Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers

COPYRIGHT.. Zonder mijn toestemming mag geen gebruik worden gemaakt van mijn foto's en tekst.......


Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht allemaal beestjes. Sorteren op datum Alle posts tonen
Posts gesorteerd op relevantie tonen voor zoekopdracht allemaal beestjes. Sorteren op datum Alle posts tonen

zondag 26 september 2021

Allemaal beestjes #21

Dit is de laatste post van dit jaar met als thema “allemaal beestjes”. Door het dalen van de temperatuur zie je ze steeds minder en de paddenstoelentijd is ook  aangebroken. Mijn eerste foto’s liggen dan ook al klaar om geplaatst te worden. Maar eerst wil ik zoals gezegd jullie nog een aantal interessante "beestjes" laten zien, die ik dit jaar heb waargenomen en die ik nog niet geplaatst had.


De GOUDOOGDAAS (Chrysops relictus) is niet alleen een mooie soort, maar is ook een bijtende soort uit de familie dazen (Tabanidae). Ze leeft in heide-achtige gebieden, in de buurt van zeer vochtige plaatsen.
Ze is vooral met vochtig weer actief, zoals vlak voor of na een regenbui, of tijdens een broeierige zomerdag.
Ik trof ze bij mijn bezoek aan de Groote Peel veelvuldig aan. De vlieg wordt ongeveer 13 millimeter lang en is te herkennen aan de mooie glanzende blauwgroene ogen. Het achterlijf lijkt enigszins op dat van een bij; geel met zwarte banden, en ook aan weerszijden van het verder zeer donkere borststuk komt de gele kleur terug. Aan de vleugels is echter goed te zien dat het geen bij is; de vleugelbasis is zwart, op iedere vleugel-punt zit een grote zwarte vlek en de vleugels kunnen niet op de rug over elkaar gevouwen worden.
 

Hoewel dazen van nectar leven, heeft het vrouwtje om eitjes te kunnen produceren bloed nodig voor de benodigde proteïnen. Ze heeft vlijmscherp snijdende monddeeltjes waarmee ze een klein wondje in de huid maakt, waarna het bloed wordt opgezogen. Ze kunnen zelfs door dunne kleding heen snijden, om bij de huid te kunnen komen. Gastheren zijn voornamelijk dieren, maar ook mensen kunnen worden gebeten zoals je op bovenstaande foto ziet. De beet van een daas kan heftig zijn, maar in tegenstelling tot haar soortgenoten, is de beet van de Goudoogdaas voelbaar, maar lang niet zo pijnlijk. Soms zelfs zo gering, dat een beet niet eens wordt opgemerkt. In ruil voor een geslaagde foto stond ik dan ook toe dat ik even haar gastheer was. "Voor wat, hoort wat"!!!!!! 


De GEWONE ZANDWOLFSPIN (Arctosa perit) behoort tot de familie van de wolfspinnen. Ik heb al eerder iets over wolfspinnen (Gewone wolfspin en Kraamwebspin) geschreven in de post “Allemaal beestjes” en in “Allemaal beestjes#10”. Volwassen exemplaren van de Gewone zandwolfspin zijn te zien tussen maart en november. Het is een spin die op de meest kale, zandige, plekken met zeer schaarse vegetatie te vinden is. Niet alleen op zandgrond, maar ook in de duinen tref je haar dus aan. En? Heb je haar al gevonden op dit zoekplaatje?????


Dit is een detail van de vorige foto. Bij de vorige foto is het waarschijnlijk even zoeken geweest om te ontdekken waar het spinnetje nou precies zat. Het is dan ook de meest onzichtbare spin. De kleur van de poten en het achterlijf sluiten namelijk naadloos aan bij de zandige omgeving. Haar camouflage maakt het lichaam bijna onzichtbaar. Je zult haar alleen opmerken als ze in beweging is. Als ze stil zit, gaat dat echt niet lukken. Als ze in beweging is, valt het weer niet mee om er een scherpe foto van te maken. Ook al omdat ze niet groot zijn; het mannetje is slechts 7 - 8 mm en het vrouwtje is ietsje groter. Ze overwinteren in los zand in een zelf gegraven 30 cm lange en 4 tot 5 mm brede woonbuis, met spinsel bekleed, en van boven afgesloten.


Geen insect, maar de eitjes van de VEELVRAAT (Macrothylacia rubi). Een nachtvlinder die zijn naam dankt aan de rups, die naar het schijnt veel voedsel aan kan. De ca. 7 cm. roodbruin behaarde, met zwarte ringelbanden herkenbare rups kun je vooral vinden op heideveldjes, zandgronden en duinen. In de post “Van alles wat” kun je deze rups zien. Voorheen werd de vlinder ook wel Heidespinner genoemd. Dit vanwege het soort gebied waar hij vaak voor komt en het spinsel waarmee de rups haar cocon maakt. Hoewel de mannetjesvlinder ook overdag actief is, is het een nachtvlinder. Het vrouwtje vliegt echter alleen ’s nachts. 
 

In juni leggen de vrouwtjes eitjes in klonten op voornamelijk stengels van grassen en andere voedselplanten. Met wat geluk kun je ze wel eens vinden. In augustus komen de eitjes uit en kunnen we de rups vinden. De rupsen zijn actief tot diep in september, soms ook nog in oktober. Ze overwinteren als rups verstopt tussen mos of dode bladeren op de grond. In het voorjaar gaat de rups verpoppen op de grond en vanaf eind april komen dan de vlinders uit de cocons gekropen. Hier zien we zo’n groepje eitjes op een stengel van het pijpenstrootje.


rups van de Nachtpauwoog
Die eitjes lijken wat op die van de NACHTPAUWOOG, maar worden een maand later gelegd, als de rupsen van de nachtpauwoog al rondkruipen op de struikhei of het pijpenstrootje. Ik heb deze vlinder nog nooit gezien, maar Op het internet kun je die eens bekijken.


