Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers


woensdag 29 juli 2020

Lepelaars op de Kettingdijk

Als je tegenwoordig aan de Kettingdijk gaat wandelen, is het is eigenlijk niet voor te stellen dat er op het huidige broekbos en moerasgebied tot de jaren 70 van de vorige eeuw volop graan en andere landbouw- producten werden verbouwd. De jaren daarna lag het accent meer op de veeteelt en dan met name melkkoeien.

    
Wat ooit (met veel inspanning) ontgonnen werd in midden 30-er jaren van de vorige eeuw, is nu weer omgevormd tot één groot moerassig natuurgebied. In januari 2015 schreef ik een post over de Kettingdijk, waarin ik vertelde dat het natuurherstelproject aldaar afgerond was. Hoe het voormalige grasland aan de oostkant er toen uit zag, is op bovenstaande 2 foto's te zien.

voormalige grasland aan de Kettingdijk in juli 2020
De opzet van dit project was het afvoeren van de voedselrijke landbouwgrond en aanpassing van de waterhuishouding, zodat kwelwater en regenwater langer worden vasthouden. En het mag gezegd worden dat deze opzet geslaagd is....

voormalige grasland aan de Kettingdijk in juli 2020
voormalige grasland aan de Kettingdijk in juli 2020
De Kettingdijk is in 5 jaar tijd onherkenbaar veranderd. Wat media 2014 aan de oostkant van de Kettingdijkweg nog weiland was, is nu één groot nat gebied. Het voormalige landbouwgebied is veranderd in heischraal grasland, nat schraalgrasland en een plas,die in de wintermaanden één groot waterreservoir wordt. En dat was ook de opzet van dit project: nieuwe gecreëerde natte natuur. Er zijn talloze afwateringssloten gedicht en met wandafsluiters, duikerbuizen en kantelstuwen worden de nieuwe waterstromen gereguleerd. Wat mij betreft is de Kettingdijk onherkenbaar en vooral ten goede, veranderd. Tenminste aan de oostzijde.

Grasland aan de Kettingdijk in juli 2020
Over het verruigde grasland aan de zuid-westkant (aan de Bocholterweg) ben ik niet zo te spreken. Eerlijk gezegd vind ik het eigenlijk een ramp.Pitrus en akkerdistel overheersen daar en dat gaat ten koste van de biodiversiteit. Vooral vanwege de overvloedige pitrusvegetatie is duidelijk dat we hier te maken hebben met grote hoeveelheden fosfaat. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het water uit de Lossing, die regelmatig overstroomt vanwege beveractiviteiten. Dit moet echt voorkomen worden. Het gebied wordt bovendien niet begraasd en zal daarom in de loop van de tijd dichtgroeien. Als er tenminste niks gedaan wordt........

Grasland aan de Kettingdijk in april 2013
Ik zie toch liever de foto van het grasland zoals dat in april 2013 was. Het zou beter zijn geweest als men het zo gelaten had en dat is niet alleen vanwege die biodiversiteit. Het "wildernisdenken" mag dan wel het de voorkeur hebben, maar je mag niet vergeten dat een cultuurlandschap ook een gemeenschappelijk erfgoed is dat een plaatsje verdiend in het totaalplaatje. Cultuurhistorie moet ook een rol spelen bij de inrichting van de ruimte. In 2017 heb ik een post gewijd aan die zuid-westkant met als titel: "dit wil toch niemand.....".

Lepelaars vliegen met gestrekte hals. Zilverreigers trekken hun hals in
Ondanks dat minpunt, is het gebied dusdanig veranderd, dat al snel nadat het project afgerond was de eerste (zwarte) ooievaars en lepelaars, en zelfs een enkele kraanvogel verschenen. De eerste bijzondere melding op waarneming.nl betrof de zwarte ooievaar in augustus 2015 en in april 2016 werd de eerste lepelaar waargenomen. Andere waarnemingen waren onder andere de grote zilverreiger, de koereiger, het ijsvogeltje en oeverlopers.

Sindsdien verschijnen jaarlijks lepelaars om er te foerageren. De eerste waarneming van de lepelaar dit jaar was op 5 april en het hoogste aantal dat dit jaar tot nu toe werd aangetroffen was 30 exemplaren. Op 17 juli trof ik er 17 exemplaren aan. Dat was de eerste keer dat ik ze in werkelijkheid zag. Heel bijzonder.

