Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers

COPYRIGHT..

Deze posts zijn auteursrechtelijk beschermd. Overname van de inhoud van deze rapportage, hetzij integraal, gedeeltelijk of parafraserend, ongeacht het analoge of digitale medium waarin, ongeacht het doel en ongeacht de aanvrager, is niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de beheerder.

Posts gesorteerd op datum tonen voor zoekopdracht kwegt. Sorteren op relevantieAlle posts tonen
Posts gesorteerd op datum tonen voor zoekopdracht kwegt. Sorteren op relevantieAlle posts tonen

vrijdag 30 januari 2026

Allemaal beestjes #31

De laatste "Allemaal beestjes" die ik plaatste is van 15 augustus 2024. Ik ben misschien te veel bezig geweest met  paddenstoelen. Intussen heb ik echter wel weer een flink aantal "beestjes" in mijn to-do-map zitten. Hoewel het nu in de wintertijd rustig is wat betreft insecten, is het hoog tijd om jullie met deze en de volgende post daarvan weer eens te laten genieten.  

Macrophya montana
MACROPHYA MONTANA is een in Nederland vrij algemene inheemse soort uit de familie van de bladwespen (Tenthredinidae). Niemand heeft er blijkbaar ooit bij stil gestaan om het een Nederlandse naam te geven. De vliegtijd van dit wespje is van begin mei tot eind juli, met een piek van begin mei tot midden juni. Het is een vegetarische wesp; de larven eten namelijk geen dieren, maar hebben een voorkeur voor de bladeren van de braam en framboos. Imago's worden echter, zoals hier ook het geval is,  vooral gevonden op schermbloemen.
Macrophya montana
De soort bereikt een lichaamslengte van 9 tot 11 millimeter. Het vrouwtje is gemarkeerd in zwart en geel. De kop is zwart met gele snuit. Op het achterlijf is de eerste rugplaat geheel geel, de vijfde en zesde hebben brede gele banden in het midden gebroken met zwart. Op de zevende, soms ook op de vierde, zijn er kleine gele vlekken aan de zijkanten. De negende is bovenaan ook geel getekend.  De poten van het vrouwtje zijn ook overwegend geel met zwarte aftekeningen.
Dit is dus het vrouwtje. Er is een duidelijk uiterlijk verschil tussen mannetjes en vrouwtjes (seksueel dimorfisme); het mannetje is vrijwel helemaal zwart, met soms  smalle bleke banden aan de zijkanten, bleke poten en witte segmenten op de achterpoten.. 
bramensprinkhaan
De BRAMENSPRINKHAAN (Pholidoptera griseoaptera) is een bruine, zeer kort gevleugelde sabelsprinkhaan. Op deze twee kenmerken zijn de volwassen dieren in Nederland onmiddellijk te herkennen. Dit is een vrouwtje (te zien aan de legboor). In Nederland wordt deze sprinkhaan vooral aangetroffen in het zuidoosten en langs de grote rivieren. Hij is als imago actief van half juni tot begin november, Bramensprinkhanen leven in de struikzoom langs bossen en dergelijke. Ze hebben een voorkeur voor planten met grotere bladeren, vooral braamstruiken waaraan ze hun naam danken, maar ook wel andere soorten planten. 
 bramensprinkhaan
De vleugels zijn opvallend kort, bij de mannetjes zijn ze ongeveer even lang als het halsschild, bij de vrouwtjes zijn ze zelfs verworden tot onooglijk kleine, schub-achtige "flapjes". De antennes zijn duidelijk veel langer dan het lichaam, ook de achterpoten zijn zeer lang en sprieterig. Als je niet, of niet goed kunt vliegen, is heel ver springen een goed alternatief!  
Vrouwtjes hebben een vrij korte, iets omhoog gerichte sabelvormige legbuis die vrij breed is, bruin van kleur en sterk zijdelings is afgeplat. Ondanks het intimiderende uiterlijk kunnen ze daar niet mee steken.

