Weert en omgeving

Introductie Natuur in Weert en omgeving.
Op onderstaande tabel zie je een overzicht van de door mij bezochte natuurgebieden. Deze kun je aanklikken.
Woorden in de berichten die rood gekleurd zijn, verwijzen naar een onderwerp. Als je daar op klikt kom je in dat bericht terecht. Door links bovenaan het scherm op het pijltje te klikken, ga je weer terug naar het vorige bericht.

"De huidige gemeente Weert en omgeving was in oude tijden voor ¾ omringd door woeste gronden, plassen en moerasgebieden. Het "eiland van Weert" kon toen ook alleen maar bereikt worden via hoger gelegen zandruggen (een overblijfsel uit de ijstijd), die in de moerassige gebieden lagen." (Bron: Stan Smeets, in "Andermaal Altweert").
Volledige tekst >>

Select language

Volgers

COPYRIGHT.. Zonder mijn toestemming mag geen gebruik worden gemaakt van mijn foto's en tekst.......


zaterdag 22 oktober 2016

Allemaal beestjes #7

Er is een enorme diversiteit aan kevers. In het Nederlands Soortenregister staan ruim 4.100 soorten geregistreerd. Zo zijn er bijvoorbeeld Bladsprietkevers, Snuitkevers, Bladhaantjes, Kortschildkevers, Kniptorren, Boktorren en Loopkevers. De grootte kan oplopen van enkele milimeters (o.a. aardvlooien) tot bijna 9 cm (vliegend hert). Ik begin in deze post met enkele opvallend grote kevers.

Gewone streeploopkever
In akkers komen insecten voor die de ontwikkeling van plagen in de kiem smoren en dus helpen bij de biologische bestrijding van landbouwplagen, waardoor het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen kan worden verminderd. Het is bijna niet voor te stellen, maar er is door Wageningen University & Research berekend, dat op een biologische akker van één hectare al gauw 100.000 kevers zitten! Per dag eten die vele duizenden luizen, slakken en andere insecten. En zij worden weer gegeten door vogels en spitsmuizen.

Een zo'n kever is deze gewone streeploopkever. Hij heeft een voorkeur voor het open veld en mijdt grasstroken en heggen, ook al is daar veel voedsel. Om prooi te vinden loopt hij kriskras door het veld en loopt op een dag al zigzaggend een afstand af van (schrik niet) 10-16 meter! Over een heel groeiseizoen van 16 weken komen de kevers niet verder dan 100-170 meter vanaf de plaats waar ze uit de pop kropen. Het type gewas kan mede bepalen hoeveel kevers er in een akker lopen.

Bosmestkever
Mestkevers zijn gespecialiseerd in de soort mest. Zo heeft deze bosmestkever een voorkeur voor koeienmest. Geen verse vlaaien, maar al wat ouder en ingedroogd. De bosmestkever of voorjaarsmestkever is de bekendste soort mestkever in Nederland en België. Hij lijkt veel op de gewone mestkever, maar hij heeft gladdere dekschilden, met minder en ondiepere groeven op het achterlijf. Ook is het lichaam iets boller en hij is iets kleiner. In "allemaal beestjes #2 vertelde ik daar al iets over.

De zware bepantsering maakt dat de mestkever zwaar en niet erg snel is. De poten zijn dan ook stevig en sterk behaard en worden gebruikt om mest te begraven onder de grond. De tasters zijn kort maar vanwege de sterk geveerde, soms oranje uiteinden die wel wat op blaadjes lijken, zijn die erg opvallend. Met die sprieten kunnen ze mest op grote afstand ruiken. Deze gebruiken ze als voedselbron en om hun eieren in af te zetten. De kever komt in juli uit, maar blijft tot het voorjaar onder de grond zitten. Je vindt hem van mei tot oktober op zanderige gronden zoals heidevelden, maar uiteraard vooral in bossen en langs bosranden.

Kettingschallebijter
Schallebijters of schalebijters zijn een geslacht van kevers die behoren tot de loopkevers. Ik vond deze prachtige soort in de Lozerheide (B.) De kever heeft die curieuze naam te danken aan een verbastering van "scalbote, dat afgeleid is van het Franse escarbot", dat “kever” betekent. Zowel de larven als de volwassen kevers zijn felle rovers. Het zijn typische bodembewoners en je vindt ze in humusrijke bossen en gebieden met een dikke strooisellaag. De volwassen kever is vooral actief in het voorjaar. Die je in de herfst soms nog vindt, zijn “verse dieren”, maar de meeste zijn dan al in de bodem in winterrust.