Voor lepelaars zijn de omstandigheden in Nederland de laatste decennia dus flink verbeterd. Dit is o.a. het gevolg van een veranderde publieke opinie over de waarde van natuur en de daaruit voortvloeiende beschermingsacties en natuurherstelprojecten. Dit zag je de afgelopen jaren ook volop gebeuren in het grensoverschrijdende Kempen~Broek.

   
In de 19e eeuw waren er kolonies tot 1000 paren, die echter intensief geëxploiteerd werden (eieren rapen) en te lijden hadden onder drooglegging van broed- en voedselgebieden. Rond 1900 was de stand teruggevallen tot rond 300 paren. Door bescherming groeide dat uit naar 400-500 paren in de jaren vijftig, om daarna met name door watervervuiling opnieuw terug te vallen tot 150 paren eind jaren 60.

Daarna begon een opmars waarbij de grens van 1000 paren in 1997 bereikt werd. Die van 2000 paren werd overschreden werd in 2009 en vorig jaar werden er maar liefst 3800 broedparen geteld. (bron: Sovon vogelonderzoek)

De lepelaars in Nederland broeden van eind maart tot en met eind juli. Ze leggen 3-4 eieren, maar van de kuikens die daar uit voortkomen wordt er meestal maar 1 groot. Vanaf eind juli, begin augustus verspreiden ze zich over Nederland en eind september, begin oktober zijn ze allemaal wel zo’n beetje naar het zuiden vertrokken. Het grootste deel trekt naar west Afrika.

     
De lepelaar wordt vooral geassocieerd met de kust. Op alle Waddeneilanden zijn inderdaad de meeste kolonies te vinden, maar ook in Zuid-Hollandse en Zeeuwse delta en in de Flevopolder broeden ze in de grote moerassen. De laatste decennia zien we ook een sterke toename van kleine kolonies op het vasteland.

Het is een vogelsoort die al lang uit Limburg verdwenen was. De laatste jaren zijn er echter steeds meer waarnemingen van deze bijzondere soort in Limburg. Dit is te danken aan de natuurherstelprojecten; er zijn steeds meer herstelde vennen en oude rivierlopen. Ook zijn er op diverse plekken, zoals in het grensoverschrijdende Kempen~Broek, steeds meer moerassige gebieden aangelegd. Uitgestrekte, ondiepe, drassige gebieden met een bodem bedekt met modder, klei of fijn zand en met veel riet. Juist deze plekken trekken vele steltlopers aan, maar ook grotere vogelsoorten als (zwarte) ooievaar en sinds een paar jaar dus ook de lepelaar.

De lepelaar vindt zijn voedsel in ondiep water, waarbij hij zijn snavel op en neer beweegt. De snavel is erg gevoelig, hierdoor is voedsel onder water opsporen een eitje voor de lepelaar. Ze eten graag visjes, zoals stekelbaarsjes, kikkervisjes, slakken, larven van waterinsecten en wormen. Ze kunnen elk type moeras, rivier, meer, overstroomd gebied en mangrove moeras bewonen, of het water nu zoet, brak of zout is. Maar om te broeden geven ze de voorkeur aan gebieden met eilanden, moerassen met rietkragen en andere slecht bereikbare plaatsen met dichte begroeiing en verspreid voorkomende bomen of struikgewas.Plekken waar hun grootste vijand, de vos, moeilijk kan komen. Ze bouwen hun nest bij voorkeur op de grond, maar je ziet ze op steeds meer plaatsen ook in de bomen hun nest bouwen.

Nog niet zo lang geleden gold de Lepelaar in Limburg nog als een dwaalgast. In 2006 werden 25 meldingen tot en met 2005 gedaan. Sindsdien gaat het hard wat waarnemingen betreft, maar hoewel steeds meer lepelaars in Nederlands- en Belgisch Limburg worden waargenomen, gebeurt broeden nog maar sporadisch. Op landgoed Arcen heeft in 2015 voor het eerst een paartje succesvol gebroed en zijn 4 jongen uitgekomen. Twee jaar geleden was er in het Belgische Lozen een succesvol paartje met 3 jonkies aan het Klotven op de Lozerheide en 2 paartjes in Mariapeel. Of dat ooit gaat gebeuren op de Kettingdijk lijkt me onwaarschijnlijk, maar je weet maar nooit.