 cluster- of  klustervlieg
De CLUSTER- OF KLUSTERVLIEG (Pollenia rudis) is een vliegensoort uit de familie van de bromvliegen (Calliphoridae) Ze heeft wel wat weg van de huisvlieg, maar is wat forser van formaat. Zoals de naam al aangeeft vliegen ze in grote klusters of zwermen. Ze kunnen vooral in het najaar grote zwermen vormen als ze op zoek gaan naar een geschikte overwinteringsplaats, zoals in holle bomen of in spouwmuren. 
klustervlieg
Dit is een vrouwtje. De ogen zijn namelijk gescheiden. Als de ogen elkaar raken is het een mannetje. 
De diertjes zijn niet gevaarlijk - ze steken niet, brommen niet en brengen geen nare ziektes over - maar doordat ze in zulke grote hoeveelheden actief zijn en soms ook in gebouwen overwinteren op een droge plek zoals in de spouwmuur, in ongebruikte kamers, dakbedekking en op de zolder, kunnen ze vooral na hun ontwaken in maart bijzonder hinderlijk zijn en op plaatsen komen waar je ze liever niet hebt. 
weer eens wat anders: de onderkant
De langwerpige witte eitjes worden door de vrouwtjes afgezet in kieren van de grond of in de humuslaag, waarna ze ’s zomers al na 3 dagen uitkomen. De larven parasiteren op regenwormen; ze eten ze van binnenuit op. Wanneer de larve het popstadium bereikt, verlaat hij de worm om zich in de grond te verpoppen. Er zijn drie of soms zelfs vier generaties per jaar. 
De 5-12 mm lange, bruingrijze clustervlieg heeft een borststuk met goudkleurige haren. Het achterlijf is enigszins afgeplat en heeft asgrijs-zilveren vlekken.
rups van de grote beer
Beervlinders zijn nachtvlindersoorten uit de familie van de spinneruilen. Ze danken hun naam aan de harige rupsen, vaak met een donkerbruin tot zwarte kleur en oranje/rode accenten. Ze voeden zich met planten, korstmossen of algen. Beervlinderrupsen zijn vaak actief in het voorjaar, overdag zonnend, en kunnen huidirritatie veroorzaken. Bekende soorten zijn de  Grote beer, de Weegbreebeer en het Zwart beertje. 

De naam GROTE BEER  (Arctia caja) doet je in de eerste plaatst misschien denken aan een sterrenbeeld, maar de Grote beervlinder is een dagactieve nachtvlinder uit de familie van de uilen. 
De naam van de vlinder verwijst naar het uiterlijk van de rups. Die is, zoals je ziet, namelijk sterk behaard met een vacht als een beer (zegt men....). In tegenstelling tot andere harige soorten (o.a. processierups), veroorzaken de haren van de Grote beer vrijwel nooit huidirritaties. 
Pas in juli of augustus verpoppen ze. Tegen de tijd van verpoppen zijn ze bijzonder actief en je komt ze dan ook overal tegen. Deze rupsen raken het gif, dat ze met hun maaltijden van o.a. het jakobskruiskruid binnenkrijgen, kwijt door dit in hun huid op te slaan. Na het vervellen zijn ze hun gif kwijt. Prachtig toch....
zwart beertje 
De vliegtijd van het ZWART BEERTJE  (Atolmis rubricollis) is van half mei tot half juli in slechts één generatie. Het is een nachtvlinder, die echter ook overdag vliegt. Het vlindertje wordt zo genoemd omdat het (met uitzondering van het oranje rode kraagje) volledig fluweelachtige zwarte vleugels heeft. Net als de rupsen van meer kleine beertjes houden ze niet van malse blaadjes, maar van korstmossen en algen die op de stam van bomen groeien. De rupsen  zijn actief van augustus tot oktober. Daarna dalen ze af naar de bosbodem om onder het mos te verpoppen.
rups van het geel beertje
Het GEEL BEERTJE (Eilema sororcula) is een nachtvlinder uit de familie van de spinneruilen (Erebidae) en de onderfamilie van de beervlinders (Arctiinae). De spanwijdte bedraagt tussen de 27 en 30 millimeter. De vliegtijd van het Geel beertje loopt van eind april tot in juni. De naam beervlinder dankt ie aan de behaarde rupsen. De gele vlinder komt voor in Centraal- en Zuid-Europa, Klein-Azië en Zuidoost-Azië. 