De PAARDENBLOEMSPANNER (Idaea seriata) is een nachtvlinder uit de familie Geometridae, de spanners. De meeste spanners zijn onopvallend van kleur, maar hebben vaak wel mooie patroontjes. Bij deze Paardenbloemspanner is dat niet echt bijzonder; de voor- en achtervleugel zijn in meer of mindere mate donker bespikkeld en de vleugelzoom is meestal iets donkerder dan de rest van de vleugel. De spanwijdte bedraagt tussen de 19 en 21 millimeter. De vlinder komt in Nederland en België algemeen voor op de zandgronden en in de duinen. Zijn habitat zijn struwelen, ruigten en tuinen; vaak in stedelijke omgeving. Het is een gewone soort, die vaak op verlichte ramen zit. Deze zat, waarschijnlijk ook aangelokt door het licht, tegen een raam op mijn balkon. Zoals bij de meeste spanners, heeft ook deze de vleugels bij rust uitgespreid. Het is een al lang bestaande naam (begin vorige eeuw), maar hoewel je het zou verwachten, is de paardenbloem géén waardplant van deze soort!! De rups voedt zich met droge bladresten. Er zijn elk jaar twee generaties die vliegen tussen mei en september. De soort overwintert als rups en verpopt zich in een cocon op de grond.

De naam spanners danken deze vlindertjes aan de manier van bewegen van de rupsen. Als die bewegen zie je dat ze voor- en achterpootjes hebben en daartussen niks. Geen "buikpootjes" dus..... Als ze gaan lopen, schuiven de achterpootjes eerst bij en dan gaan de voorpootjes vooruit. Een kwestie dus van ontspannen en SPANNEN. In Allemaal beestjes#15 kun je dat goed zien bij een andere spanner; de Grote wintervlinder. 


HELINA is een geslacht van insecten uit de familie van de Echte vliegen (Muscidae). De familie Muscidae is een grote familie. In Europa zijn ongeveer 600 soorten bekend. Soms lijken ze op vleesvliegen, bromvliegen. De naam Echte vliegen is dan wel de officiële naam, maar je ziet  vaak gewoon  "huisvliegen" staan. De bekendste vlieg uit deze familie is dan ook onze huisvlieg.
 

Voor deze Helina is er geen Nederlandse naam. Helina’s zijn vooral herkenbaar aan de sterke beharing.
De verschillen bij de verschillende soorten zijn heel klein De poten van deze zijn geel. Vandaar dat ik denk dat het Helina depuncta of misschien ook wel de Helena impuncta is. Het verschil schijnt met het aantal borstelharen en dwarsaders op de vleugels te maken te hebben. Er zijn nog wel wat meer verschillen in kenmerken tussen deze vliegen, maar dan wordt het verhaal wel erg ingewikkeld. Impuncta komt het meest voor, maar om precies te weten welke van de twee het is, is microscopisch onderzoek door een kenner nodig. Daarom houd ik het hier alleen bij Helina.


Een bijzondere waarneming van deze SCHORSVAANDELDRAGER (Dasycera oliviella), want die schijnt in Nederland een zeer zeldzame en in België een zeldzame soort te zijn. Ik heb de foto voor de zekerheid geplaatst op waarneming.nl en daar is de soortnaam bevestigd als correct. Deze soort is goed herkenbaar, zelfs voor de beginner, kans op verwarring is gering. Ik vond deze bij de IJzeren man in de tuin van het NMC.
De soort is sterk achteruit gegaan in heel het land en beperkt zich nu nog slechts tot enkele vondsten in het zuiden. Ze zijn niet alleen klein (de spanwijdte van de vlinder bedraagt slechts zo’n 15 millimeter), maar zijn ook overdag niet actief en stellen zich verdekt op. Het is namelijk een nachtvlindertje.

Het vlindertje komt uit de familie der sikkelmotten ( Oecophoridae).Ze worden zo genoemd vanwege de kromme snuit (palpen) die de vorm van een sikkel heeft . Je ziet ze soms met vooruitgestoken antennes.
Die antennes vallen op vanwege hun lengte en het witte uiteinde. De soort kent één jaarlijkse generatie die vliegt van mei tot in augustus. De rups leeft vooral van dood hout, onder de bast van dode en stervende bomen. In “allemaal beestjes#13” van september 2019, heb ik over een andere sikkelmot geschreven;
de Bruine Molmboorder. Daar kun je de sikkels beter zien.


Exoten of uitheemse soorten zijn planten en dieren die niet van oudsher in ons land voorkomen. Soms komt een soort op eigen kracht onze kant op en weet hier te overleven. Anderen krijgen onbedoeld een lift.
Een nieuwkomer onder de spinnen is deze GROTE STEATODA  (Steatoda grossa). Een spin die behoort tot de kogelspinnen. Je vindt ze veelal op donkere plaatsen in gebouwen (met een voorkeur voor kelders, waar ze dan vaak bij het keldergat haar web heeft), maar ook in de open lucht aan solide structuren te vinden.
De spin verbergt zich meestal in een spleet. Vaak (maar niet altijd) zie je lichtere inkepingen op de rugzijde van het achterlijf. 