De lengtegroeven en kettingachtige bobbels op het rugschild van deze schallebijter zijn kenmerkend voor zijn soort. Vandaar zijn naam kettingschallebijter. De kleur is variabel; meestal zijn ze donkerbruin, maar ook komen zwarte en zelfs oranjerode en groene exemplaren voor. Deze snelle jager is voornamelijk 's nachts actief en kan overdag gevonden worden onder stenen, afgevallen takken en achter schors van dood hout. Op zijn menu staan vooral wormen, ritnaalden, emelten en naaktslakken, die al rennend bejaagd worden en eenmaal gevangen in stukjes worden geknipt met de grote sterke kaken.

Vuurwants
In "Allemaal beestjes #6" heb ik als laatste iets verteld over de weidewants. Hoewel het zo lijkt, zijn dat géén kevers. Ze horen bij de onderorde der wantsen. Deze orde is weer onderdeel van de orde Hemiptera (snaveldragers), waar ook o.a. het bootsmannetje, bladvlooien en cicaden bij horen.

Dit jaar zag ik weer veel Vuurwantsen in mijn tuin. Ook nu kun je ze nog vinden. Vooral op zonnige plekjes, want het zijn echte zonaanbidders. En hoe warmer en zonniger, des te sneller ze zijn. Als ze merken dat ze "begluurd" worden, verdwijnen ze meteen uit je gezichtsveld door weg te rennen, achter een blad te gaan zitten, of desnoods door zich te laten vallen. Zij leven voornamelijk van plantensappen (zaadjes, bladeren, boomschors, ... ), maar soms zuigen ze ook het sap uit insecteneieren en (dode) insecten. Ze gebruiken het opgezogen plantensap ook als chemisch afweermiddel tegen vijanden zoals vogels. Vandaar ook de waarschuwing aan de vogels met hun vuurrode kleur en masker.

net vervelde onuitgekleurde nimf van de vuurwants
Wantsen doorlopen diverse nimfenstadia voor ze volwassen zijn en elke keer als ze vervellen en ietsje groter uit hun velletje kruipen, ziet het kleurpatroon er weer anders uit. Hier zie je een net vervelde, nog niet uitgekleurde nimf van de vuurwants

nimfen van de Vuurwants
Op deze foto zie je een drietal nimfen, die een andere (dode?) vuurwants belagen. Hoewel het in principe planteneters zijn, gaan ze bij tekort aan voedsel ook wel over tot het leegzuigen van dode insecten. Mocht daar ook een tekort aan zijn, dan overvallen ze ook levende insecten en soms gaan ze, zoals je op de foto ziet, zelfs over tot kannibalisme. Ook bij volwassen dieren zie je dat wel eens.

Kaneelwants
Deze soort wordt vaak verwisseld met de Vuurwants. Ze heeft ook een rode basiskleur met zwarte vlekkentekening, maar als je een beetje beter kijkt zie je dat we hier toch met een andere soort te maken hebben. Dit is namelijk de Kaneelwants. Deze soort heeft een andere en strakkere vlekken- en lijnentekening en een wat elliptischer lichaam. Ook de zwarte vlek aan de achterzijde is anders. Als je ze opjaagt zal een vuurwants snel weg rennen, want die kan niet vliegen. Dit in tegenstelling tot deze kaneelwants, want die kan wel goed vliegen. Het duidelijkste verschil vind ik echter de kop. Die is bij de vuurwants geheel zwart, terwijl de kaneelwants een grote rode stip aan de voorzijde van de kop heeft.

Grauwe veldwants
Dit is weer een ander soort wants. Deze hoort bij de schildwantsen (Pentatomidae). Penta (vijf) verwijst naar het aantal geledingen van de antennes. De antennes zijn geringd met zwarte en gele markeringen. Op de rug is het scutellum (het driehoekig schildje) meestal ook fors ontwikkeld.

Door de opwarming van het klimaat zien we hier steeds meer soorten, die hier vroeger zeldzaam waren. Een voorbeeld daarvan is deze ca. 15 mm. grote Grauwe veldwants, hoewel die alleen nog in het zuiden van Nederland voor schijnt te komen. Het imago (volwassen exemplaar) is wat minder kleurig dan de nimf, die in eerste instantie ook vleugelloos is. De vleugelstompjes zijn alleen herkenbaar in een later (3e) stadium.
Ze eten bladkeverlarven en zijn nuttig, zeker als die een plaag dreigen te gaan vormen. Verder zuigen ze ook sappen uit vruchten en zaden. De soort produceert slechts één generatie per jaar en overwintert bij voorkeur op muren bedekt met klimop. Op hun zoektocht naar geschikte spleten en kieren komen ze nogal eens in huis terecht. Ze doen echter geen kwaad en in het voorjaar zijn ze weer verdwenen. Ik zou zeggen: gun die beestjes toch ook een goed hotel!!! (hoewel mijn vrouw daar ongetwijfeld anders over zal denken..........)