Hoewel de foto’s best goed gelukt zijn, zijn ze van grote afstand genomen en zie je dus geen details. Om ze beter te kunnen fotograferen, heb je andere apparatuur nodig. Ik heb geprobeerd dichterbij te komen, maar ze hielden de omgeving goed in de gaten en vlogen op, omdat ze mij blijkbaar als een mogelijke “dreiging” zagen. En dat terwijl mijn enige "wapen"  mijn cameraatje  was, maar dat wisten ze niet natuurlijk, dus ik gaf ze geen ongelijk........

Op weblog “Natuur, cultuur en alles wat boeit ... ” vind je een aantal goed geslaagde foto’s met meer details van lepelaars, die daar op 3 juli foerageerden. Aan de kleur van de snavels (geel/oranje) kun je zien dat het toen vooral juvenielen (jonge vogels) waren. De volwassen vogels hebben een zwarte snavel.

vrijdag 24 juli 2020

Stierenkuil

In het grensoverschrijdende Kempen~Broek kom je in enkele natuurgebieden taurossen tegen; oude imposante runderrassen uit met name Spanje, Italië en Portugal, waarmee men het oerrund probeert terug te fokken. Ze zouden, zo wordt beweerd, door hun graasgedrag voor diversiteit in de vegetatie zorgen. Ik heb daar echter mijn twijfels over. Zeker als er overbegrazing is, want dan vreten ze alles weg wat ze maar tegen komen en bij voorkeur de sappige kruidige gewassen, zodat kwetsbare planten vaak niet de kans krijgen om tot groei en bloei te komen en dus uit het landschap dreigen te verdwijnen.

Stierenkuil op Kettingdijk/Vetpeel
De stierenkuilen die je er aantreft, zijn echter een uitzondering en kunnen belangrijk zijn voor met name pionierplanten en ze kunnen als nestplaats of jachtterrein dienen voor graafwespen, zandbijtjes en andere insecten zoals zandloopkevers en de blauwvleugelsprinkhaan.

Zoekkaart gepubliceerd door Stichting Ark.
ARK publiceerde een berichtenserie over de diverse soortgroepen die van stierenkuilen profiteren. Die kun je HIER lezen. Je kunt daar ook bovenstaande zoekkaart downloaden.

Zo’n stierenkuil is een fenomeen dat je alleen bij natuurlijke sociale kuddes vindt. Die kuddes zijn eeuwen- lang weggeweest in de Nederlandse natuur, maar zien we nu met de komst van de taurossen weer terug.

Kuddegedrag op de Kettingdijk
Een natuurlijke kudde runderen bestaat uit melkgevende koeien en hun kalveren, jongvee, droge koeien, "oppastantes" en een aantal stieren. In tegenstelling tot wat veel mensen denken, heeft de stier weinig te vertellen; het is een koe die de dienst uit maakt. Dit noemt men “matriarchaat”. Kuddegedrag bij de runderen is te herkennen als zogenaamd synchroon gedrag: ze blijven in elkaars nabijheid, grazen, herkauwen, schuilen, rusten en “vluchten” gelijktijdig.

Kuddegedrag op de Vetpeel
Dat versterkt de onderlinge band en biedt bescherming tegen roofdieren of ander “gevaar” van buitenaf. Over zo'n natuurlijke kudde heb ik eerder al iets geschreven in de post "Taurossen op Siëndonk en Lieëg hei 2015".

Op de voorgrond de grijze Maremmana leidkoe
Op de Kettingdijk lopen 2 natuurlijke kuddes rond voor zover ik kan beoordelen. Bij de grootste kudde van ongeveer 30 dieren is de grijze Maremmana koe de leidkoe.

Het is altijd leuk om dit kuddegedrag eens in de gaten te houden. Het zorgt altijd voor verrassende gebeurtenissen. Zo worden bijvoorbeeld tijdens de stierenbronst de rangordes bepaald tussen de stieren. De bronstperiode is vooral in juni, juli en begin augustus te merken. De koeien zijn dan weer tochtig. Een koe draagt ruim 9 maanden, dus dit is een goed tijdstip om drachtig te raken. De kalfjes worden dan in het vroege voorjaar geboren. Dat is ook overal goed te zien aan de vele kalfjes die  een tijdje geleden zijn geboren. Maar zelfs nu worden er nog kalfjes geboren, zo zag ik op Kwaoj Gaat/Wisseblök.