Deze spin wordt vaak aangezien voor een Zwarte weduwe, maar heeft geen rode vlekken op de lichaams- onderzijde. De beet van de steatoda kan pijnlijk zijn, maar er zijn geen ernstige gevolgen. Toch is de kans op een beet klein: de spin blijft het liefst in zijn nest, bij mensen vandaan en is niet agressief.


In tegenstelling tot wat haar naam doet vermoeden is de spin niet zo groot. De Grote steatoda is echter groter dan andere soorten uit hetzelfde geslacht Steatoda. Vandaar de toevoeging “Grote”. Op de foto zie je een vrouwtje. Het vrouwtje wordt 6,5 tot 10 mm groot, is donker gekleurd en heeft een bolvormig achterlijf. Typische kleuring varieert van paarsachtig bruin tot zwart, met lichtgekleurde markeringen. Het mannetje ziet er heel anders uit dan het vrouwtje. Hij wordt 4 tot 6 mm groot en is ook dunner dan het vrouwtje. Vrouwelijke Steatoda grossa-spinnen kunnen wel tot zes jaar oud worden. De gemiddelde levensduur van de man is 1-1,5 jaar. Die is aanzienlijk korter, omdat ze vaak al kort na het paren sterven. 

De COLORADOKEVER  (Leptinotarsa decemlineata) is een kever die behoort tot de familie van de bladkevers (Chrysomelidae). De kever wordt ongeveer een centimeter lang en lijkt door zijn bolle en ronde lichaam wat op een groot lieveheersbeestje. Het onderscheid is dat de coloradokever vijf zwarte strepen heeft op elk van de dekschilden, die verder een geel tot geeloranje kleur hebben.  

De Coloradokever overwintert onder de grond en in de lente leggen de vrouwtjes honderden eitjes. De kever voedt zich uitsluitend met bladeren en bloemen van planten uit de nachtschadefamilie. De aardappelplant is de meest bekende en daar tref je hem dan ook vaak op aan. Als er tenminste niet wordt gespoten………
Ik heb ooit gelezen dat er in één seizoen tot wel 6 keer gespoten wordt. Vandaar dat je ze tegenwoordig minder vaak ziet.


De soort kwam oorspronkelijk alleen voor in de Amerikaanse staat Colorado. In 1877 werd de Amerikaanse oostkust bereikt en na de Eerste Wereldoorlog kreeg de kever vaste voet aan de grond in Europa . In Nederland werd de kever voor het eerst in 1937 levend gevonden, in Baarlo (Limburg) om precies te zijn. Een jaar later, in 1938, waren er ten zuiden van de Maas al 161 gemeenten met 607 vindplaatsen bekend.
Er is in het begin nog geprobeerd de kever uit te roeien. Daarom werden soldaten en werklozen ingezet om de kevers met man en macht te verzamelen en met gif te bestrijden, maar dit is niet gelukt. 
 
Ik kan me nog goed herinneren dat ik als jochie door mijn moeder op “coloradojacht” in de groentetuin werd gestuurd als ik niks aan het doen was. Altijd leuk om te doen (toen dan....) tenminste voor de kevers, maar de larven vond ik maar vieze beesten.


Probleem bij deze kever is, dat er geen natuurlijke vijanden zijn, omdat zowel de kever als de larve giftig zijn. Daardoor kon de coloradokever zich zeer snel vermenigvuldigen. Eén enkele kever kan in één seizoen voor duizenden nakomelingen zorgen. Onder gunstige omstandigheden, zoals hogere temperaturen en voldoende voedselaanbod, kunnen de larven van de coloradokever zich binnen twee tot drie weken ontwikkelen van jonge larve tot pop. De kevers kunnen zo een geduchte plaag vormen voor de aardappelteelt. Met name de larven zijn erg vraatzuchtig en kunnen aardappelvelden geheel ontbladeren.

De ZURINGWANTS of ZURINGRANDWANTS (Coreus marginatus) is een forse 11-15 mm grote tabaksbruine randwants die als imago te herkennen is aan haar bijna ronde achterlijf, de egale kleur en opvallend breed afgeronde schouders. De vierledige antennes zijn ongeveer de helft van de lichaamslengte en duidelijk zichtbaar vanwege de roodoranje kleur maar altijd met een zwart uiteinde. 

De naam randwants is vanwege de sterk verbrede rand van het achterlijf (abdomen).
Ze zijn zeer algemeen en bijna overal in Nederland te vinden, tot zelfs op de waddeneilanden. Je vindt ze in allerlei open en halfopen biotopen. Wordt ook veel gevonden in wegbermen, parken en tuinen.
Het voedsel bestaat uit diverse planten of de zaden ervan waar sappen uit worden gezogen, geliefd zijn planten als zuring en duizendknoop.
 
 
 
De Zuringgwants die je op deze 2 foto's ziet, is een nimf. Nimfen zijn nog niet volledig ontwikkelde imago's.
Nimfen van de Zuringwants lijken al direct op de ouderdieren, maar zijn nog vleugelloos, zijn sterk gestekeld en hebben relatief veel grotere antennes. Omdat de zuringwants zowel als imago en als nimf kan overwinteren, zijn in het voorjaar al diverse generaties te zien.

woensdag 5 augustus 2020

Allemaal beestjes #15

Dit is mijn 15e "allemaal beestjes" post. Als je op DEZE LINK klikt, kun je de andere "allemaal beestjes" bekijken en lezen. In de vorige post over beestjes ging het over (langharige) rupsen en in deze post wil ik er nog eens 2 laten zien. Deze zijn echter niet behaard. Vervolgens zie je een keur van andere kleine beestjes, die ik de afgelopen maanden gezien heb.

