst als bedreigd (bron: Verspreidingsatlas).
geurige schijnridderzwam
De hoed, die in het midden dik is, is als hij jong is bijna half bolvormig, later wordt hij vlakker en platter en heeft hij een min of meer uitgesproken bult. Het bereikt gemiddeld een diameter van 5 tot 9 cm, maar soms zelfs tot 14 centimeter. Het matte, gladde oppervlak van de hoed is licht witgrijs tot crèmekleurig, lichtbruin in het midden. De hoedrand is onregelmatig, gebogen en soms licht geribbeld. De hoed verandert van kleur als hij nat is (hygrofaan). Deze zwam heeft een karakteristieke geur die wordt omschreven als "aromatisch, aangenaam, enigszins parfumachtig" of "sterk bloemig".
bruinzwarte vuurzwam
De BRUINZWARTE VUURZWAM (Phellinopsis conchata) leeft parasitair op levende stammen van levende loofbomen, die via wonden worden geïnfecteerd, of saprotroof op dood hout zoals hier het geval is. Het gevolg is witrot van het hout. De Bruinzwarte vuurzwam is in een apart geslacht geplaatst (Phellinopsis), omdat er geen verwantschap is met de "echte" vuurzwammen (Phellinus sensu stricto). In Nederland en België komt de bruinzwarte vuurzwam vrij zeldzaam voor, maar is niet bedreigd. Bron: Verspreidingsatlas.
bruinzwarte vuurzwam met Suikermycena
De zwam komt vooral voor op wilg of populier. De hoeden zijn vaak gereduceerd tot hoedranden, met een op het substraat aflopende poriënlaag en het vruchtlichaam kan ook geheel korstvormig groeien. Heeft bruine, fijne gaatjes (5-6 poriën/ mm) en kaneelbruin vruchtvlees . Meerjarige vruchtlichamen vertonen tot 2 mm dikke onduidelijk gescheiden roestbruine buisjeslagen. Het hele vruchtlichaam kleurt zwart in KOH (KOH of Kaliumhydroxide is een sterke base). De zwam heeft geen opvallende geur.
Leuke bijkomstigheid zijn de kleine witte paddenstoeltjes. Dat is de SUIKERMYCENA (Mycena adscendens). Deze groeit vaak op dood hout, maar kan ook verschijnen op andere schimmels of zwammen die op hout groeien, zoals deze bruinzwarte vuurzwam, omdat beide soorten saprotroof zijn (leven van dood organisch materiaal) en dezelfde voedingsbronnen delen, waardoor ze elkaar "tegenkomen" en de minuscule, "suikerachtige" paddenstoeltjes zich kunnen nestelen tussen de grotere zwammen.
blanke champignonparasol
Het mycelium van de BLANKE CHAMPIGNONPARASOL (Leucoagaricus leucothites) leeft van de afbraak van dood plantaardig materiaal. Hij heeft een voorkeur voor het cultuurlandschap en wordt dan ook vaak gevonden in parken, tuinen, kerkhoven, wegbermen en groenstroken, maar kan ook in weilanden en boomgaarden opduiken, bijvoorbeeld op afval- en composthopen. Wij vonden meerdere exemplaren in de groentekas van de herenboeren. Vooral de jonge zwammen zijn fraai om te zien.
Hoewel de soort ruikt en smaakt naar champignon is het niet aan te raden om die te eten, omdat het risico op maag- darmklachten bij consumptie groot is.
blanke champignonparasol
Ze hebben een levensduur van slechts enkele dagen. De hoed is aanvankelijk halfbolvormig om zich vervolgens uit te spreiden. Hij is wit of witachtig van kleur, maar loopt bij het ouder worden geelbruin tot bruin aan. Het hoedoppervlak is meestal glad en zijdeachtig). De plaatjes aan de onderzijde zijn aanvankelijk wit om pas in een heel laat stadium lichtroze te verkleuren. De steel van de paddenstoel heeft onderaan een knolvormige verdikking, maar heeft geen beurs. Rond de steel is een witte, dunne en verschuifbare ring aanwezig, die bij oude exemplaren kan zijn verdwenen.
okergele stropharia
De OKERGELE STROPHARIA (Psilocybe coronilla) is een paddenstoel die leeft van de afbraak van dood plantaardig materiaal. Hij kan gevonden worden in droog grasland, weilanden, wegbermen en langs bospaden met een grazige berm. Lichte groeiplaatsen hebben de voorkeur, en de bodem kan ofwel voedselarm of juist stikstofrijk zijn. We vonden deze in de groentetuin van de Herenboeren. Meestal zijn maar weinig exemplaren op een groeiplaats aanwezig.