Taura, het eerst geboren tauroskalfje
Er zijn natuurlijk nog grotere uitzonderingen. Zo is bijvoorbeeld "Taura",,het eerste (Heckrund) tauroskalfje, op 12 februari 2012, geboren op 't Luuëke. Het was toen een ijsdag met een gemiddelde temperatuur van -7,3 °C en een gevoelstemperatuur van -11,7 °C vanwege de ijzige wind. De minimum temperatuur was 's nachts -11,9 °C.

De stierenbronst is de periode waarin volwassen stieren de andere stieren in de kudde uitdagen om te bepalen wie de sterkste is. De hormonen gieren door hun lijven en om hun opwinding te koelen en door "machogedrag" de anderen proberen te imponeren, woelen ze met hun kop en horens in de grond, schrapen met hun poten over de grond en gooien het vrijgekomen zand omhoog en over hun rug. Zo van “kijk eens hoe sterk ik ben”….. Tussendoor maken ze een vreemd brullend geluid dat niet echt op loeien lijkt, maar bronstloeien wordt genoemd. Een enkele keer leidt deze bronst tot een stierengevecht, maar meestal is voor de dieren al snel duidelijk die het meeste recht van spreken heeft. De stier die je hier bezig ziet, is een (zuivere!) Maronesa stier.

Bij het bronstgedrag spelen geuren ook een belangrijke rol. Je ziet dan ook dat de stieren hun kop in de lucht omhoog houden en de bovenlip krullen ("flemen") om de aantrekkelijke geurtjes van de tochtige koe goed op te kunnen snuiven.

Daar dat gewoel en geschraap ontstaan de zogenaamde stierenkuilen. Dat schrapen gebeurt meestal op dezelfde plekken. Daardoor ontstaan er (asymmetrische) kuilen met een steile rand in een halve cirkel. De stier bewerkt deze steile rand regelmatig met zijn flanken en zijn poten, maar vooral met zijn kop.
Als hij na verloop van tijd niet meer terug gaat naar de kuil (als de bronstijd dus voorbij is),dan raken de steile randen in verval, de kuil raakt begroeid en verdwijnt. Dan breekt de tijd aan dat de eerder genoemde insecten en planten er gebruik van kunnen gaan maken.

Dit stierengedrag is een spectaculair gezicht en het kan er heftig aan toe gaan, maar het gedrag is puur op de soortgenoten gericht en niet op mensen. Uiteraard doe je er echter goed aan om dit op gepaste afstand te aanschouwen.

woensdag 15 juli 2020

Allemaal beestjes #14

Vandaag maar weer eens een nieuwe post. Het is al weer even geleden. Ik ben er vanwege de corona wat minder op uit geweest, vandaar dat het even geduurd heeft voor ik voldoende geschikt materiaal bij elkaar had. In deze post ga ik jullie wat harige beestjes laten zien. Rupsen dus......................

Eikenprocessierups
Ik hoor net op het nieuws vertellen dat het dit jaar meevalt met de overlast van de Eikenprocessierups. De verwachting was dat ook deze zomer er weer een van jeuk en kriebel zou worden, maar dat is dus niet het geval. Door de Corona zijn minder mensen in aanraking gekomen met de rups, maar de mindere overlast heeft waarschijnlijk meer te maken met een andere aanpak van bestrijdingsmiddelen en wat vooral van belang is, is dat men een beter inzicht heeft gekregen in wat natuurlijke vijanden als sluipwespen en sluipvliegen, roofkevers, weekschildkevers en rupsenaaskevers voor effect hebben. Ook vogels zijn een grote vijand van de eikenprocessierups. Die moeten we goed in ere houden.....
Niet alle vogels doen zich overigens te goed aan deze rupsen, maar er zijn een aantal soorten die er dol op zijn. Met name de koolmees en de pimpelmees. Alles beter in elk geval dan bestrijding met insecticiden.

Hoewel rond half juli de rupsen gaan verpoppen en daarna de vlinders uitvliegen, kunnen de brandharen in en rondom nesten nog lange tijd voor overlast zorgen. Dus blijf attent.

Eikenprocessierups
De beharing van de Eikenprocessierups bestaat uit zogenaamde brandharen. Deze worden gebruikt ter verdediging tegen vijanden zoals insecteneters. Als de rupsen of het nest waarin ze zich bevinden of bevonden worden verstoord, worden niet de zichtbare ongeveer 1 cm grote witte haren, maar de microscopisch kleine brandharen (hun lengte varieert van 0,1 tot 0,3 millimeter) afgegeven aan de lucht. Mocht je een close-up van zo'n harig monster willen maken,wacht dan in elk geval op windstil weer. De wind zorgt er namelijk voor dat de brandharen van de Eikenprocessierups dan massaal door de lucht zweven.