Spanrups
Deze rups wordt een Spanner genoemd. Spanners zijn een familie van vlinders, waarvan de rups vanwege het ontbreken van buikpootjes, eerst het achterlichaam tot aan de borst optrekt en daarna het voorlichaam vooruit schuift, zodat ze zich weer over de volle lengte uitSPANt. Het is net alsof ze een afstand afpast. Vroeger werden Spanners daarom ook wel Landmeters genoemd.

Grote wintervlinder
Deze Spanner is de tot 32 mm grote rups van de Grote wintervlinder. Ze kunnen nogal in kleur variëren. Ook de spanner op de vorige foto is namelijk de rups van de Grote wintervlinder. Deze spanrups veroorzaakt dan misschien geen fysieke klachten zoals sommige langharige rupsen, maar hij kan wel danig huishouden in de natuur. De beestjes kunnen bomen namelijk compleet kaalvreten, maar schadelijk voor de gezondheid van mensen zijn ze niet en omdat de vraat vroeg in het jaar plaatsvindt, lopen de bomen hetzelfde jaar nog uit. Voor koolmezen en andere insectenetende vogels zijn de rupsen van wintervlinders een belangrijke voedselbron.

    
Het bijzondere aan deze nachtvlinder (dat geldt ook voor zijn soortgenoot de Kleine wintervlinder) is dat ie in november en december actief is en dan pas op zoek gaat naar het vleugelloze vrouwtje om die te bevruchten. De eitjes worden hoog in de toppen van bomen gelegd en overwinteren daar. In april/mei komen de rupsjes uit. Nadat ze zich volgevreten hebben met eiken- of ander loofboomblad, gaan ze naar beneden en verpoppen zich in het strooisel op de grond. In het late najaar verschijnen de vlinders en begint de cyclus weer opnieuw.

Sint Jacobskruiskruid
In een eerdere post heb ik eens geschreven dat het, momenteel overal in de natuurgebieden, bloeiende Sint Jacobskruiskruid voor veel dieren op een ramp kan uitlopen en dat ze er aan dood kunnen gaan. Hoewel de insecten de plant graag bezoeken vanwege het stuifmeel en de nectar, zijn alle delen van de plant zeer giftig. Zelfs dieren als onze melkkoeien en paarden kunnen er aan dood gaan als het in te grote hoeveelheden in het hooi terecht is gekomen. De boeren verwensen deze plant dan ook en bestrijden die, maar in de natuurgebieden kan het gewas ongestoord groeien. De koeien en paarden eten de plant niet vanwege de geur en de vieze smaak, maar als het gedroogd wordt, raakt het de geur en smaak kwijt en wordt het dus wel gegeten. Met soms fatale gevolgen.

Zebrarups
Toch zijn er dieren die wel pap lusten van deze plant. Een van die dieren is de rups van de Sint Jacobsvlinder. Een vlinder waarvan het voortbestaan zelfs afhankelijk is van deze plant. We noemen zo’n plant een waardplant. Vandaar ook de naam Jacobsvlinder. De rups van deze vlinder, die vanwege zijn uiterlijk Zebrarups wordt genoemd, heeft het Jacobskruiskruid nodig als voedselbron. Nou vraag je je natuurlijk af, waarom die rups dat sterke vergif wel kan verdragen?

Zebrarups
Daar heeft de natuur een schitterende oplossing voor. Als de rups van de plant eet, komt het gif namelijk niet in het spijsverteringskanaal terecht, maar wordt het door de huid opgenomen. Aangezien de huid van een rups niet meegroeit tijdens de groei, moet hij een aantal keren een groter “jasje” aan doen. Dat doet hij door te vervellen; door de oude huid dus af te werpen en een nieuwe huid te krijgen. Door het afwerpen van zijn velletje raakt ie meteen ook het dodelijke gif kwijt. En zeg nu maar eens dat de natuur niet schitterend in elkaar zit…………

Elzenhaantje
Bladhaantjes zijn kleurige kevertjes. In "Allemaal beestjes#10" heb ik daarover al een en ander verteld. Dat geldt onder andere voor dit Elzenhaantje. Dit slechts 6 tot 7 mm lange kevertje heeft een blauwzwarte kleur met een mooie glans. Het kevertje overwintert in de bodem onder bladeren en afgestorven plantenresten en komt in de periode april- juni tevoorschijn. Als het vrouwtje na de bevruchting tot wel 900 oranje eitjes aan de onderkant van het elzenblad heeft afgezet, sterft ze.

Larve van het Elzenhaantje
Binnen 2 weken komen uit de eitjes olijfgroene, later zwart wordende larven tevoorschijn. Die lijken sterk op rupsjes met 2 rijen behaarde wratten. Na ca. drie weken (vanaf juli) verpoppen die zich onder afgestorven plantenresten en na 8 tot 11 dagen komt al weer de nieuwe generatie kevertjes tevoorschijn. Zowel het kevertje als de larve vreten gaten in het blad van voornamelijk els, maar ook wel de populier en de wilg. Echt schadelijk zijn ze eigenlijk niet. Als de aantasting massaal is kunnen de bomen zeker in conditie achteruit gaan, maar ze zullen zelden hiervan afsterven.