Hoewel ik dit vlindertje zelf nog nooit heb waargenomen, omdat het uitsluitend ’s nachts vliegt , is het ook in Nederland en België algemeen. Vooral op de zandgronden. Heel bijzonder is dat de vlinders ook meestal in de buurt van de boom blijven waar ze zijn opgegroeid. Deze rups vond ik in mei bij de Kwegt. Ze leven vooral van korstmossen op bomen en zijn tot in september actief. Daarna maken ze een heel dun coconnetje, waarin ze verpoppen en zo overwinteren. De cocon wordt opgehangen tussen mossen en korstmossen op boomstammen en struiken. De eerste vlinders verschijnen in april van het volgende jaar.
hazelaaruil
De HAZELAARUIL (Colocasia coryli) is een nachtvlinder uit de familie van de donsuilen. Aan de volwassen vlinders is het verschil met de echte uilen niet te zien, maar wel aan de rupsen. Deze zijn namelijk zeer zwaar behaard en lijken helemaal niet op de rupsen van uilen die allemaal kaal zijn, of een enkel haartje hebben. De voorvleugellengte is tussen de 14 en 17 millimeter. De soort komt voor in heel Europa en het westen van Azië. Hij overwintert als pop. De habitat van deze soort is loofbos. Waardplanten zijn onder eiken, beuk, berken en spaanse aak. Het is in Nederland en België een algemene soort, die verspreid over het hele zandgrond-gebied kan worden gezien. 
De vlinder kent twee generaties die vliegen van begin april tot begin september. De mannetjes vliegen vanaf de schemering. De vrouwtjes vliegen nauwelijks en worden slechts weinig gezien. 
rups van de Hazelaaruil
De rups kun je aantreffen in mei-juli en september-oktober. Ze foerageert ´s nachts en verbergt zich overdag veelal tussen samengesponnen bladeren. De soort overwintert als pop in een cocon in de strooisellaag, onder mos of aan de basis van de stam van de waardplant. Het lijf van de rups is gewoonlijk rozeachtig oranje, maar soms ook bruin, okerkleurig of grijs en bekleed met fijne, witachtige haarborstels, de segmenten vier, vijf en elf hebben elk roodachtig bruine of zwartachtige haarkwastjes op de rug; over het midden van de rug een rij donkere, rechthoekige vlekken, die elkaar soms raken en dan een ononderbroken band vormen; op de flanken een witachtige lengteband en de kop is roodachtig bruin of grijsachtig.
stro-uiltje
Het STRO-UILTJE (Rivula sericealis) is een dag- en nachtactief nachtvlindertje op vochtige graslanden, moerassen, heiden en natte bospaden uit de familie spinneruilen (Erebidae). De voorvleugellengte bedraagt tussen de 13 en 15 millimeter. De imago kan verward worden met de late koolmot (Evergestis forficalis) uit de familie van de grasmotten (Crambidae), maar deze is wat groter en er lopen strepen over de voorvleugel. Het stro-uiltje overwintert als rups. Het heeft diverse grassen als waardplant, zoals pijpestrootje. Het is in Nederland en België een gewone vlinder, die over het hele gebied verspreid voorkomt. De vliegtijd is van half mei tot en half oktober in 3 generaties.

De voorvleugel van deze kleine spinneruil is strokleurig met een bruine achterrand en bruine franje; afgevlogen exemplaren zijn lichter, soms bijna witachtig van kleur. Kenmerkend is de duidelijke middenvlek, die op het eerste gezicht bruin lijkt, maar die met een loep bekeken bij verse vlinders paars blijkt te zijn met twee zwarte stipjes. De kleur van de voorvleugel is enigszins variabel; vooral exemplaren van de tweede generatie zijn soms geelachtig bruin of lichtbruin en kleiner.
rups van de zilveren groenuil
De ZILVEREN GROENUIL (Pseudoips prasinana) is een nachtvlindertje uit de familie van de uilen. De spanwijdte van de vlinder varieert tussen de 30 en 35 millimeter. De vliegtijd is mei tot en met juli. Het verspreidingsgebied beslaat geheel Europa. De volwassen nachtvlinder is groen, en heeft lichte zilveren strepen op de vleugels. Hij is dan ook lastig te zien tussen groen blad. Het vlindertje zelf heb ik daarom waarschijnlijk ook nog nooit gezien. Waardplanten zijn vooral eiken en berken, maar ook andere soorten zoal de beuk, hazelaar en populier. 
rups van de groene zilveruil
De rups is wel opvallend. Ik vond deze begin oktober op mijn balkon. Vlakbij staat een moeraseik, dus daar zal hij wel uitgevallen zijn. Ik vind het een mooie rups. Ze is ongeveer 35 mm lang. Het heeft een heldergroene kleur met geelachtig witte spikkels en streepjes; over de rug twee brede, geelachtig witte lengtestrepen, De kop is lichtgroen. Het lichaam oogt wat plomp en naar de staart toe is het versmald. 
rups van de groene zilveruil
De schuivers vallen erg op; ze doen me een beetje denken aan brede witte slofjes. De naschuivers hebben een rode streep. Hoe deze rups zich verplaatst, is best wel grappig. Elk pootje met flapjes wordt apart een stukje naar buiten gestrekt, en met een kleine bocht iets verder neergezet. Dan volgt het volgende pootje, en het volgende. En dat gaat allemaal heel langzaam en is prachtig om te zien.

dinsdag 12 december 2023

Allemaal beestjes #26

In deze donkere dagen voor Kerst en Nieuwjaar heb ik nog even de gelegenheid om nog wat "beestjes" te laten zien, die ik dit jaar gespot heb. Zoals het er naar uit ziet, zal dit tevens de laatste post van dit jaar zijn.