Bootsmannetje
Ik schreef bij de vuurwants dat ook het Bootsmannetje een wants is. Als je de foto van dit vreemde wezentje bekijkt is het net of er iets niet klopt, maar dat is dus niet zo. Deze waterwants van 15 mm is namelijk een "rugzwemmer", die met zijn 2 spatel-achtige poten schokkerig door het water peddelt alsof hij aan het roeien is. Hier heeft hij zijn naam aan te danken. Tip. Kijk eens naar dit filmpje op YouTube.
Omdat hij vooral prooien eet die zich op of tegen het wateroppervlak bevinden, kan hij ze blijkbaar liggend op zijn rug beter waarnemen. Als hij dieper onder water zwemt en even stopt met roeien, stijgt hij direct naar de oppervlakte, omdat hij lucht onder zijn vleugels heeft opgeslagen, die hem onder water van zuurstof voorziet. Aan de oppervlakte zwemmend, haalt hij adem door een korte adembuis bij zijn achterlijf, dat iets boven het water uitsteekt. Deze geduchte rover kun je beter niet oppakken, want hij kan gemeen bijten.

Tot slot nog een heel ander (en groter) beestje in deze post: de bruine kikker. Die zijn dit jaar, waarschijnlijk dankzij de zachte nazomer en begin van de herfst, nog steeds actief. Vandaar deze foto's.
Bruine kikker
Van de boomkikker is het bekend dat hij in staat is om over gladde en steile oppervlakten te lopen en behendig in planten te klimmen. Maar ook andere kikkers en padden kunnen zoals je ziet goed klimmen. Weliswaar is dit een grote boomstronk, maar toch....
bruine kikker
De bruine kikker komt tot in alle uithoeken van Nederland en België voor. Nu zie je vooral jonge kikkers, die op zoek zijn naar een veilig plekje voor de winter. Hij leeft voornamelijk op vochtige plaatsen onder struiken, in weilanden naast sloten, in bossen en heidevelden. 
bruine kikker
Je zou het niet verwachten, maar je vindt hem zelden in het water. Hij komt eigenlijk alleen in de lente, voor de voortplanting, in het water of op warme dagen en in droge periodes om zo uitdroging te voorkomen.
Bruine kikker
Ze zijn zoals je op deze foto's ziet, nogal variabel van kleur (bruin, roodbruin, geelbruin, grijsbruin, etc.) met een patroon van donkere vlekken en een lichte gemarmerde buik. Op de rug heeft hij twee huidplooien in een iets lichtere kleur . 
bruine kikker
Aan de zijkant van de kop, vanaf het oog tot aan de schouder heeft hij een grote, donkerbruine vlek; de kwaakblaas. De bruine kikker heeft een inwendige kwaakblaas, zodat de roep zeer zacht is en amper 10 tot 20 m ver draagt. Ze hebben lange achterpoten met goed zichtbare zwemvliezen. Dat is het beste op de eerste foto te zien.

Dat is de laatste "Allemaal beestjes" van dit jaar. De komende blogs zal ik vooral aandacht besteden aan paddenstoelen, die eindelijk steeds veelvuldiger hun kopjes boven de grond uit steken.

woensdag 19 oktober 2016

Allemaal beestjes #6

Hoewel het al herfst is en er al heel wat leuke foto's van paddenstoelen liggen te wachten, wil ik jullie eerst toch nog wat foto's van beestjes laten zien, die ik de afgelopen tijd heb gemaakt.
De eerste foto in deze blog is al van medio september (een atalanta), maar dat is op zich niet zo bijzonder, want ik heb er afgelopen week nog verschillende zien vliegen, dus die wil ik er zeker nog bij plaatsen.

Atalanta
Langs een bosrand had blijkbaar ooit iemand tuinafval gedumpt, met als resultaat dat er een vlinderstruik groeide, die nog in bloei stond. Een vlinderstruik is een dankbare plant voor snoepende insecten, zoals de atalanta. Een atalanta is gemakkelijk te herkennen: een zwarte vlinder met twee rode banen op zijn vleugels en bovenaan wat witte vlekken. De zonnestralen die hier en daar door het bladerdak kwamen, zorgden voor een bijzonder effect en maakten zijn vleugels, met name de witte vleugelranden, doorzichtig.
Het was net of hij me aan keek en zei: je mag hoor……

Atalanta
De atalanta is een trekvlinder. Vanuit Zuid-Europa trekken de vlinders ieder jaar richting het noorden en brengen hier een of meer nieuwe generaties voort. Ze leven van nectar, maar zijn ook gek op het sap van rottend fruit en boomsappen. Het is geen uitzondering dat deze vlinder hier in november nog wordt waargenomen. Hoewel het grootste deel in het late najaar weer naar het zuiden trekt, komt het dankzij de zachte winters steeds meer voor dat de soort hier zelfs incidenteel overwintert.