Hennepnetelgoudhaantje
De mooiste bladhaantjes zijn toch wel de zogenaamde Goudhaantjes. Het zijn mooie glanzende kevertjes met iriserende kleuren., die je meestal op specifieke planten (hun waardplanten) vindt en daar ook vaak naar genoemd worden. Zoals dit Hennepnetelgoudhaantje. In "Allemaal beestjes#10" kun je hier meer overlezen.

Grote goudhaan
Zo'n soortnaam geldt niet voor deze Grote goudhaan. Je vindt hem vooral op composieten zoals boeren- wormkruid. Deze zat op een zuringblad. Waarom hij Groot wordt genoemd is me niet duidelijk, want hoewel hij wat groter is dan zijn soortgenoten, is hij nog altijd minder dan 10 mm.

In Nederland is het een vrij algemene soort. Het meest opvallende zijn natuurlijk de mooie iriserende groen - gouden dekschilden. Vooral als de zon er op schijnt. Felle, glinsterende kleuren als camouflage lijkt niet logisch, maar toch ontdekten biologen dat deze kevers er op deze manier gebruik van maken! De kleur van deze bladhaantjes heeft namelijk een waarschuwende functie; laat me maar met rust, want ik ben niet om te "vreten"..... Niet-iriserende kevers blijken vaker het slachtoffer te worden van vogels die op zoek zijn naar een maaltijd dan de iriserende soortgenoten, omdat ze die waarschuwing niet afgeven..

Zwarttip smalboktor
De Zwarttip smalboktor is een middelgrote (10 -15 mm) boktor, die opvalt door zijn geel/bruine kleur met een zwarte stip (vlek) aan de achterkant van de dekschilden. De kop, halsschild, poten en sprieten zijn zwart. Hij verschilt van de meeste andere overeenkomstig gekleurde boktorren door de gehéél zwarte poten en de overwegend gele (in tegenstelling tot zwarte) beharing op de dekschilden. Op de foto is dat niet zo goed te zien. Je treft deze kever meestal aan op schermbloemigen als fluitenkruid, peen en berenklauw. Deze zat echter op de witte bloempjes van het duizendblad.

    
Hier zie je het mannetje van het Icarusblauwtje. De ene keer met dichtgeklapte- en de andere keer met open geklapte vleugels. Er zijn meerdere soorten blauwtjes. Ze zijn genoemd naar de blauwe kleur op de bovenkant van de vleugels. Die kleur zie je echter vaker niet dan wel. Als ze stilzitten hebben ze namelijk bijna altijd de vleugels dichtgeklapt. Je ziet het blauwe vaak dus pas als ze vliegen. Als het een vrouwtje is, is die bij sommige soorten ook nog eens bruin op de bovenkant en er is zelfs een bruin blauwtje!! Binnen de groep blauwtjes is determinatie dan ook soms lastig.

Boomblauwtje mnl.
Blauwtjes zijn relatief kleine vlinders (spanwijdte maximaal 30 mm.), die we overal in Europa kunnen aantreffen. Het Boomblauwtje is de kleinste. De voorvleugellengte is minder dan 20 mm. Het is me niet gelukt hem te fotograferen met open geklapte vleugels, maar de belangrijkste en gemakkelijkste kenmerken van blauwtje zijn te zien op de onderkant, dus als het met de vleugels dicht zit. Het is te herkennen aan de zilverwitte tot lichtblauwe onderzijde waarop zwarte stippen te zien zijn. Net inktspetters. De onderkant van de vleugels is bij mannetjes hetzelfde als de vrouwtjes, maar mannetjes hebben een smalle zwarte rand op de bovenkant van de vleugels, dus dit zou wel eens een mannetje kunnen zijn.

Boomblauwtje
Ook heeft dit vlindertje als enig blauwtje geen oranje in zijn vleugels en zoals de naam al doet vermoeden voelt het zich het beste thuis in en nabij bomen en struiken. Vandaar ook die naam. Dat ze meestal/vaak vrij hoog vliegen, is een belangrijke eigenschap waaraan je ze kunt herkennen. De andere blauwtjes vliegen meestal op bloemenhoogte. Het Boomblauwtje leeft van de honingdauw van onder andere Klimop en Vuilboom.

Boskrekel
De Boskrekel leeft in gebieden met een dikke strooisellaag waarin de krekel naar voedsel zoekt. Meestal wordt deze soort in bossen of bosranden aangetroffen, maar ook begroeide delen van heidevelden, spoorwegbermen, parken en tuinen zijn een geschikt habitat. Het is een bodembewonende soort die niet klimt en bij gevaar schuilt onder bladeren, takjes en allerlei andere objecten zoals houtsnippers. De krekel zoekt warmere en drogere delen op en kan na enige tijd in de zon gezeten te hebben razendsnel zijn. In Nederland is de soort plaatselijk algemeen, maar komt alleen in het zuidoosten van het land voor. De boskrekel is als volwassen dier te zien van juli tot oktober.

Boskrekel
De kleur van de Boskrekel is goudbruin tot bijna zwart en het halsschild is lichter van kleur. Kenmerkend is de omgekeerde Y- vormige vlek op de kop. De vleugels zijn zeer kort en de krekel kan er niet mee vliegen of zweven. Bij de mannetjes reiken de vleugels tot het midden van het achterlijf, die van vrouwtjes zijn korter. De achterpoten zijn niet veel groter dan de andere twee paar en vooral de dijen zijn verbreed. De antennes zijn iets langer dan het lichaam en beide seksen hebben twee duidelijk zichtbare, draadachtige achterlijfspunten (cerci) die dienen als tastorgaan. Het vrouwtje heeft in het midden ook een legbuis voor de eiafzet die donkerbruin tot zwart van kleur is. De legboor is relatief lang en heeft een verdikt uiteinde.