korrelschallebijter
Deze BLAUWZWARTE SCHALLEBIJTER of KORRELSCHALLEBIJTER (Carabus problematicus) met een voorkeur voor zanderige streken, is een mooie grote zwarte loopkever met een paars-violette glans op het borstschild en op de randen langs zijn dekschilden. Hij heeft iets opvallender richels en “korrels” op zijn dekschilden (elytra) dan de sterk op hem lijkende Violette schallebijter en Blauwe loopkever. Hij onderscheidt zich ook van deze kevers doordat de achterpunten van zijn borststuk (protonum) bóven het vlak van het protonum uitsteken. Bij de paarse loopkever en de violette schallebijter liggen deze punten beide ónder het vlak van het protonum. Deze kever is brachypteer. Dat wil zeggen dat hij rudimentaire vleugels onder zijn dekschilden heeft, m.a.w. er niet mee kan vliegen. 
Het is een snellopend roofdier dat 3,5 cm groot kan worden en alleen ’s nachts op insecten, slakken, wormen en larven jaagt. In een nacht kan hij wel 75 meter lopend afleggen. Voor zo’n kever natuurlijk een heel grote afstand. Overdag schuilt hij onder stenen, houtstronken en tussen bladafval. Ik vond deze kever in oktober, toen ik een stukje schors van een dode boom weghaalde. 
Ze hebben robuuste onderkaken waarmee ze hun prooien in stukjes knippen en zelfs ons pijnlijke beten kunnen bezorgen. Dus je bent gewaarschuwd. De forse zwarte larven zijn net zo snel en vraatzuchtig als de kevers en kunnen ook net zo vervaarlijk bijten. 
Ze behoren tot het kevergeslacht Carabus, of zoals we ze in het Nederlands noemen, de schallenbijters, een verzamelnaam voor kevers die men ook wel “echte” loopkevers noemt. Ze danken deze naam aan escarbot, het Franse woord voor mestkever. De Latijnse geslachtsnaam Carabus is ook van mestkever afgeleid. Dit woord verbasterde tot scalbote en werd later als schallebijter gebruikt voor deze loopkever. Zowel de larven als adulten overwinteren. De kever is vanaf maart/april actief. 
 reuzenhoutwesp
De REUZENHOUTWESP (Urocerus gigas) kan 4 tot 6 centimeter lang worden en heeft een kenmerkende kleur; het lijf is zwart, maar het onderste deel van de poten en het achterlijf zijn lichtgeel. Bij mannetjes is het achterlijf meer rood gekleurd. Ook de voelsprieten zijn geel, en de ogen lijken eveneens geel van kleur, maar de ogen zelf zijn klein en zwart, de gele vlekken dienen om de wesp nog meer op te laten vallen. De vleugels zijn groot en donker van kleur en worden in rust achter de rug gevouwen. 

De volwassen wesp is van juni tot augustus te zien, het is een druk bewegende wesp die luid zoemend en onregelmatig vliegt. In Nederland en België is de soort plaatselijk algemeen, echter alleen in naaldbossen. Het grotere vrouwtje op de foto lijkt een grote angel te hebben, maar dit is haar legboor. Ze kan er niet mee steken. Die legboor kan meer dan een centimeter diep in het hout worden gestoken. Dat is het hout van omgevallen sparrenbomen in naaldbossen. Hierin worden dan de eitjes afgezet. 
schorsmarpissa (mnl.)
 De SCHORSMARPISSA (Marpissa muscosa) is een in Nederland algemene spin, behorend tot de springspinnen die geregeld binnen kunnen worden aangetroffen. De soort is veelal gebonden aan hout; ze is vooral te vinden op boomstammen (bij voorkeur dennen en oude fruitbomen) maar in stedelijk gebied ook op hekken, tuinhuisjes of schuttingen, meestal op zonnige of half beschaduwde plekken, mits er een gaatje in de buurt is waar ze bij onraad snel kan wegkruipen. Ik vond deze op de balustrade van mijn balkon. Ze heeft, zoals alle marpissa, een duidelijk afgeplat langwerpig achterlijf, ook het kopborststuk is duidelijk langer dan breed. De basiskleur varieert van grijsbruin tot donkerbruin. 
 De lengte varieert van enkele millimeters tot iets meer dan een centimeter. Het mannetje wordt 6 tot 8 mm groot, terwijl het vrouwtje de 8 tot 13 mm haalt. De beide geslachten verschillen uiterlijk soms sterk van elkaar; mannetjes hebben vaak opvallend gekleurde en behaarde voorpoten, palpen (ook wel taster genoemd) en beharing rondom de ogen, die o.a. dienen als herkenning bij de balts. 
Wat je hier ziet is dus een mannetje. 

Zoals alle springspinnen heeft de schorsmarpissa een buitengewoon goed ontwikkeld gezichtsvermogen. Ze jagen dan ook op het zicht, meestal bij warm en zonnig weer, waarbij ze de prooi besluipen en dan onverhoeds bespringen zoals een kat. Ze kan, als ze in de knel komt te zitten, mensen bijten, maar de gifstoffen zijn niet dodelijk voor mensen. 
zilverstreep
 De ZILVERSTREEP (Deltote bankiana) is een dagactieve vlinder uit de familie van de de uilen (Noctuidae). Hij komt zeer algemeen verspreid over het hele land voor. De vliegtijd is van begin mei tot begin augustus in één generatie, maar soms is er ook een tweede generatie tot eind september. De soort overwintert als pop in een cocon die laag in het gras verborgen is. Deze kleine uil heeft een karakteristiek uiterlijk door de twee zilverkleurige parallel lopende diagonale banen op de olijfbruine, soms iets roodachtig getinte voorvleugel. Aan deze helderwitte schuine lijnen op de voorvleugel dankt de zilverstreep zijn naam. 
zuidelijke stofuil
 Ook deze ZUIDELIJKE STOFUIL (Hoplodrina ambigua) is een vlinder uit de familie Noctuidae, de uilen. Nederland ligt aan de Noordkant van het verspreidingsgebied. In Noord-Nederland is deze vlinder dan ook minder gewoon dan in Zeeland, Limburg en Brabant. Deze nachtvlinder is nachtactief. De voorvleugellengte bedraagt tussen de 13 en 15 millimeter. Hij overwintert als rups. 