Zwarte wegslak
Naaktslakken zijn te zien van maart tot oktober, daarna kruipen ze onder de grond om te overwinteren. Ook de huisjesslakken doen dat. Totdat het zover is, zijn ze op pad om zich vol te eten voor hun winterslaap. Gewoonlijk voeden ze zich met dode, afgevallen bladeren en ander dood plantaardig materiaal, hoewel ze ook niet vies zijn van een vers blaadje. Regelmatig zie je dat ook paddenstoelen vraatsporen vertonen van slakken. Ook bij de giftige soorten. Een slak gaat daar namelijk niet van dood, omdat het gif dat ze binnen krijgt het spijsverteringsstelsel niet verlaat en dus gewoon uitgepoept kan worden.

Een jonge Zwarte wegslak is bruin en de volwassen slak is gewoonlijk zwart, maar kan ook steenrood, oranje-achtig, grijs tot zelfs wit zijn!!!! Dat is het verwarrende met de Grote wegslak of Rode wegslak, die je in een eerdere blog zag. Daar zie je wel een foto van een zwarte slak, maar dat is, hoe vreemd dat ook mag klinken, een Róde wegslak. Ook de kleur van de Róde wegslak is namelijk variabel; van oranje tot knalrood, bruine, groengrijze én zwarte exemplaren!!!

Zwarte wegslak
Je moet om de soort te kunnen bepalen goed op de kleur van de voet letten. De Rode wegslak heeft namelijk altijd een rood/oranje rand rond de voet en dat is bij de Zwarte wegslak niet het geval zoals je hier op de foto's kunt zien.

Alpenwatersalamander
De foto is helaas niet zo goed van kwaliteit, maar ik plaats hem toch, want het overkomt me niet elke dag dat ik een alpenwatersalamander zie. Het is een amfibie die dus zowel op het land als in het water leeft.
In Nederland komt de alpenwatersalamander alleen voor in Limburg en N. Brabant,oostelijk in Gelderland en Drenthe en incidenteel verspreid in andere delen van het land. Hij staat in Nederland niet op de rode lijst, maar is wel een beschermde soort. Op het land vind je ze op vochtige plekken, omdat hun huid niet mag uitdrogen. Deze vond ik bij de Kleine IJzerenman onder een stuk boomstam, die ik oppakte omdat er een paddenstoel op stond. Puur toeval dus. Vandaar ook zo jammer dat ie minder van kwaliteit is.

Alpenwatersalamander
Ik vond het heel bijzonder, dat ik er een week later weer een zag, maar nu als “overstekend wild”.
In de waterfase zijn alpenwatersalamanders opvallend blauw gekleurd, behalve aan de onderzijde van buik en keel die helder oranje zijn. In de landfase is die blauwe kleur minder opvallend; de huid wordt dan donkerder en is doffer en korrelig van structuur.
Door het felle zonlicht ziet hij er weer heel anders uit dan op de vorige foto en is het blauw op deze foto ook niet zo goed te zien. Bij deze is wel goed te zien, dat er soms ook een dunne oranje streep over de rug loopt.

** Mensen halen hagedissen en salamanders overigens vaak door elkaar. Daar is een ezelsbruggetje voor:
een Hagedis loopt zo Hard als een Haas en een Salamander loopt zo Sloom als een Slak.

Gegroefde lapsnuitkever
De gegroefde lapsnuitkever, herkenbaar aan de sterk gegroefde, korrelige dekschilden en karakteristieke verlengde kop, is een snuitkever. Hij is ook bekend als taxuskever.
Ruim 20 jaar geleden kwam de kever bijna alleen voor in de taxus, waar hij dus ook zijn naam aan dankt. De laatste jaren blijkt hij echter steeds minder kieskeurig te worden en tref je hem ook aan op planten met hardere bladeren zoals klimop, rododendron, camelia en hortensia. Deze 1 cm kleine bijna zwarte kever kan veel schade aanrichten, maar de larve is nog schadelijker dan de kever. Die doet zijn schadelijke werk echter onzichtbaar onder de grond. Hij eet namelijk de wortels en de wortelhals. Vaak merk je dat een plant ineens los op de grond ligt en bij nader onderzoek blijkt die dan geen of weinig wortels meer te hebben.
Steenrode heidelibel
Twee weken geleden, toen het zonnetje nog volop scheen, zag ik op het zandpad bij het Blauwe Meertje opvallend veel libellen. Het waren vooral steenrode heidelibellen.
De vliegtijd is in de nazomer, met een piek van eind juli tot half september. Een belangrijke voorwaarde is veel zon en daar hadden we de afgelopen tijd geen klagen over. Je vindt de steenrode heidelibel vooral bij stilstaande watertypen, zoals vennen, plassen, vijvers en moerassen. Soms ook bij langzaam stromend water.
Deze algemeen voorkomende libel wordt 35 à 40 mm lang en komt in vrijwel heel Europa voor.
Ze wordt vaak verward met de bruinrode heidelibel, die ook zeer algemeen is en op dezelfde plaatsen voorkomt. Het beste onderscheidende kenmerk vind ik de "hangsnor". Dat is het zwarte streepje dat tussen de ogen langs de oogranden naar beneden loopt. Bij de bruinrode heidelibel stopt het streepje bij de oogranden.