Bij een geïrriteerde huid of ogen is de belangrijkste tip: spoelen, spoelen en nog eens spoelen. Dus spring onder de douche als je vermoedt dat je de klos bent of als je bij thuiskomst al last hebt van een rode huid en irritatie. Een andere tip is plakband. Dat is een probaat middel om je huid te behandelen. De brandharen blijven namelijk aan het plakband kleven en worden zo uit de huid getrokken. Verder zijn er verkoelende zalfjes in de handel die zorgen voor verlichting. Krabben, hoe verleidelijk ook, helpt in ieder geval niet; het wekt alleen maar meer irritatie op.

Rups van de Plakker
We willen wel allemaal graag een tuin vol vlinders in de zomer, maar voor het zover is, moet elke vlinder echter eerst beginnen als rups. Hoewel de haren van een rups heel vervelend kunnen zijn voor de mens, zijn ze een goede verdediging tegen “vijanden”. Vanwege de Processierups lijkt elke rups met haren helaas voor veel mensen een rups te zijn waar je voor moet oppassen. Een zo'n rups die veel verward wordt met de processierups, is de rups van deze Plakker. De rupsen van deze nachtvlinder kunnen ook eind mei/begin juni in grote aantallen gevonden worden, maar zijn ongevaarlijk. Ze geven namelijk niet dezelfde reactie als de haren van de processierups. Je hoeft je om deze rupsen dan ook geen zorgen te maken.

Close-up van de rups van de Plakker
Zoals je hem hier op de foto van dichtbij kunt zien, vind je het misschien niet echt moeders mooiste, maar ik denk daar toch anders over. Ik vind haar schitterend....Het woord "mooi" is betrekkelijk.

Rups van de Plakker
De tot maximaal 5 cm grote opvallende rups is herkenbaar aan de licht okerkleurig met zwartachtig grijze spikkels en 3 okerkleurige lengtestrepen over de rug, de bruin- en zwartachtige haarborstels die op kleine, roodachtig, “wratjes” staan ingeplant en op de rug zie je 5 rijen blauwe en 6 rijen rode wratten.
De naam Plakker is een al lang bestaande naam. Het wijfje spint een soort matje van haar eigen lichaamsharen en plakt dat vast op een boomstam. Daarop zet zij dan haar eitjes af. Hieraan dankt de soort zijn naam. Op enige afstand ziet het er uit als een zwammetje.

Rups en cocon van de Plakker
Deze foto heb ik half juni gemaakt langs het pad bij het Meerbaansblaak in de Groote Peel. De rups van de Plakker heeft zich de afgelopen weken goed volgevreten en gaat op zoek naar plekjes om zich te gaan verpoppen.  Ik zag ze de afgelopen week dan ook best veel over de weg(getjes) en paden lopen, op zoek naar een geschikt plekje.

    
Terwijl er nog overal rupsen rondliepen op het pad, waren er al op meerdere plekken poppen te zien in de planten langs de weg. Ik zag sommige rupsen nog bewegen in de pop. Nu medio juli zal het niet lang meer duren en zullen de eerste vlinders al tevoorschijn komen.
De Plakker uit de familie van de donsvlinders is een nachtvlinder. Het vrouwtje is volledig donzig wit en kan niet vliegen. Het mannetje kan haar echter van een afstand ruiken. Hij gebruikt zijn voelsprieten als "neus". De geveerde antennes zitten vol sensoren om de geurstoffen van het vrouwtje op te pikken. Zodra ze bevrucht is, kan ze meteen haar eitjes afzetten en dan begint de cyclus weer van voren af aan.

Rups van de Hageheld
De acht centimeter lange rupsen van de Hageheld zijn ook dichtbehaard en de brandharen kunnen na aanraking, bij mensen wel huidirritatie veroorzaken. Waardplanten van de rupsen zijn onder meer de larix, berk, wilg en braam. De grote rups verpopt zich in een stevige perkamentachtige cocon in de strooisellaag. Verse cocons zijn bruin, de lege exemplaren verkleuren door de zon en worden dan even wit als eieren van reptielen als zandhagedis of ringslang.Dat zorgt nogal eens voor verwarring.