De hoed van de vruchtlichamen heeft een doorsnee van 2 tot 5 cm. In jonge toestand is hij halfbolvormig. Later spreidt hij zich wat meer uit, maar blijft bol. De kleur is bleekgeel, citroengeel of okerkleurig en het oppervlak voelt bij vochtig weer enigszins vettig of kleverig aan. De steel van de paddenstoel is wit en heeft een vliezige ring die aan de bovenkant geribbeld is.
Bij jonge exemplaren is de steel massief, maar bij veroudering wordt hij hol en bros, en breekt gemakkelijk. De plaatjes aan de onderzijde van de hoed zijn aanvankelijk bleek grijsbruin, later grauwviolet of grauwpaars. De sporen hebben een donkerpurperen kleur. Wanneer de paddenstoel rijp wordt, komen er veel sporen op zijn ring terecht, waardoor de ribbels en groeven van de ring duidelijk zichtbaar worden.
goudgele hertenzwam
De fraaie GOUDGELE HERTENZWAM (Pluteus leoninus) is, zoals je ook op de Verspreidingsatlas kunt zien, een in Nederland vrij zeldzame paddenstoelensoort en staat op de Rode lijst als KW (kwetsbaar). Door de felle citroen- tot goudgele kleur is het echter een niet te missen paddenstoeltje. De vruchtlichamen zijn aanwezig van juni tot en met september in loofbos op sterk verrotte takken en stronken van eik, berk, els en beuk.
goudgele hertenzwam
Vergissing met de sterk gelijkende Gele aderhertenzwam (Pluteus chrysophaes) ligt op de loer, maar die is meer mosterdgeel en heeft geen donkerder centrum. De Goudgele hertenzwam heeft een grotere hoed, is goudgeel gekleurd en heeft zoals je hier goed kunt zien, een iets donkerder centrum.
onderkant van de goudgele hertenzwam
De hoed heeft een diameter tot ca. 6 centimeter en is klokvormig bij jonge vruchtlichamen, dan breed kegelvormig met een bult en uiteindelijk afgeplat. De hoedrand is geribbeld en fijn gestreept. Het centrum kan enigszins geaderd zijn. De lamellen zijn eerst geel-achtig, soms met een gele lamelsnede en later zalm-roze. De steel is tot 6 centimeter lang en heeft een verdikte voet. De kleur is wit-gelig, onderaan okerachtig, en het oppervlak gestreept. De paddenstoel is geurloos.
breedgerande poria
De BREEDGERANDE PORIA (Oxyporus latemarginatus) is een specifieke soort paddenstoel die behoort tot de poriënzwammen en gekenmerkt wordt door zijn brede, vaak witachtige rand (=poria) en groeit onderaan de dode stam van loofbomen als eik, beuk en berk. Het is een saprofiet; breekt dus dood materiaal af. Volgens de Verspreidingsatlas is dit ook een zeldzame soort, hoewel hij staat vermeld op de Rode lijst als TNB: thans niet bedreigd.
Het vruchtlichaam van de breedgerande poria vormt nooit hoeden, alleen korstvormige vruchtlichamen die soms wel een paar jaar oud kunnen worden met meerdere buisjeslagen boven elkaar en kan zoals je ziet behoorlijk groot worden. De poriën zijn relatief groot en rond.
breedgerande poria
Deze zwam veroorzaakt witrot in het hout, wat betekent dat hij cellulose afbreekt en zo het hout zacht en brokkelig maakt. Dit soort schimmels zijn echter essentieel voor het functioneren van ecosystemen, omdat ze dode biomassa omzetten in voedingsstoffen, zodat die weer beschikbaar komen voor andere organismen. Door het afbreken van dood hout, creëren ze ook ruimte voor nieuwe planten om te groeien en dragen ze bij aan de vorming van humus in de bodem.