Weidewants
"Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd". Daar denk ik vaker aan tijdens mijn "ontdekkingsreizen". Ik vind het prachtig om te zien, hoe bijzonder dat kleine grut vaak is. 
Dat geldt ook voor bijvoorbeeld deze 1cm grote blindwants.
Een opvallende eigenschap van blindwantsen is niet dat ze niet zouden kunnen zien, maar dat oogvlekjes (ocelli) ontbreken. Er zijn 5 soorten en het is eigenlijk specialistenwerk om de precieze soort te bepalen, want ze zijn nogal variabel van kleur en tekening: grijs, grijsbruin, bruin, groen en zelfs rode exemplaren komen voor zoals je kunt zien op de onderste foto. Volgens mij zijn deze en ook die rooie hieronder een weidewants. Je vindt ze in Nederland voornamelijk in het zuiden.

Weidewants
De weidewants wordt ongeveer 3 tot 6 millimeter lang. Toch is de soort eenvoudig te herkennen aan het scutellum. Dat is het driehoekige schildje op het midden van de rug, het figuurtje tussen de aanzet van de vleugels. Dat is bij de weidewants bijna altijd hartvormig en steekt sterk af t.o.v. de rest van zijn lijf.
De weidewants is dus een echte “liefhebbende” soort!!!  Het lichaam is verder ovaal van vorm en vrij plat en de vliegvleugels steken aan de achterzijde duidelijk uit.
De weidewants is een plantensap- zuigende soort, die je dus meestal aantreft op kruidachtige planten.
Als deze wantsen in met name kassen hun gang zouden kunnen gaan, zouden de gevolgen groot zijn. De volwassen dieren verschijnen aan het eind van de zomer en overwinteren.


Tot zover. De volgende blog heb ik nog een aantal interessante "beestjes" voor je.


dinsdag 11 oktober 2016

Domeinbos Grootbroek

In de vorige blog vertelde ik dat Domeinbos Grootbroek niet verward moet worden met het oorspronkelijke Grootbroek. Het heeft slechts de naam "geërfd" en is een deelgebied van het vroegere en veel grotere Grootbroek. Het ligt, zoals je op het kaartje kunt zien, grotendeels tussen de Abeek en de Lossing.
In 1976 werden door Agentschap Natuur & Bos (de toenmalige “Dienst Waters en Bossen”) de percelen van het huidige Domeinbos aangekocht. In het gebied ten noorden van de Lossing werden al sinds 1972 percelen door Limburgs Landschap vzw gekocht en samen met vzw Natuurpunt (voormalige Wielewaal) beheerd.
Bij de aankoop bestond het gebied vooral uit fijnspar, dennen en populier en oudere gemengde loofbossen van zomer- en Amerikaanse eik, zwarte els en berk. De meeste bossen die na de drooglegging zijn geplant, zijn er nu nog steeds.
Voor de gewenste natuurontwikkeling zou het waterpeil eigenlijk verhoogd moeten worden, maar dat is helaas (nog) niet mogelijk. Een graszodenbedrijf heeft namelijk veel grond in bezit tussen de Lossing en de Abeek, zodat men steeds rekening moet houden met de waterstand. De eigenaar is niet genegen de grond te verkopen, zodat het waterpeil van de beken en het grondwater dus niet zo maar opgestuwd mag worden. Gevolg is dat het peil dan ook veel te laag is en de moerassige gebieden en elzenbroekbossen steeds verder verdrogen in plaats van te vernatten.
Vooral ten noorden van de Lossing, in de wat nattere gebieden, zie je echter ook hoe zomereiken/berkenbosjes, wilgen en elzenbroekbos zich ontwikkelen.
Een deel van de oorspronkelijke oude Abeek is hersteld.
De nog bestaande oorspronkelijke en meanderende loop van de Abeek in het oostelijke deel, die parallel loopt aan de Lossing, heeft men over een afstand van 1,5 km. in 2009 weer terug in gebruik genomen.

Nulbeheer en natuurlijke verjonging in Bosreservaat grootbroek
Sinds 1995 bouwt de Vlaamse Overheid een netwerk van bosreservaten op. Inmiddels beslaan die een oppervlakte van totaal ruim 3000 ha. Een bosreservaat is een bos, waar natuurlijke processen volop de kans krijgen zich te ontwikkelen.