Rups van de Hageheld
De ontwikkeling van de soort kan 1 of 2 jaar duren. In het geval dat de ontwikkeling 1 jaar duurt, overwintert de halfvolwassen rups. Bij een 2-jarige ontwikkeling overwintert de pop in het tweede jaar. Ook de Hageheld is evenals de Processievlinder en de Plakker een nachtvlinder, maar hij is ook overdag actief; een dagactieve nachtvlinder. Het zijn overigens alleen de mannelijke vlinders die je overdag bij zonneschijn zigzaggend ziet rondvliegen. De vrouwtjes gaan namelijk pas vliegen als het gaat schemeren.
Het is een zomersoort die zich vooral in juli-augustus laat opmerken. Ik zag ze in de Groote Peel. Je kan de Hageheld in tal van leefgebieden aantreffen. Vooral op de zandgronden: van heide en bossen, maar ook in tuinen.

Rups van de Grote beer
Beervlinders zijn een onderfamilie van de spinneruilen. Er zijn 2 subfamilies: de echte beervlinders en de korstmosvlinders. De naam van deze dagactieve vlinders verwijst naar het uiterlijk van de rups.
De Grote beer hoort bij de echte beervlinders. De sterk behaarde rupsen zijn met hun 5-6 cm grote formaat een opvallende verschijning. De haren veroorzaken in tegenstelling tot bijvoorbeeld de processierups, echter vrijwel nooit huidirritaties. Pas in juli of augustus verpoppen ze. Tegen de tijd van verpoppen zijn ze bijzonder actief en je komt ze op dit moment overal tegen.

Rups van de Grote beer en van de Sint Jacobsvlinder
Vanaf het moment dat ze uit een eitje komen, is het eten en regelmatig vervellen, als ze uit hun huid dreigen te groeien. Een plant die ze graag bezoeken is het giftige Jacobskruiskruid. Ze raken het gif, dat ze met hun maaltijden van het Jakobskruiskruid binnenkrijgen, kwijt door dit in hun huid op te slaan. Als ze dan vervellen zijn ze het gif kwijt. Prachtig toch....

De andere rups op de foto is de Zebrarups. De rups van de Sint Jacobsvlinder, die ook het Jacobskruiskruid als waardplant heeft.

Rups van het Geel beertje
Zoals gezegd valt de familie beervlinders uiteen in twee zeer verschillende subfamilies: de grotere, kleurrijke en zwaar behaarde vlinders die tot de echte beervlinders (Arctiinae) worden gerekend en de kleinere, slanke en vaak grijzig gekleurde, minder behaarde soorten die tot de korstmosvlinders (Lithosiinae) worden gerekend. Korstmosvlinders vallen vooral op door hun vorm: ze zijn tamelijk langgerekt en schuiven in rust de vleugels vaak over elkaar heen of rollen ze zelfs op langs het lichaam.

Het Geel beertje is een soort die bij de korstmosvlinders wordt gerekend. De gele vlinder is in Nederland en België algemeen. Vooral op de zandgronden. Het nachtvlindertje heeft slechts een spanwijdte tussen de 27 en 30 millimeter. Hij valt op omdat hij vroeger vliegt dan de meeste andere korstmosvlinders, namelijk al vanaf eind april. De eitjes komen na ongeveer een maand uit. De rupsjes zijn tot in september actief. Volgroeide rupsen zijn slechts 18 tot 22 mm lang. Ze lijken veel op de andere beertjes: een zwarte rups met grijzige haren. Ze leven uitsluitend van op oude berken, eiken en meidoorns groeiende korstmossen. Daarna maken ze een heel dun coconnetje, waarin ze verpoppen en zo overwinteren. De cocon wordt opgehangen tussen mossen en korstmossen op boomstammen en struiken. De eerste vlinders verschijnen weer in april van het volgende jaar.

zondag 7 juni 2020

Boshoverheide

De Boshoverheide is een natuurgebied in de gemeente Weert tussen Weert en Budel. De heide is ruim 200 ha groot en ligt tussen de Loozerheide en de Weerter- en Budelerbergen. Een gedeelte van de heide wordt druk bezocht vanwege het grootste en uitgestrektste urnenveld van NW-Europa dat zich daar bevindt. Er is een kleine zandverstuiving en er lopen zandweggetjes door het hele gebied, zodat wandelaars vanaf het urnenveld naar de Loozerheide kunnen lopen. Fietsen is onmogelijk.