De vlinder kent in tegenstelling tot de Zilverstreep twee generaties, die vliegen van begin mei tot halverwege oktober. De aantallen van de tweede generatie zijn groter dan van de eerste. Stofuilen zijn weinig opvallende vlinders; ze hebben een vale zandkleur. De voorvleugel heeft een lichte tot donkere bruinachtig grijze kleur met een lichtgrijze bestuiving of is zilverachtig grijs van kleur.  De vleugelschubben laten makkelijk los. Na het vastpakken van de vlinder blijft dan ook een stofvlekje op de vingers achter. Waar je vooral op moet letten zijn de vlekken. Beide zijn duidelijk zichtbaar mits de soort gesleten is. De onderste vlek is beduidend groter dan de vlek erboven. 
zuidelijke schildwants (een exoot)
 De 8,5-10,5 mm grote ZUIDELIJKE SCHILDWANTS (Peribalus strictus) )is een vrij egaal gekleurde, sterk bestippelde bruine wants, met opvallend oranje tot rood gekleurde antennen, waarvan segment vier en vijf grotendeels donker zijn met een smalle lichtgekleurde basis. De zijranden van het halsschild hebben een smalle witte zoom. Het is hier bijna niet te zien, maar de driehoek achter het halsschild die met de punt naar het achterlijf wijst (het schildje of scutellum) is wit aan het uiteinde. In het voorjaar en zomer zijn ze lichter van kleur dan in de herfst. 

  Deze soort is niet inheems, maar wordt regelmatig ingevoerd in fruit en andere plantaardige producten uit Zuid-Europa. Vandaar de toevoeging "zuidelijke". Je vindt deze exoot wijd verspreid op de zandgronden, maar zeldzaam ten noorden van Overijssel. Je vindt ze op kruiden en loofbomen in diverse biotopen, waaronder tuinen en parken. De soort overwintert als adult en kan gedurende een groot deel van het jaar als volwassen dier worden aangetroffen. Er is een piek van april tot juni (de overwinterde dieren) en in augustus en september (de nieuwe generatie). 
taxusspikkelspanner
 De TAXUSSPIKKELSPANNER (Peribatodes rhomboidaria) is een nachtvlinder uit de familie van de spanners. Kenmerkend voor alle spanners is dat deze soort in rust de vleugels heeft gespreid. 
De spanwijdte van deze vlinder bedraagt tussen de 30 en 38 millimeter. Alleen het mannetje heeft geveerde antennen die spits toelopen. We noemen dit een spikkelspanner vanwege het gespikkelde uiterlijk. De naam taxusspikkelspanner verwijst naar de waardplant van de rupsen, ook al zijn die op diverse andere bomen en struiken te vinden. Waarschijnlijk heeft de oorspronkelijke naamgever ze vooral waargenomen op taxus en is die naam blijven hangen. 

 Per jaar wordt meestal één generatie voortgebracht die vliegt van mei tot en met september. Soms komt ook een tweede generatie voor. Het is een nachtvlinder die nachtactief is.  De vlinder kan overdag gevonden worden op boomstammen, schuttingen en muren, waar hij goed gecamoufleerd is. Hij is niet zo gemakkelijk te determineren, want hij lijkt op een aantal andere spikkelspanners. De grondkleur varieert van lichtbruin tot donkergrijs maar er komen ook donkere en geheel grijzige exemplaren voor, die meestal bijna ongetekend zijn en erg moeilijk te herkennen. 
gamma-uil
 Bij het vallen van de avond zag ik in de zomer meerdere vlinders vliegensvlug rond een vlinderstruik vliegen. Ik herkende de soort in eerste instantie niet en heb meerdere foto’s genomen. Veel daarvan zijn mislukt, omdat ze zo snel waren en niet lang stil bleven zitten en als het vlindertje even bleef zitten, trilde het constant met zijn vleugels. Op een van die foto’s (de foto die je hier dus ziet) zag ik echter een duidelijke en opvallende zilverkleurige Y-vormige vlek in het midden van de voorvleugel. 