Het merendeel van de bossen in het Grootbroek is sinds 1998 erkend als Bosreservaat Grootbroek Ook percelen ten zuiden van de Abeek; Hasselterboek, Urlobroek, Sint -Maartensheide en percelen tussen Abeek en Mariahof horen daar bij. Van de totale oppervlakte van 226 ha. maakt 136 ha. van het Domeinbos deel uit van “Bosreservaat Grootbroek”

Bosreservaten hebben een groot ecologisch belang: zij vormen belangrijke locaties voor het behoud van zeldzame bostypes, processen en soorten. In een Bosreservaat wordt de groei en ontwikkeling van het bos en aangekochte landbouwpercelen vrijgelaten (“nulbeheer” en natuurlijke verjonging) m.u.v. exotenbeheer.
Er wordt gestreefd naar het behoud of de totstandbrenging van typische inheemse bosplantengemeenschappen. Dat betekent dus dat makkelijk verjongende exoten als Douglasspar, Amerikaanse eik, Amerikaanse vogelkers, Robinia, Noorse esdoorn en de opslag van Fijnspar bestreden worden. Verder laat men echter de natuur zijn gang gaan; er wordt niets opgeruimd, niet meer gekapt of geplant en bomen mogen verouderen en afsterven, zodat er ruimte ontstaat voor nieuwe bomen en struiken. Eigenlijk zoals dat ook in een oerbos gebeurt...
Het Domeinbos is niet echt spectaculair, maar is wel heel geschikt voor een ontspannen wandeling. Je hebt geen laarzen nodig, want de paden die om en door het gebied lopen zijn goed begaanbaar. Je kunt om het gebied lopen door de Abeek vanaf Woutershof (zie vorige blog) te volgen tot aan de Broekduiker. Je kunt eventueel ook doorlopen tot de ca. 500 m. verder gelegen Broekmolen in het St(r)amprooierbroek.
Vanaf de Broekduiker kun je langs de Lossing terug wandelen naar het startpunt. Ergens halverwege vind je een stuw die het waterpeil dusdanig hoog moet houden dat het gebied niet verder verdroogt.
Aan de kleur van het water is te zien, dat we hier vooral te maken hebben met kwelwater. 

Kwel ontstaat door een ondergrondse waterstroom van een hoger gelegen gebied naar een lager gelegen gebied. In dit geval is dat hoger gelegen gebied het Kempisch Plateau. Vooral diepe kwel- stromen die soms al eeuwenlang door de bodem hebben gestroomd, zijn zuurstof- en voedselarm en vaak kalk- en ijzerhoudend. Zodra het zuurstofarme, ijzerhoudende kwelwater aan de oppervlakte komt en zuurstof uit de lucht opneemt, zal het opgeloste ijzer oxideren tot onoplosbare ijzeroxiden. Dit zorgt voor roestbruin water, wat overigens niets met de waterkwaliteit heeft te maken. Die is hier namelijk goed.
Schuitenbosbrug
Als je de Van Hornepad route volgt, kom je na de Lossing overgestoken te hebben bij de Schuitenbosbrug in het Schuitenbos. Hoewel na de drooglegging vroeger de meeste delen toegankelijk waren, waren er toch nog genoeg plekken, die alleen te bereiken waren met platboomd schuitjes. Boeren en turfstekers meerden ’s middags bij het Schuitenbos aan, om op de droge zandrug (een horst) wat te eten en te rusten. Of zoals de mensen hier zeiden: "om te unjere".... Unjere is het lokale dialectwoord voor een kort middagdutje doen.
De in verval geraakte Unjerhorst
Via een pad kom je bij een klein kapelletje ("Unjerhorstkapelke") en een langgevelboerderij, met de toepasselijke naam “Unjerhorst”. Deze boerderij is in 1885 gebouwd door Charles-Rafaël Moreau de Bellaing van Rotem. Dat was een van de aandeelhouders, die net zoals Charles Wauters, gronden in het Grootbroek kreeg toen de Bank failliet ging. De boerderij werd gebouwd voor de boswachters met hun gezin, die de jacht moesten controleren en er op moesten letten dat er in zijn bossen niet gestroopt werd. 
Sinds 1962 woont er niemand meer. Helaas wordt de boerderij slecht (niet!) onderhouden en verkeert alles in een erbarmelijke staat. Waarschijnlijk kan men er geen bestemming voor vinden.
Unjerhorstkapelke

Ooit stond hier de Unjerhorst. De langgerekte hoeve stond nog in februari 2018 aangeduid als 
"bouwkundig erfgoed"!!!! Hoe gek kan het lopen..........

**  UPDATE: De vervallen boerderij is in 2019/2020 afgebroken. Helaas weer een karakteristiek stukje geschiedenis van het Grootbroek verdwenen. Jammer toch............

zaterdag 8 oktober 2016

Grootbroek en de Lossing

In de vernieuwde Graaf van Hornepad wandelroute spreekt de redactie van "grenzeloos wandelen door het Weerterland". Er zijn dan ook enkele Belgische natuurgebieden in opgenomen. Dat zijn Stramprooierbroek, Domeinbos Grootbroek en Smeetshof. In mijn blog “de Grens is maar een streep” schreef ik al dat de natuur in Kempen~Broek geen grenzen kent en ook de redactie heeft dat goed begrepen.