Panorama van de Boshoverheide vanaf de verhoogde vogeltelpost op de Loozerheide
De grote droogte doet het ergste vrezen voor dit heidegebied. En dan bedoel ik nog niet eens het gevaar van een brand, maar ook het niet tot groei en bloei komen van de heide. Dat zou al voor het derde jaar op rij zijn. De heide heeft het hier overigens sowieso al moeilijk, want het is hier “dankzij” de stikstofdepositie, afkomstig van boerenbedrijven, verkeer en industrie uit de omgeving dat de grond verzuurt en het pijpenstrootje hier het beeld steeds meer bepaalt.

Panorama van de Boshoverheide vanaf de verhoogde vogeltelpost op de Loozerheide
Dat gaat ten koste van de gevoeliger planten die in dit voedselarme milieu thuis horen zoals de heide, maar ook bijvoorbeeld zonnedauw, gagel, heidekartelblad, viooltjes en muizenoortje.

Door de dichte matten die de wortels van het pijpenstrootje op de bodem vormen, krijgen de zaden van andere planten namelijk nauwelijks gelegenheid te ontkiemen en op te komen. Zo worden ze geleidelijk verdrongen. Een boeiend artikel over de stikstofdepositie op de heide vond ik “Van heide en boeren naar stikstof en wensnatuur

Pijpenstrootje kan ook slecht tegen droogte

Pijpenstrootje houdt van nattere bodems, die tenminste vochtig zijn en redelijk zuur. Dus ook het pijpenstrootje heeft het hier nu moeilijk door de droogte.

In een vochtigere omgeving gedijt het pijpenstrootje goed
Het klinkt misschien stom, maar een brand zou hier bijna welkom zijn om een verdere groei van het pijpenstrootje tot stand te brengen!!!! Ik zeg dat niet zo maar, want het wordt vaker bewust gedaan, zoals bijvoorbeeld op de Sallandse heuvelrug.

Het gecontroleerd afbranden, mits aangevuld met begrazing, blijkt namelijk effectief om de door anorganische stikstofdepositie veroorzaakte dominantie van pijpenstrootje in droge heide te doorbreken en struikhei en andere karakteristieke soorten van dit habitattype weer te laten toenemen. Een uitgebreid onderzoek van Robert Bobbink e.a. over periodiek gecontroleerd branden om de effecten van vermesting, verzuring en verdroging terug te dringen en de voor Nederland karakteristieke (natuur)waarden duurzaam te behouden, kun je lezen in "Branden als EGM-maatregel". EGM = Effect Gerichte Maatregelen.

Na het gericht branden komen mooie jonge heide en diverse kruiden terug. Er wordt overigens alleen gebrand bij vorst om het beheersbaar te houden en kleine dieren en insecten die dieper in de grond overwinteren, lopen dan geen gevaar. Maar als het gecontroleerd branden of een spontaan ontstane brand in de zomer vanwege de sterke droogte uit de hand loopt en overslaat gaat dat ten koste van veel meer. Dus nee, toch maar niet..................

Heideterreinen moeten vooral tijdig begraasd, geplagd en eventueel gemaaid worden om die vergrassing (pijpenstrootje) en dichtgroeien met bomen en struiken voor te blijven. Om heide in stand te kunnen houden, is dus beheer noodzakelijk, maar omdat daar lange tijd geen sprake van is geweest, is er veel verdwenen en is het nog maar een fractie van wat het ooit was.

Onze moderne "grasmaaiers" in de vorm van Schotse hooglanders, Galloway-runderen en Taurossen hebben het ook niet echt begrepen op deze grassoort. Misschien dat dit te maken heeft met het feit dat bloeiend pijpenstrootjesgras giftig is. Tijdens de bloei (dus niet tijdens de groei en in de winter) maakt het pijpenstrootje namelijk blauwzuur aan dat opgeslagen wordt in de stengels. Geen púúr blauwzuur, maar verbindingen waar blauwzuur in zit. Als er echter grote hoeveelheden worden gegeten, kan dat tot problemen leiden. Het is een afweermechanisme van veel planten, dat van nature wordt gevormd door verschillende bacteriën, algen, schimmels.