Mannetjes zijn ietsjes kleiner dan vrouwtjes en worden 7 tot 10 millimeter lang. Het verschil in grootte is eigenlijk amper te zien, maar omdat de legbuis bij deze krekel ontbreekt, weet je dat de krekel op deze foto een mannetje is.

Oranje aaskever
De Oranje aaskever is een soort aaskever die amper 1 tot 2 centimeter groot wordt. Hun dekschild is zeer donkerbruin tot zelfs zwart, waardoor ze zeker op het zwarte zand moeilijk te vinden zijn. Het enige opvallende is het schild om de hals dat lichtbruin tot oranje van kleur is. De antennes eindigen in een mooie waaier. Het lijfje is ovaal van vorm en het kevertje kan de zes pootjes volledig intrekken in het schild.

Oranje aaskever
Zoals de naam het zegt, leven deze diertjes van aas, maar ook van mest, rotte bladeren en paddenstoelen. Zo lusten ze ook de grote stinkzwam en helpen mee om de sporen van deze paddenstoel te verspreiden. Ze worden daarom ook wel Stinkzwamaaskever genoemd.

Schuimcicade
Ongetwijfeld heb je wel ooit de slijmerige schuimhoopjes gezien die aan planten kleven. Vaak zijn dat wilgen. Als je goed kijkt zie je dat daar een klein beestje in zit. Dat is het schuimbeestje, dat ook wel spuugbeestje of schuimcicade (Philaenus spumarius) wordt genoemd. Het is de meest algemene en bekendste cicade.

Schuimcicade
De lichaamslengte is ongeveer 5 millimeter, de kleur is bruin tot bruingrijs met soms lichtere vlekken. De larven zijn bleekgroen tot -geel . Ze verschijnen in mei, maar we zien ze ook nog in de vroege zomer. Ze vormen het schuim door lucht uit te ademen in vocht dat via de anus wordt uitgescheiden. Met een speciale adembuis blaast de nimf lucht in dat mengsel en ontstaan er schuimbelletjes. Dit schuim maken ze om hun tere huid te beschermen tegen uitdroging van de zon alsook tegen mogelijke belagers zoals spinnen, vogels en wespen.

Schuimnest of Koekoeksspuug met schuimcicade
Het schuimnest is bij het grote publiek beter bekend als koekoeksspuug. Het volwassen diertje is een klein springertje van 7 mm dat plotseling van een plant wegspringt als het opgeschrikt wordt. Het bijzondere daarvan is dat het wel 70 cm ver kan springen, wat ruim honderd maal zijn eigen lengte is.

Smalle randwants
Er zijn in Nederland circa 1000 soorten wantsen in Nederland. Een veel voorkomende soort is deze Smalle randwants. Deze is gemakkelijk te herkennen aan de hoekige schouders en de egaal gekleurde oranjebruine poten (de dijen en schenen hebben dezelfde kleur). Deze soort heeft in vergelijking met bijvoorbeeld de zuringrandwants een smaller achterlijf en aan de voorkant van de kop tussen de antennen heeft ie geen stekels. De meeste waarnemingen zijn in de periode april tot september met pieken in juni en augustus. Je kunt ze vinden in zonbeschenen struwelen en bosranden met loofhout, met een voorkeur voor besdragende struiken zoals meidoorn, lijsterbes, vogelkers en vuilboom.

Veelkleurige- of Heidekielspriet
Dit is een loopkever, die bij het geslacht van de kielsprieten hoort. Als je hem op zijn rug weet te leggen, zie je waarom hij kielspriet wordt genoemd. Je ziet dan namelijk een opstaande rand (de kiel) tussen de poten. Vergelijkbaar met de plank midden onder de boot, die bedoeld is om hem stabiel te houden. Wat de functie van deze kiel is, is mij niet duidelijk. Het is een ca. 20 mm grote kever met een rugschild met smalle nerven, die een koperen, groene of violette weerschijn heeft. In het felle zonlicht lijkt het net een koper-gouden kever.
Veelkleurige- of Heidekielspriet
Er zijn meerdere soorten die erg op elkaar lijken, dus ik ben niet zeker of het inderdaad de Veelkleurige kielspriet is. Het zou ook de Heidekielspriet kunnen zijn, of de Koperen kielspriet, hoewel de laatste op kleigrond wordt gevonden. De Veelkleurige- en de Heidekielspriet vind je op zandgrond en heide.

zaterdag 22 oktober 2016

Allemaal beestjes #7

Er is een enorme diversiteit aan kevers. In het Nederlands Soortenregister staan ruim 4.100 soorten geregistreerd. Zo zijn er bijvoorbeeld Bladsprietkevers, Snuitkevers, Bladhaantjes, Kortschildkevers, Kniptorren, Boktorren en Loopkevers. De grootte kan oplopen van enkele milimeters (o.a. aardvlooien) tot bijna 9 cm (vliegend hert). Ik begin in deze post met enkele opvallend grote kevers.