Het huidige Grootbroek is niet het Grootbroek, zoals we dat hieronder op de Ferrariskaart van 1778 zien. Het oorspronkelijke Grootbroek is nu namelijk onderverdeeld in Stramprooierbroek en Neerbroek, de Luysen en Maria hof, Hasselterbroek en Urlobroek, Zig en Goort en Domeinbos Grootbroek. Zie het kaartje hierboven.
Domeinbos Grootbroek is dus een deelgebied dat de vroegere gemeenschappelijke naam erfde.
Het Domeinbos ligt, zoals je op het kaartje kunt zien, grotendeels tussen de Abeek en Lossing.

Ferrariskaart van 1778
Ten tijde van Ferraris werd het Grootbroek gekenmerkt als een doorstroommoeras, met een delta van moerassen en vennen nabij gehuchten als Mulenbiersel, Biersel, Manenstraet en het Hasselt. Het ligt in de laagste zone van de Vlakte van Bocholt. De vlakte van Bocholt is een vrij vlak landschap dat afhelt van zuidwest (45 m. NAP) naar noordoost (35 m. NAP), met een minimum van zowat 32 m. NAP ter hoogte van het Stramprooierbroek. Een groot deel wordt op de kaart als open water aangegeven.
Aangezien de broeken voor de omliggende dorpen en gehuchten economisch van groot belang waren door hun gebruik als gemene gronden, ontstonden over de grensafbakeningen nogal eens conflicten.

De Lossing in de bedding van de rechtgetrokken en uitgediepte oude Abeek.
In het Grootbroek komt kwelwater uit het Kempens Plateau aan de oppervlakte en monden meerdere beken uit in het moeras. De Abeek is de belangrijkste. Die stroomt bij de huidige Luysen en Mariahof het gebied binnen. Door een gebrekkige natuurlijke ontwatering, was dit gebied van nature altijd al moerassig. De beek had er in feite geen vaste bedding, maar zocht zich er een weg doorheen. Plaatselijk was ze meer dan een km. breed. Op de meest oostelijke punt (de latere Zig), stroomde het water als beek verder richting Maas.

Vandermaelenkaart 1850 met ingekleurd Grootbroek
Op deze ingekleurde Vandermaelen- kaart uit ± 1850, zie je dat deze toestand niet veel gewijzigd is. Ik heb er ter oriëntatie de in 1738 gebouwde Broekmolen bij geplaatst. Opvallend vind ik namen van beken als Oude Beek, Nieuwe beek, Dorpsbeek, Niels Putter beek en Goisgaterbeek. De Abeek wordt Molenbeek genoemd. Op deze kaart is ook geen sprake meer van Groote Broek, maar van “Marais dit Groot Broek” (Broekbos Grootbroek). Het grootste deel van het jaar stond het gebied toen echter nog blank. Ik las ergens dat het gras soms zelfs in het water werd gemaaid en met een schuit werd afgevoerd naar een drogere plaats, waar het kon drogen.
Tot 1868 was Grootbroek alleen geschikt om te plaggen, turf te steken, hout te kappen en hier en daar wat koeien en schapen te houden. Het was voorheen het thuisdomein van de Bokkenrijders en later voor onderduikers en "pungelaars"(smokkelaars).

Beken die richting Bocholterbroek, Wijffelterbroek en Grootbroek stromen
In 1865 begonnen de eerste grote ingrepen in het stroomgebied van de Abeek. De Belgische regering wilde namelijk meer landbouwgrond, dus er moest ontgonnen worden. De verkoop van Bocholterbroek en Grootbroek aan de “Banque générale pour favoriser l'Agriculture et les Travaux Publics” vond in 1865 plaats. Als eis werd gesteld dat het in 10 jaar tijd moest worden drooggelegd voor land- en bosbouw- doeleinden. Om dit te verwezenlijken werd de Abeek rechtgetrokken en uitgediept en werden de “Emissaire” (de Lossing)) en talrijke afwateringssloten gegraven. Door het Stamprooierbroek, lopende van west naar oost, werd nog een tweede lossing gegraven. Deze z.g. Arme- of Neerbroeklossing  ("Roojerlossing") was niet meer dan een brede sloot en diende om de overlast aan water in het meest noordelijke gedeelte van het gebied af te voeren naar de echte Lossing. Op het kaartje is te zien hoeveel beken in deze gebieden uitmondden.