De Y is de Griekse gamma. Zo was meteen duidelijk waar ik mee te maken had: de GAMMA-UIL (Autographa gamma). Achteraf gezien had ik het ook kunnen weten, omdat dat constante trillen ook een typisch kenmerk voor deze soort is. Ze gaan snel met hun vleugels trillen om warmer te worden en zo sneller te kunnen vliegen.  De Gamma-uil is een nachtvlinder die zowel dag- als nachtactief is. De voorvleugels hebben een variabele tekening, van verschillende bruintinten tot grijs. Dat maakte het herkennen er ook niet gemakkelijker op. 
Een gamma-uil heeft veel nectar nodig. Je vindt hem in de tuin dan ook vaak bij vlinderstruik, marjolein, verbena en lavendel. In natuurgebieden is hij tuk op de nectar van struikheide, koninginnenkruid, kruiskruiden en een hoop lip- en vlinderbloemigen, waaronder klaver. 

Het is een soort die zeer algemeen en verspreid in ons land voor komt. Het is een trekvlinder uit het Middellandse Zeegebied en Noord-Afrika. Hij arriveert hier in het voorjaar, vooral vanaf juni. Ze leggen hier hun eitjes en sterven ook hier. De eitjes komen  uit in de hoog- en nazomer en de vlinders vliegen in het najaar weer zuidwaarts. Gamma-uilen kunnen bij ons vanwege de temperatuur namelijk niet overwinteren. Elk jaar organiseren ze dus een complete volksverhuizing. In het winterhalfjaar planten ze zich vervolgens weer voort in het warme Zuiden, omdat het daar in de zomer veel te heet is. Per individu is het echter enkele rit: gamma-uilen leven slechts enkele weken. 

** Leuk weetje: de rups van het Gamma-uiltje is een echte "exoteneter". Onderzoekers hebben (bij  toeval) ontdekt dat die heel graag de invasieve watercrassula en schijngenadekruid eet. Dat zijn invasieve waterplanten die  een doorn in het oog van natuurbeheerders zijn,  omdat ze onze inheemse planten dreigen te verdringen.  Over de watercrassula (een waterplant uit Australië die hier ooit is ingevoerd als aquariumplant) is, heb ik in een post over de "flora in de Kwegt in 2022" het een en ander verteld.
getekende gamma-uil
 Er is overigens nóg een Gamma-uil: de GETEKENDE GAMMA-UIL (Macdunnoughia confusa) . Net als de verwante soorten houdt deze uil in rust de vleugels dakvormig omhoog en ook bij dit uiltje zie je de typische Y-vormige vlek. Het verschil met de “gewone” gamma-uil is de opvallende kuif op de bovenkant van het borststuk en verder naar achteren is nog een kleiner kuifje zichtbaar. De zilverkleurige vlek (de Y) op de voorvleugel is verbonden met een dunne rechte witte lijn die deel uitmaakt van de binnenste dwarslijn en zo een kenmerkende witte tekening vormt die doorloopt tot aan de binnenrand van de vleugel. Het middenveld heeft aan de binnenzijde van deze vlek een warme bronskleurige of oranjebruine kleur. De rest van de voorvleugel is tamelijk gelijkmatig grijsachtig bruin of grijs, soms met een paarsachtige tint. 
sint-jansvlinder
 In oktober 2020 schreef ik in Allemaal beestjes #17 iets over het Melkdrupje. Bedoeld is hiermee de Phegeavlinder. Laat er nu ook een Rooddrupje zijn: de SINT - JANSVLINDER (Zygaena filipendulae).
De Sint-Jansvlinder is een mooie dagactieve nachtvlinder uit de familie bloeddrupjes.(Zygaenidae). 
De vlinder heeft een zwart lijf, kop, poten, en antennes. De voorvleugels zijn leigrijs met een sterke groene metaalglans, met opvallend drie groepen van twee rode vlekken op elke vleugel, die hem de naam Rooddrupje oplevert.. De vlinder lijkt verder oppervlakkig op de Sint-jakobsvlinder (Tyria jacobaeae). Er is enige gelijkenis, vanwege de basiskleur zwart met rode vlekken, maar de Sint-Jacobsvlinder wordt gerekend tot de familie van de spinneruilen, onderfamilie beervlinders (Arctiinae).
 De Sint-Jansvlinder komt voor in geheel Europa, het gebied rond de Zwarte Zee, alsmede de Kaukasus. In Nederland en België komt de soort wijdverbreid voor. Het is een soort die je kunt vinden in bloemrijk grasland en de rupsen zijn afhankelijk van rolklaver. Het is een echte zomervlinder, met een piek in juli en begin augustus. Dan worden de eitjes afgezet en de rups overwintert door zich te verpoppen in een cocon, dat tegen een grasstengel of een andere plant is aangebracht. De rupsen zijn groen/geel met zwart van kleur en dus heel anders dan de geelzwarte zebrarupsen van de Sint-Jacobsvlinder.

vrijdag 8 juli 2022

Kleine zonnedauw

Je vraagt je misschien af: "heb ik dat niet al bij de vorige post gezien?" En ja, dat klopt.  Ik vond achteraf dat die post te uitgebreid was en dat het bijzondere van dit plantje daarom niet tot zijn recht kwam. Vandaar dat ik besloten heb dat gedeelte weg te halen en er een aparte post van te maken.