Niets opvallends, want 10% van onze planten schijnt deze blauwzuurverbindingen te bevatten. Het wordt onder andere aangetroffen in bonen (kikkererwten, limabonen), vruchten (zaden en pitten van appels, kersen, peren, abrikozen, perziken en pruimen), bittere amandelen, walnoten, beukennoten, cashewnoten, lijnzaad, koolsoorten (broccoli, witte kool, boerenkool, spruiten). Ons lichaam weet dat in de lever om te zetten in thiocyanaat dat in ons speeksel komt en niet alleen belangrijk is voor de vertering van zetmeel, maar ook een antibacteriële werking heeft. Het kan dus absoluut geen kwaad om pitten van appels op te eten, mits dat op een normale manier gebeurt (bv. eet afzonderlijk geen handenvol pitten).

Jacobskruiskruid
Dieren voelen feilloos aan of ze iets kunnen eten of niet. Denk bijvoorbeeld maar eens aan het giftige Jacobskruiskruid dat de dieren laten staan en ook wordt er altijd in een boogje om de giftige boterbloem heen gelopen. Op het heideveld zullen ze dan ook in de zomer eerst aan andere planten beginnen en het pijpenstrooitje het liefst mijden. Anders is het natuurlijk als er niks anders voorhanden is. Vooral in de winter zit er vaak niks anders op.

  
Vaak is het zaad van dit gras ook geïnfecteerd met het zogeheten "pijpenstrootjesmoederkoren". Een giftig schimmel, dat vroeger ook in graan voorkwam. Vandaar de naam. Deze schimmel vormt een hard, purperzwart vruchtlichaam op het zaad. Ook in de winter is dit soms nog wel eens te zien als een zwarte verdikking, die dan tussen je vingers als poeder uit elkaar valt. Vroeger werd moederkoren gebruikt om bloedingen na de bevalling tegen te gaan, maar het was ook bekend als middel om abortus mee op te wekken. En bovendien bevat moederkoren ook nog eens een hallucinogeen stof, die nauw verwant is aan LSD en dan ook als grondstof voor dit spul wordt gebruikt.

Afgevreten pijpenstrootje op de Loozerheide
Urnenveld
Dus behalve dat het pijpenstrootje weinig voedingswaarde heeft, is het geen wonder dat de beesten liever geen pijpenstrootje willen vreten, maar als er in de winter niks anders is, moeten ze wel. De exmoor ponny’s schijnen er overigens geen probleem mee te hebben. Begrazing van het heideveld met taurossen en exmoors zou een overweging kunnen zijn, omdat ze op de ernaast gelegen Loozerheide grazen, maar hun betredingsdruk leent zich niet tot de heide en ze zullen de heidestruiken ook niet links laten liggen en door hun manier van grazen de heidestruiken onherstelbaar beschadigen.

Bovendien moet de Boshoverheide voor het publiek toegankelijk blijven en zulke grote beesten schrikken af. Je kunt daarom beter in de richting van schapen en geiten zoeken. Om die reden heeft het belgische Natuurpunt bijvoorbeeld op de Bolloheide (bij het Belgische Werchter) gekozen voor Ouessant schapen. Zij behoren tot een van de kleinste schapenrassen, maar zijn heel sterk omdat ze oorspronkelijk afkomstig zijn van barre streken. Ze vragen dan ook weinig verzorging en wat vooral belangrijk is, ze kunnen tegen het blauwzuur van het pijpenstrootje.

Herstel van de heide is alleen mogelijk als nog kiemkrachtig zaad aanwezig is, of als dat van elders aangevoerd wordt. Op de Boshoverheide wordt de heidegroei door middel van kleinschalig plaggen weer gestimuleerd en in stand gehouden. Men noemt dit plaggen chopperen. Dat wil zeggen dat er slechts een dun laagje aarde wordt verwijderd. Te zien aan de parallel lopende banen waar alle vegetatie wordt weggehaald. Op de eerste 2 foto's kun je die ook duidelijk zien.  Grootschalig plaggen levert misschien meer heide op, maar is vanuit het oogpunt van toename van de biodiversiteit ook weer niet altijd gunstig.

Bruin zandoogje
Een groot deel van de oorspronkelijke gevarieerde structuur gaat daarmee namelijk verloren, wat ook verlies van bijzondere plant- en diersoorten met zich mee kan brengen. Overwinterende rupsen van hooibeestjes, bruine zandoogjes en heivlinders vinden bijvoorbeeld een veilig winterverblijf in de graspollen en de kleine heivlinder leeft vooral op de overgang van open stuifzand naar heide en schraal open grasland,

Blogarchief