De Lossing gaat voor de eerste keer bij grenspaal 160 onder de Abeek door 
De Lossing  gaat voor de tweede keer onder de Abeek door bij de zgn. Broekduiker 
Voor de derde keer ging de Lossing bij de zgn. Zigduiker onder de Abeek door
Na eerst onder de Abeek (bij grenspaal 160) gevoerd te zijn, loopt de Lossing vanaf de zgn. Broekduiker over een afstand van ruim 4 km verder in de bedding van de rechtgetrokken en uitgediepte oude Abeek.

De Zuurbeek mondt uit in de verlegde en gegraven Abeek
De Abeek werd zuidwaarts in een nieuw gegraven bedding tot aan de Zig omgeleid. Daar werd de Lossing bij de zogenaamde Zigduiker voor de derde keer onder de Abeek gevoerd. In 1969 werden de waterlopen daar overigens weer verwisseld. Het water van de Lossing kon zo versneld worden afgevoerd door de oorspronkelijke bedding van de Abeek als “Nieuwe Lossing” en de Abeek stroomt sindsdien door de gegraven Lossing als “Nieuwe Abeek” naar de Maas in Ophoven. Door het graven van de Lossing en het verleggen van de Abeek, werd de waterhuishouding in het Grootbroek danig verstoord. Meer hierover kun je lezen in de blog Abeek en/of Lossing.

De diep uitgegraven Oude Lossing vanaf de Napoleonsbrug gezien
Nadat in 1930 de Raam werd gegraven voor de ontginning van het Wijffelterbroek, werd de bovenloop van de Lossing/ Emissaire hierop aangesloten. Daardoor heeft de Lossing van Raam tot Abeek niet meer de functie om af te wateren en is in feite overbodig. Op kaarten wordt dat gedeelte aangegeven als Oude Lossing.

 Het vegen van de Lossing was zwaar handwerk voor de arbeiders                   (foto eind 19e eeuw.)
De ontwikkelingen in het Grootbroek leidden tot de omvorming van moeras in (loof)bos en hooiland. De veen-bodem werd ontgonnen, wat o.a. leidde tot de vorming van 8 vijvers; de latere Luysen en Mariahof. 
Op stafkaarten van het Grootbroek omstreeks 1890, is door deze ontwikkelingen dan ook een compleet ander beeld te zien; een groot deel van het gebied is ontgonnen en de bosbestanden en perceelindeling zoals je die nu aantreft, zijn daar al voor het merendeel op te zien.

Het graven van de Lossing en de ontginning van het broek bleek een te dure aangelegenheid en leidde na die 10 jaar dan ook tot een “faling” (faillissement) van de bank. De geldschieters/aandeelhouders werden eigenaar van grote delen van het Grootbroek. Charles Wauters (met au) uit Antwerpen was “advocaat van de vereffening” . Als loon kreeg hij ook een “lappeken grond” in het broek toegewezen.
De nieuwe eigenaren van deze gronden verenigden zich in Watering het Grootbroek (opgericht bij K.B. van 6 juni 1877), met de bedoeling de gronden vooralsnog te laten renderen.

Wauters speelde een belangrijke rol in het bestuur van deze watering. Als enige eigenaar vestigde hij zich met succes op zijn gronden, die hij van moeras om wist te vormen tot landbouwgronden.
Hij bouwde er Hoeve Groot- Broek (de latere Woutershof). Het complex bestaat uit een herenhuis met erachter een semi-gesloten hoeve. De twee tegenover elkaar liggende hoofdgebouwen (die loodrecht op de straat staan) schijnen oorspronkelijk langschuren geweest te zijn.

Huidige Woutershof met rechts van de weg en bomenrij de Abeek
In 1968 is de hoeve, met daaraan aanpalend 5 ha. grond, verkocht aan het Vlaams Verbond voor Katholieke Meisjesgidsen (VVKM) en sinds 1979 is het complex in handen van  Hopper, een jeugdverblijf  van Scouts en Gidsen Vlaanderen vzw.
De grootste ontginningen vonden plaats na 1956. 70 tot 80 % van deze gebieden zijn toen op zeer korte tijd ontgonnen. Omstreeks 1970 was het gebied grondig ontwaterd, waren grote delen van het moeras verdwenen en waren vervangen door weilanden en (maïs)akkers. Het waren vooral de randen van het moeras die door de landbouw werden aangetast.

Ondanks allerlei genomen maatregelen, bleef een “goede” waterhuishouding in het Grootbroek echter problematisch. Hoewel er jarenlang tal van pogingen zijn gedaan het hele gebied toegankelijker te maken voor de landbouw, bleek dit een onmogelijke opgave en midden jaren ’70 liet de Belgische overheid dan ook eindelijk  het plan varen om heel het Grootbroek droog te leggen. Zo ontstonden uit de resterende moerassen de in het begin genoemde natuurgebieden, waaronder dus ook “Domeinbos Grootbroek”.
In de volgende blog zal ik daar wat meer over vertellen.

Blogarchief