Kleine zonnedauw
Deze Kleine zonnedauw (Drosera intermedia)  vind je vooral in moerasachtige gebieden en natte, zure heidevelden. Het is een onopvallend plantje dat dreigde te verdwijnen. Ontwatering en ontginning ten behoeve van landbouwactiviteiten in de omgeving van deze zeldzaam wordende groeiplaatsen, waren ook bijna de doodsteek voor de zonnedauwsoorten, maar gelukkig is de soort nu door natuurherstel niet meer als zeldzaam aangemerkt.  De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst van planten momenteel dan wel als algemeen voorkomend, maar is toch zo sterk afgenomen dat ze nog steeds wettelijk beschermd wordt. Je vindt ze in Nederland voornamelijk op de zandgrondgebieden en in België vormen de Kempen het hoofdverspreidingsgebied. Op de Kwegt vond ik ze op enkele plaatsen in grote getale. Een interessant plantje in elk geval om eens goed te gaan bekijken.
Het vormt een bladrozet met een doorsnee van ca. 5 cm en met een hoogte van 2 tot maximaal 10 cm stappen we er meestal overheen, of (in het ergste geval) op...... Als je de moeite neemt om eens door je knieën te zakken, zie je hoe bijzonder dit prachtige plantje is.
De "vleesetende" Kleine zonnedauw lokt, vangt en verteert vooral kleine insecten door een glinsterend, kleverig druppeltje ( de dauw) aan de klierhaartjes, die op het uiteinde van de blaadjes zitten. Als een insect op het blad landt, kleeft het vast en het blaadje rolt zich vervolgens langzaam op om de prooi te verteren. Ze worden vervolgens verteerd door verteringsenzymen in de sappen die de blaadjes afscheiden en de vrijgekomen voedingsstoffen worden door de plant opgenomen.
De prooi dient om de plant te voorzien van voedingsstoffen die niet in de bodem voorkomen waar de planten leven of in lange tijden van droogte. Omdat de zonnedauw niet al zijn voedsel uit de bodem kan halen, overleeft hij dus ook onder minder optimale omstandigheden door zijn menu aan te vullen met insecten. Het blijft vaak niet beperkt tot kleine insecten zoals vliegjes en mugjes, want de kleefstof is zo sterk dat ook grotere soorten zoals dit lantaarntje er aan ten prooi vallen. Hoe meer druppels aan het insectenlijf hechten, hoe sneller de prooi door dit vocht wordt verteerd. Afhankelijk van de grootte van de prooi, openen de blaadjes zich weer langzaam als na een x-aantal dagen de hele inhoud van het insect is verteerd. Wat achterblijft zijn de glazige vleugeltjes en een verschrompeld zwart restje van de insectenhuid.

vrijdag 1 juli 2022

de Kwegt; "gewone" flora in juli 2022

In mijn vorige post vertelde ik een en ander over enkele bijzondere planten die in de Kwegt groeien. In deze post wil ik het hebben over de "gewone" planten die ik er vond. Over enkele opvallende soorten ga ik wat vertellen, maar bij de rest vermeld ik enkel de naam. Het is maar dat je een idee krijgt wat je er zoal tegen kunt komen.
Watercrassula, een invasieve woekeraar
Men zegt wel eens " Er is geen koe zo bont of er zit wel een vlekje aan". Hiermee wil men dan zeggen: ‘niets is volmaakt’. En dat geldt ook voor de Kwegt. Het is er namelijk niet allemaal "hosanna", want je vindt er momenteel bijvoorbeeld ook een plant die men liever kwijt dan rijk is. Als er niet ingegrepen wordt, zou dat wel eens een  soort kunnen worden, die de meer kwetsbare soorten gaat overvleugelen.