Gewone streeploopkever
In akkers komen insecten voor die de ontwikkeling van plagen in de kiem smoren en dus helpen bij de biologische bestrijding van landbouwplagen, waardoor het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen kan worden verminderd. Het is bijna niet voor te stellen, maar er is door Wageningen University & Research berekend, dat op een biologische akker van één hectare al gauw 100.000 kevers zitten! Per dag eten die vele duizenden luizen, slakken en andere insecten. En zij worden weer gegeten door vogels en spitsmuizen.

Een zo'n kever is deze gewone streeploopkever. Hij heeft een voorkeur voor het open veld en mijdt grasstroken en heggen, ook al is daar veel voedsel. Om prooi te vinden loopt hij kriskras door het veld en loopt op een dag al zigzaggend een afstand af van (schrik niet) 10-16 meter! Over een heel groeiseizoen van 16 weken komen de kevers niet verder dan 100-170 meter vanaf de plaats waar ze uit de pop kropen. Het type gewas kan mede bepalen hoeveel kevers er in een akker lopen.

Bosmestkever
Mestkevers zijn gespecialiseerd in de soort mest. Zo heeft deze bosmestkever een voorkeur voor koeienmest. Geen verse vlaaien, maar al wat ouder en ingedroogd. De bosmestkever of voorjaarsmestkever is de bekendste soort mestkever in Nederland en België. Hij lijkt veel op de gewone mestkever, maar hij heeft gladdere dekschilden, met minder en ondiepere groeven op het achterlijf. Ook is het lichaam iets boller en hij is iets kleiner. In "allemaal beestjes #2 vertelde ik daar al iets over.

De zware bepantsering maakt dat de mestkever zwaar en niet erg snel is. De poten zijn dan ook stevig en sterk behaard en worden gebruikt om mest te begraven onder de grond. De tasters zijn kort maar vanwege de sterk geveerde, soms oranje uiteinden die wel wat op blaadjes lijken, zijn die erg opvallend. Met die sprieten kunnen ze mest op grote afstand ruiken. Deze gebruiken ze als voedselbron en om hun eieren in af te zetten. De kever komt in juli uit, maar blijft tot het voorjaar onder de grond zitten. Je vindt hem van mei tot oktober op zanderige gronden zoals heidevelden, maar uiteraard vooral in bossen en langs bosranden.

Kettingschallebijter
Schallebijters of schalebijters zijn een geslacht van kevers die behoren tot de loopkevers. Ik vond deze prachtige soort in de Lozerheide (B.) De kever heeft die curieuze naam te danken aan een verbastering van "scalbote, dat afgeleid is van het Franse escarbot", dat “kever” betekent. Zowel de larven als de volwassen kevers zijn felle rovers. Het zijn typische bodembewoners en je vindt ze in humusrijke bossen en gebieden met een dikke strooisellaag. De volwassen kever is vooral actief in het voorjaar. Die je in de herfst soms nog vindt, zijn “verse dieren”, maar de meeste zijn dan al in de bodem in winterrust.

De lengtegroeven en kettingachtige bobbels op het rugschild van deze schallebijter zijn kenmerkend voor zijn soort. Vandaar zijn naam kettingschallebijter. De kleur is variabel; meestal zijn ze donkerbruin, maar ook komen zwarte en zelfs oranjerode en groene exemplaren voor. Deze snelle jager is voornamelijk 's nachts actief en kan overdag gevonden worden onder stenen, afgevallen takken en achter schors van dood hout. Op zijn menu staan vooral wormen, ritnaalden, emelten en naaktslakken, die al rennend bejaagd worden en eenmaal gevangen in stukjes worden geknipt met de grote sterke kaken.

Vuurwants
In "Allemaal beestjes #6" heb ik als laatste iets verteld over de weidewants. Hoewel het zo lijkt, zijn dat géén kevers. Ze horen bij de onderorde der wantsen. Deze orde is weer onderdeel van de orde Hemiptera (snaveldragers), waar ook o.a. het bootsmannetje, bladvlooien en cicaden bij horen.

Dit jaar zag ik weer veel Vuurwantsen in mijn tuin. Ook nu kun je ze nog vinden. Vooral op zonnige plekjes, want het zijn echte zonaanbidders. En hoe warmer en zonniger, des te sneller ze zijn. Als ze merken dat ze "begluurd" worden, verdwijnen ze meteen uit je gezichtsveld door weg te rennen, achter een blad te gaan zitten, of desnoods door zich te laten vallen. Zij leven voornamelijk van plantensappen (zaadjes, bladeren, boomschors, ... ), maar soms zuigen ze ook het sap uit insecteneieren en (dode) insecten. Ze gebruiken het opgezogen plantensap ook als chemisch afweermiddel tegen vijanden zoals vogels. Vandaar ook de waarschuwing aan de vogels met hun vuurrode kleur en masker.

net vervelde onuitgekleurde nimf van de vuurwants
Wantsen doorlopen diverse nimfenstadia voor ze volwassen zijn en elke keer als ze vervellen en ietsje groter uit hun velletje kruipen, ziet het kleurpatroon er weer anders uit. Hier zie je een net vervelde, nog niet uitgekleurde nimf van de vuurwants

nimfen van de Vuurwants
Op deze foto zie je een drietal nimfen, die een andere (dode?) vuurwants belagen. Hoewel het in principe planteneters zijn, gaan ze bij tekort aan voedsel ook wel over tot het leegzuigen van dode insecten. Mocht daar ook een tekort aan zijn, dan overvallen ze ook levende insecten en soms gaan ze, zoals je op de foto ziet, zelfs over tot kannibalisme. Ook bij volwassen dieren zie je dat wel eens.

Kaneelwants
Deze soort wordt vaak verwisseld met de Vuurwants. Ze heeft ook een rode basiskleur met zwarte vlekkentekening, maar als je een beetje beter kijkt zie je dat we hier toch met een andere soort te maken hebben. Dit is namelijk de Kaneelwants. Deze soort heeft een andere en strakkere vlekken- en lijnentekening en een wat elliptischer lichaam. Ook de zwarte vlek aan de achterzijde is anders. Als je ze opjaagt zal een vuurwants snel weg rennen, want die kan niet vliegen. Dit in tegenstelling tot deze kaneelwants, want die kan wel goed vliegen. Het duidelijkste verschil vind ik echter de kop. Die is bij de vuurwants geheel zwart, terwijl de kaneelwants een grote rode stip aan de voorzijde van de kop heeft.

Grauwe veldwants
Dit is weer een ander soort wants. Deze hoort bij de schildwantsen (Pentatomidae). Penta (vijf) verwijst naar het aantal geledingen van de antennes. De antennes zijn geringd met zwarte en gele markeringen. Op de rug is het scutellum (het driehoekig schildje) meestal ook fors ontwikkeld.

Door de opwarming van het klimaat zien we hier steeds meer soorten, die hier vroeger zeldzaam waren. Een voorbeeld daarvan is deze ca. 15 mm. grote Grauwe veldwants, hoewel die alleen nog in het zuiden van Nederland voor schijnt te komen. Het imago (volwassen exemplaar) is wat minder kleurig dan de nimf, die in eerste instantie ook vleugelloos is. De vleugelstompjes zijn alleen herkenbaar in een later (3e) stadium.
Ze eten bladkeverlarven en zijn nuttig, zeker als die een plaag dreigen te gaan vormen. Verder zuigen ze ook sappen uit vruchten en zaden. De soort produceert slechts één generatie per jaar en overwintert bij voorkeur op muren bedekt met klimop. Op hun zoektocht naar geschikte spleten en kieren komen ze nogal eens in huis terecht. Ze doen echter geen kwaad en in het voorjaar zijn ze weer verdwenen. Ik zou zeggen: gun die beestjes toch ook een goed hotel!!! (hoewel mijn vrouw daar ongetwijfeld anders over zal denken..........)

Bootsmannetje
Ik schreef bij de vuurwants dat ook het Bootsmannetje een wants is. Als je de foto van dit vreemde wezentje bekijkt is het net of er iets niet klopt, maar dat is dus niet zo. Deze waterwants van 15 mm is namelijk een "rugzwemmer", die met zijn 2 spatel-achtige poten schokkerig door het water peddelt alsof hij aan het roeien is. Hier heeft hij zijn naam aan te danken. Tip. Kijk eens naar dit filmpje op YouTube.
Omdat hij vooral prooien eet die zich op of tegen het wateroppervlak bevinden, kan hij ze blijkbaar liggend op zijn rug beter waarnemen. Als hij dieper onder water zwemt en even stopt met roeien, stijgt hij direct naar de oppervlakte, omdat hij lucht onder zijn vleugels heeft opgeslagen, die hem onder water van zuurstof voorziet. Aan de oppervlakte zwemmend, haalt hij adem door een korte adembuis bij zijn achterlijf, dat iets boven het water uitsteekt. Deze geduchte rover kun je beter niet oppakken, want hij kan gemeen bijten.

Tot slot nog een heel ander (en groter) beestje in deze post: de bruine kikker. Die zijn dit jaar, waarschijnlijk dankzij de zachte nazomer en begin van de herfst, nog steeds actief. Vandaar deze foto's.
Bruine kikker
Van de boomkikker is het bekend dat hij in staat is om over gladde en steile oppervlakten te lopen en behendig in planten te klimmen. Maar ook andere kikkers en padden kunnen zoals je ziet goed klimmen. Weliswaar is dit een grote boomstronk, maar toch....
bruine kikker
De bruine kikker komt tot in alle uithoeken van Nederland en België voor. Nu zie je vooral jonge kikkers, die op zoek zijn naar een veilig plekje voor de winter. Hij leeft voornamelijk op vochtige plaatsen onder struiken, in weilanden naast sloten, in bossen en heidevelden. 
bruine kikker
Je zou het niet verwachten, maar je vindt hem zelden in het water. Hij komt eigenlijk alleen in de lente, voor de voortplanting, in het water of op warme dagen en in droge periodes om zo uitdroging te voorkomen.
Bruine kikker
Ze zijn zoals je op deze foto's ziet, nogal variabel van kleur (bruin, roodbruin, geelbruin, grijsbruin, etc.) met een patroon van donkere vlekken en een lichte gemarmerde buik. Op de rug heeft hij twee huidplooien in een iets lichtere kleur . 
bruine kikker
Aan de zijkant van de kop, vanaf het oog tot aan de schouder heeft hij een grote, donkerbruine vlek; de kwaakblaas. De bruine kikker heeft een inwendige kwaakblaas, zodat de roep zeer zacht is en amper 10 tot 20 m ver draagt. Ze hebben lange achterpoten met goed zichtbare zwemvliezen. Dat is het beste op de eerste foto te zien.

Dat is de laatste "Allemaal beestjes" van dit jaar. De komende blogs zal ik vooral aandacht besteden aan paddenstoelen, die eindelijk steeds veelvuldiger hun kopjes boven de grond uit steken.

Blogarchief