Ik heb het over deze Watercrassula of Waternaaldkruid (Crassula Helmsii). De plant kan dichte groepen vormen waardoor inheemse planten worden verdrongen. Hele vennen kunnen er zelfs door dichtgroeien zodat het andere waterleven verstikt. 
Het is een voorbeeld van een verwilderde sierplant die een echte plaagsoort is geworden. De plant komt oorspronkelijk uit Australië. Zowel in Engeland, waar watercrassula al sinds 1950 aanwezig is, als in de Benelux gedraagt deze exoot zich invasief; ze vormen op steeds meer plaatsen een bedreiging voor inheemse soorten en dus voor de biodiversiteit. De plant is in de natuur gekomen doordat mensen overtollige planten uit hun vijver of aquarium in de natuur dumpten. De eerste waarneming in Nederland was in 1995. 
Na die eerste waarneming ging de verspreiding aanvankelijk nog niet zo hard, maar sinds 2010 dreigt het snel de verkeerde kant uit te gaan. De plant kan explosief uitgroeien in pionierssituaties zoals geplagde terreinen. Eens gevestigd is de soort vrijwel niet te verwijderen doordat ieder achtergebleven stukje stengel weer uitgroeit tot een plant. Ieder fragment is in feite een “stekje” dat elders weer verder kan groeien. Pogingen om ze op te ruimen zorgen dan ook soms ongewild tot nog verdere verspreiding. Ook grote grazers en ganzen spelen bij de verspreiding een rol. 
  De plant krijgt kleine onopvallende witte bloempjes, die ook nog eens vruchtbaar zaad produceren.  Het is niet voor niks dat terreinbeherende organisaties zoals natuurbeheer, gemeenten, provincies, waterschappen en Rijkswaterstaat, maar ook particulieren, zich  in toenemende mate zorgen maken over de schade en kosten die deze plant met zich meebrengt. 
Gewone waternavel
 Een ander plantje waar ook goed op gelet moet worden, is deze klein blijvende Gewone waternavel (Hydrocotyle vulgaris). Het is een inheemse moerasplant die behoort tot de klimopfamilie. Je moet hem niet verwarren met de invasieve Grote waternavel, die ooit werd verkocht als vijverplant en in het water terecht is gekomen doordat mensen hem weggooiden in de natuur. Bij hoge temperaturen, vermenigvuldigt de Grote waternavel zich zeer snel en gaat woekeren, wat funest is voor de biodiversiteit. Dat probleem speelde bijvoorbeeld vorig jaar aan de Kettingdijk. 
 Deze kleinere Gewone waternavel komt voor op natte, zwak zure, matig voedselrijke grond in veenmoerassen, natte hooilanden en langs vennen en rivieroevers. De plaats waar de plant wortelt, staat in de winter meestal onder water en valt in de zomer droog. De plantensoort gedijt dus goed bij zeer vochtige tot natte omstandigheden en is ook goed aangepast bij wisselende waterstanden. In voor de plant optimale omstandigheden kan die flink uitdijen en kan dan ook de meer oorspronkelijke vensoorten, zoals moerashertshooi, veelstengelige waterbies en kruipende moerasweegbree verdringen. Ik vraag me dan ook af of je blij moet zijn met zo’n plantje in de Kwegt. 
Het is goed te herkennen aan de typische bladeren. Ze staan als het ware als een schild op de bladsteel met de oppervlakte op het licht gericht. Je vindt ze in allerlei plantengemeenschappen op natte tot vochtige bodem, zoals veen, moeras en blauwgrasland. Ze kruipen als het ware over die bodem, vertakken zich en op de knopen wortelen ze. Aan die zelfde knopen ontwikkelen zich de stelen waarop als een tafelblad het bijna ronde blad staat.                
Kleine zonnedauw
Kleine zonnedauw in bloei
Na deze sombere berichtjes, stappen we gauw over naar de plantjes waar we wél een fijn gevoel bij krijgen. Zoals bij deze Kleine zonnedauw (Drosera intermedia). Je zult het plantje (dat sinds kort in bloei staat met kleine witte bloempjes), misschien herkennen, omdat je dat ook tegen kunt komen in de tuincentra, maar dat is een exoot. Een exoot is een plant, dier, of een ander organisme, dat van nature niet in Nederland voorkomt. Het gaat hierbij niet om soorten die elders in Europa inheems zijn en door klimaatsverandering oprukken naar Nederland, maar om soorten die door menselijk handelen in ons land terecht komen. De Kleine zonnedauw vind je echter ook als inheemse plant in onze eigen omgeving. Vooral in moerasachtige gebieden en natte, zure heidevelden. In mijn volgende post  kun je daar wat meer over lezen.

Een keuze uit andere soorten, die ik in de Kwegt  aantrof 

Brede lathyrus
Zwarte toorts
Stalkaars
Moerasrolklaver

Moerasrolklaver met steenhommel

Muskuskaasjeskruid
Vingerhoedskruid

Vingerhoedskruid

Hazenpootje
Smalle wikke

Grijskruid

Oranje havikskruid

Hopklaver

Egelboterbloem
                
                             Echt duizendguldenkruid                                   Grote wederik            

TOT SLOT:

Ik ben benieuwd of je me kan vertellen van welke plant onderstaande bloemen zijn.

Vaak zijn we meer geïnteresseerd in grote en vooral opvallende dingen en letten we niet op het kleine en onopvallende. Dat is ook bijvoorbeeld het geval met deze bloemen van deze planten die eigenlijk heel gewoon zijn. Zo gewoon dat we er niet (meer) naar omkijken. Die met de witte bloemen zag ik op een akker vlak bij de Kwegt. De lila vond ik iets verderop. Het zijn dus geen planten die we in de vrije natuur aantreffen. 
Een klein tipje van de sluier wil ik nog wel oplichten: de plant groeit namelijk wél in het wild in de Cordilleras van Chili en Bolivia en het is familie van de tomaat...  En mocht je het nu nog niet weten dan moet je deze anekdote eens lezen ,die ik ooit op de reissite van Columbusmagazine plaatste.


Blogarchief